• Accumulation of phytosterols in food. Evaluation of the adverse effects following the intake of high dose of phytosterols

      van Amsterdam JGC; Opperhuizen A; Jansen EHJM; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-07-14)
      Op de markt verschijnen steeds meer producten, die verrijkt zijn met plantensterolen (fytosterolen). De gecombineerde consumptie van dergelijke producten kan leiden tot overdosering, zodat er mogelijk aanvullende maatregelen nodig zijn om overdosering te voorkomen.Fytosterol-verrijkte voeding verlaagt het plasma LDL-cholesterol. Een dagelijkse inname van 1-3 g plantensterolen verlaagt de LDL-cholesterolconcentratie met 5-15%; een hogere inname geeft geen extra effect. Door hun slechte absorptie geven fytosterolen geen systemische toxiciteit. Fytosterolen verlagen echter wel de absorptie van beta-carotenoiden, die van belang zijn voor de aanmaak van vitamine A. De consumptie van (margarine verrijkt met) 3 g fytosterol per dag gedurende een jaar leidt tot een 33% afname van de beta-caroteenspiegel, die echter (alleen) zorgelijk is bij risicogroepen met een hoge vitamine A behoefte, zoals zwangeren, moeders die borstvoeding geven en jonge kinderen. Er is overigens geen indicatie voor fytosterolgebruik door deze groepen, maar het gebruik kan niet worden uitgesloten.De beschikbare data over schadelijke effecten bieden geen basis voor het stellen van een maximaal toelaatbare dagelijkse dosis voor fytosterolen. Evenals de Gezondheidsraad en SCF, wordt thans aanbevolen om niet meer (meer dan 3 g per dag) van deze plantensterolen in te nemen, omdat a. hogere doseringen niet effectiever zijn, en b. langetermijnstudies ontbreken. Op termijn zijn beleidsmaatregelen nodig ter voorkoming van overdosering in gebruikers- en risicogroepen
    • Ace Inhibitors and Angioedema

      Vleeming W; van Amsterdam JGC; de Wildt DJ; Stricker B; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-09-30)
      Dit rapport beschrijft de risico's die verbonden zijn aan het gebruik van angiotensine converting enzym (ACE) remmers. Hierbij staat de bijwerking angio-oedeem centraal. De benodigde literatuur is verzameld aan de hand van een zoekaktie middels MEDLINE. ACE-remmers zijn in gebruik ter behandeling van hoge bloeddruk en chronisch hartfalen. Het eerste deel richt zich op de farmacologie van de ACE-remmers, op de pathofysiologie en prevalentie van het fenomeen. Het tweede deel gaat in op mogelijke werkingsmechanismen betrokken bij door ACE-remmers geinduceerd angio-oedeem. De incidentie van angio-oedeem, een potentieel levensbedreigende bijwerking van ACE-remmers, is 0,1-0,2 %. Het kan bij alle bekende ACE-remmers voorkomen zowel na een eerste inname alsmede na langdurig gebruik. Onmiddellijk staken van de ACE-remmer therapie is vereist bij het optreden van angio-oedeem. Het openhouden van de luchtwegen, een behandeling met adrenaline, antihistaminica en corticosteroiden is soms noodzakelijk. ACE-remmers reduceren niet alleen de omzetting van angiotensine I naar angiotensine II maar verminderen ook de afbraak van bradykinine en substance P. In de beschikbare literatuur wordt verondersteld dat ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem is geassocieerd met een toename van de concentratie bradykinine in plasma en/of weefsels. Een exclusieve rol voor bradykinine is echter nooit aangetoond. Derhalve wordt daarnaast gedacht aan een rol voor andere onstekingsmediatoren zoals substance P, leukotrienen, prostaglandines, platelet activating factor (PAF), histamine, endothelium derived relaxing factor (EDRF). Bovendien lijken ook mechanische prikkels een rol te hebben in de pathogenese van angio-oedeem. ACE-gen polymorphisme en sommige enzymdeficienties worden aangegeven als mogelijke factoren betrokken bij door ACE-remmers geinduceerd angio-oedeem. Er zijn geen aanwijzigingen dat immunologische factoren een rol hebben in de pathogenese van angio-oedeem. Vooralsnog is angio-oedeem een onbegrepen fenomeen. Nieuwe inzichten in deze complexe materie zijn noodzakelijk om de pathogene rol van ophoping van kinines, van vorming van eicosanoiden en van de farmacogenetische aspecten in ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem te onderkennen. Epidemiologisch- in combinatie met farmacogenetisch-onderzoek, in patienten met ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem, en onderzoek naar de pathogene rol van mediatoren die mogelijk betrokken zijn in ACE-remmer gerelateerd angio-oedeem zijn goede richtingen voor nader onderzoek.<br>
    • Adverse health effects of cigarette smoke: aldehydes Crotonaldehyde, butyraldehyde, hexanal and malonaldehyde

      Andel I van; Sleijffers A; Schenk E; Rambali B; Wolterink G; Werken G van de; Aerts LAGJM van; Vleeming W; Amsterdam JGC van; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-28)
      Crotonaldehyde in cigarette smoke can be concluded to induce airway damage in humans. This is one conclusion derived from the existing data found in the literature and reported here in the discussion on adverse health effects and possible addictive effects due to the exposure of crotonaldehyde, butyraldehyde, hexanal and malonaldehyde in cigarette smoke. A previous RIVM report focused on acetaldehyde, formaldehyde, acrolein and propionaldehyde. Due to limited available data, it is not clear whether butyraldehyde, hexanal, and malonaldehyde in cigarette smoke induce similar damage. The exposure due to inhalation of the above-mentioned aldehydes in combination with each other or with other aldehydes remains a point of concern. In addition, it is not known whether sugars and glycerol additives in tobacco affect the concentration of aldehydes in cigarette smoke. For a proper risk assessment, further research on combined exposure and the contribution of added ingredients to the aldehyde concentration in cigarette smoke is necessary.
    • Adverse health effects of cigarette smoke: aldehydes Crotonaldehyde, butyraldehyde, hexanal and malonaldehyde

      van Andel I; Sleijffers A; Schenk E; Rambali B; Wolterink G; van de Werken G; van Aerts LAGJM; Vleeming W; van Amsterdam JGC; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-28)
      Er zijn meer toxicologische gegevens nodig om een goede risicoschatting van de gezondheidseffecten van aldehyden te maken. Ook moet meer onderzoek verricht worden naar de combinaties van toegevoegde stoffen in tabak onderling en met tabak zelf. Aldehyden ontstaan in sigarettenrook door verbranding van tabak en de aan tabak toegevoegde ingredienten. Dit rapport beschrijft de gegevens van een literatuurinventarisatie over de gezondheidseffecten van blootstelling aan de volgende aldehyden: crotonaldehyde, butyraldehyde, hexanal en malonaldehyde. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren, dat crotonaldehyde de trilhaarfunctie van het long-epitheel in vitro remt. Voorts geeft crotonaldehyde irritatie van de ogen, huid en luchtwegen. Butyraldehyde, hexanal en malonaldehyde lijken minder toxisch, hoewel er onvoldoende data beschikbaar zijn voor een afdoende humane risicoschatting. Gegevens over de verslavende effecten van en de effecten na gecombineerde blootstelling aan deze aldehyden zijn niet beschreven.
    • Age-related effects in rat lungs following acute and repeated ozone exposure

      Dormans JAMA; van Bree L; Boere AJF; van Loveren H; Rombout PJA; Marra M; PAT; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      Studies in de mens laten een afname van de longfunctierespons zien voor ozon met het ouder worden, ofschoon de symptomenincidentie dezelfde blijft. Het beperkt aantal experimentele dierstudies laat een diffuse respons zien zonder een duidelijke relatie met leeftijd. Deze data suggereren dus dat jonge dieren niet gevoeliger zouden zijn dan volwassen dieren. Beschikbare toxiciteitsdata bij mens en dier hebben niet afdoende aangetoond dat er geslachtsverschillen bestaan ten aanzien van de gevoeligheid voor ozon. Deze dierstudie onderzocht mogelijke leeftijds- en geslachts- afhankelijke verschillen van de respons van de long op een eenmalige en herhaalde blootstelling aan ozon. Ratten van verschillende leeftijdsgroepen (1, 3, 9 en 18 maanden, overeenkomend met gespeende, jong volwassen, volwassen en relatief oude dieren) werden acuut blootgesteld aan 800 mug/m3 ozon gedurende een dag (12h) of herhaaldelijk blootgesteld (7 dagen, 12 h/d). Verscheidene parameters gerelateerd aan longfunctie, ontsteking en weefselschade, werden gehanteerd voor evaluatie van de ozongevoeligheid. Longfunctietesten lieten geen leeftijdsafhankelijke, noch ozoneffecten zien. Er werden geen leeftijdsafhankelijke effecten gezien in de volume gecorrigeerde compliance van controle dieren. Waarschijnlijk werd door het experimentele regime het niet optimale meettijdstip gekozen om een maximale respons te meten. Zowel morfologisch als morfometrisch werden leeftijdsafhankelijke effecten van ozonblootstelling in de longen waargenomen. Vanaf de leeftijd van 3 maanden bleken de dieren statistisch significant minder gevoeliger te worden voor ozon. Met betrekking tot de biochemische parameters bleek de basale antioxidant capaciteit in de longen van controle dieren vanaf de leeftijd van 3 maanden af te nemen. Toch stegen de enzymactiviteiten in de longen bij dieren van 9 en 18 maanden na ozonblootstelling. Er was geen statistisch significant leeftijdsafhankelijk effect van ozon. De afname van de percentuele toename van het eiwit- en albuminegehalte in longspoelvloeistof (een maat voor capillaire-alveolaire permeabiliteit) in aan ozonblootgestelde ratten vanaf 1 maand veronderstelt een afname in gevoeligheid met toenemende leeftijd. De geleidelijke afname van het netto percentage polymorfkernigen in de longspoelvloeistof na ozonblootstelling in mannelijke dieren naar mate de dieren ouder zijn, versterkt de veronderstelling van een afnemende gevoeligheid in oude ratten. Het resultaat van Listeria infectie proeven liet een bevestiging zien van vorige studies m.b.t. een statistisch significant ozoneffect. Doch er was geen statistisch significant verschil tussen de verschillende leeftijdgroepen in de weerstand tegen een Listeria infectie na ozonblootstelling. Concluderend blijkt dat enkele parameters zoals weefselschade en longonsteking duiden op een toegenomen reactie in jonge dieren. Andere parameters zoals weerstand tegen een Listeria infectie, longfunctie en antioxidant enzym respons wijzen op geen onderlinge verschillen tussen de leeftijdsgroepen in hun gevoeligheid voor ozon. Er werden bij alle onderzochte parameters geen geslachts- gerelateerde verschillen waargenomen ten aanzien van de respons op ozon. Eventuele verschillen van de respons op ozon van de diverse leeftijdsgroepen zouden verklaard kunnen worden door de biologische gevoeligheid voor ozon van de target-plaats, of door de verschillen in longdosimetrie bij dieren van verschillende leeftijden. De resultaten van deze kortdurende ozonblootstellingen zijn moeilijk te interpreteren voor wat betreft de leeftijd-gerelateerde gezondheidseffecten.<br>
    • De allergene potentie van geneesmiddelen: literatuurstudie

      van Amsterdam JGC; Vleeming W; de Wildt DJ; van der Laan JW; de Waal EJ; van Loveren H; Garssen J; TOX; LGM; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van de allergische reacties, die het gevolg zijn van geneesmiddelengebruik. De nadruk is gelegd op ernstige allergische reacties. Een overzicht -ingedeeld volgens de classificatie van Gell en Coombs wordt gegeven van geneesmiddelen met een allergene potentie. Daarnaast worden in een apart hoofdstuk enkele geneesmiddelen beschreven geselecteerd met ernstige of frequente allergische reacties. Voorts wordt ingegaan op de diagnostische mogelijkheden en de daarmee samenhangende problematiek ten einde de grote individuele variatie m.b.t. de gevoeligheid voor geneesmiddelen te schetsen. Tenslotte wordt een kort overzicht gegeven van diermodellen, waarin geneesmiddel-geinduceerde allergische reacties bestudeerd kunnen worden.<br>
    • Bepaling van de beta-adrenerge bindingskarakteristiek in humane- en rattelymphocyten

      van Amsterdam JGC; Eigeman L; Wemer J; de Wildt DJ; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      Bindingcharacteristics of beta-adrenergic receptors were assayed in membranes of human-and rat lymphocytes using iodocyanopindolol (ICYP) as radioactive labelled ligand. The affinity constant (Kd) of ICYP for human and rat adrenergic receptors was respectively 8.5 and 16.5 pM. Total number of receptors (Bmax) in the species studied were respectively 70 and 160 fmole/mg protein.<br>
    • Biobank voor onderzoek naar chronische ziekten. Overzicht van de opbouw en het gebruik van de bloedverzamelingen van RIVM-cohorten

      Hoedt EM den; Hoebee B; Bueno de Mesquita HB; CVG; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-04)
      This report describes the structure and use of the biobank at the RIVM Centres for Nutrition and Health, and Prevention and Health Services Research. Samples for this biobank were collected mainly between 1987 and 1998 for three large-scale epidemiological projects. The blood samples of approximately 60,000 participants were stored at temperatures of -20 degrees Centigrade, -86 degrees Centigrade and -196 degrees Centigrade, with samples divided into fractions (plasma, serum, white blood cells, red blood cells) and stored in 0.5 ml and 1.5 ml vials. These samples have been used for several research projects in the field of chronic diseases. In order to regulate the use of the samples for research into specific chronic diseases, so-called protected cohorts have been imposed. At the moment there are four: cardiovascular diseases, cancer, migraine and deceased participants.
    • Biobank voor onderzoek naar chronische ziekten. Overzicht van de opbouw en het gebruik van de bloedverzamelingen van RIVM-cohorten

      den Hoedt EM; Hoebee B; Bueno de Mesquita HB; CVG; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-04)
      Dit rapport beschrijft de opbouw en en het gebruik van de biobank van de RIVM-centra CVG en PZO. Deze biobank is voor het grootste deel opgebouwd tussen 1987 en 1998 in het kader van drie grootschalige epidemiologische projecten. De deelnemers (ca. 60 000) aan deze projecten hebben bloed afgestaan, dat is opgeslagen in vriezers van -20 graden Celsius, -86 graden Celsius en -196 graden Celsius. Het bloed is verdeeld in fracties (plasma, serum, witte bloedcellen, rode bloedcellen) en opgeslagen in porties van 0,5 ml en 1,5 ml. Het bloed is al voor verschillende onderzoeksvraagstellingen op gebied van chronische ziekten gebruikt, waarbij het bloed van het oudste project het meest is uitgeput. Ook is er DNA opgewerkt. Om bloed veilig te stellen voor onderzoek naar specifieke chronische ziekten of andere kenmerken zijn er zogenaamde beschermde cohorten ingesteld. Op dit moment zijn er vier beschermde cohorten: hart- en vaatziekten, kanker, migraine, en overleden deelnemers.
    • Bioinformatica ten behoeve van genomics

      Pennings JLA; Hoebee B; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-03-06)
      Sinds enkele jaren wordt op het RIVM genomicsonderzoek uitgevoerd. Genomics omvat grootschalig onderzoek naar het erfelijk materiaal (DNA) van organismen. Dit onderzoek levert inzicht op in de manier waarop erfelijke eigenschappen zich vertalen naar het functioneren van een cel, en uiteindelijk een heel organisme. De praktische uitvoering van genomicsexperimenten is recentelijk beschreven in rapport 340200001 "Genomics: Implementatie, toepassing en toekomst", dat in december 2006 is verschenen. Dit rapport gaat in op de bioinformatica die het RIVM heeft opgezet en ontwikkeld. Bioinformatica is de wetenschap die methoden uit de informatica gebruikt om biologische data te kunnen verwerken en analyseren. Deze specifieke kennis is nodig om de grote hoeveelheden data die genomicsexperimenten genereren, te kunnen analyseren. De verschillende stappen in de data-analyse, zoals beeldverwerking, kwaliteitscontrole, normalisatie, statistische analyse, patroonherkenning, verlopen succesvol volgens algemeen geaccepteerde methoden. De bioinformatica voor de verdere biologische interpretatie van de resultaten is wereldwijd nog volop in ontwikkeling. In samenwerking met andere instituten wordt dit onderzoeksgebied gevolgd en worden nieuwe ontwikkelingen toegepast. De komende jaren zullen er via de literatuur meer data van genomicsexperimenten beschikbaar komen. Om die te kunnen vergelijken en te combineren zijn bioinformatica-methoden beschikbaar, die zich de komende jaren verder zullen ontwikkelen. Naast genomicsdata zullen ook steeds meer andere gegevens (bijvoorbeeld eiwit- en metabolietgegevens) beschikbaar komen. Dit biedt mogelijkheden om meerdere soorten data te integreren. Deze aanpak wordt "systems biology" genoemd en is vooral interessant om tot een betere risicoschatting van stoffen te komen. Ook bestaat behoefte aan bioinformatica voor grootschalig eiwitonderzoek (proteomics), dat het RIVM wil gebruiken voor bevolkingsonderzoeken en screeningsprogramma's van micro-organismen.
    • Biomerkers in neuslavage voor effecten van luchtverontreiniging bij gezonde personen en patienten met allergische en astmatische aandoeningen. (Een literatuurstudie)

      Steerenberg PA; Dormans JAMA; Fischer PH; van Bree L; van Loveren H; PAT; CCM; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      Several times per year the one-hour maximum ozone concentration of 240 mug/m3, which is the Dutch air quality guideline, is exceeded. Epidemiological studies show a relation between photochemical episodes, like ozone, and an increase in respiratory symptoms. It is important to show which effects ozone has on the respiratory tract and at which concentration these effects occur. In experimental studies in which humans are exposed to ozone, the lower airway is investigated by studying biopsies and bronchial lavage fluid (BAL). These techniques can not be applied in epidemiological studies with large healthy human populations, because the techniques are very time consuming and invasive. The nose is the prime port of entry for inspired air, and therefore, the first region of the respiratory tract that comes into contact with airborne pollutants. Nasal lavage (NAL) has helped to analyse the stage of infection, immune response or allergic reaction. A literature search was undertaken to investigate whether or not NAL is useful to determine effects of photochemical air pollution and biomarkers predicting the presence of effects of pollution in the lower respiratory tract. This literature search showed that in experimental studies to ozone and in epidemiological studies at increased concentrations of photochemical air pollution the number of polymorphonuclear cells (PMN's), like neutrophils, and to a lower extent eosinophils is increased in NAL. These were not only shown in NAL, but also in BAL.<br>
    • Blootstellingsmodel AirPEX (Air Pollution Exposure model): ontwikkeling en modelbeschrijving

      Scheindelen HJ van; Marra M; Rombout PJA; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-05-31)
      All people living in areas with polluted air are exposed to air pollutants, which may lead to an impaired health status. The causal chain from air quality through exposure to health effects, describes the succession of events which may result in health effects. All elements of this chain contribute to the resulting health risk of a population. The quantitative assessment of population exposure is an essential part of the quantitative assessment of population health risks. Exposure modelling is identified as an appropriate method for assessing the actual exposure of a population, and to evaluate the effects of policy options and trends in air quality. The existing (U.S.) exposure models were developed for rather specific purposes. They are not fully appropriate for use in the Dutch and European situation. This report describes the development of the AirPEX (Air Pollution Exposure) model in which the basal components of the above mentioned causal chain are incorporated, with the focus on exposure. The models aims to quantify the actual exposure to air pollutants of (part of) the population and to evaluate the effects of policy options and trends in air quality on the population exposure. The requirements of the model are defined by its intended use in risk assessments. The model should be independent of air pollutant and geographic area. The model should be able to provide several exposure output parameters that are relevant to a specific compound or to a specific health risk demand. Identification of different population groups or groups at increased health risk in the modelled population exposure is an important requirement. The model should contribute to providing insight into the relative importance of the different factors and into the effectivity of risk reduction measures. The AirPEX model calculates time series of exposure profiles for each individual in a defined population from demographic data, air quality data, and activity patterns of the population. Distributions of population exposure are calculated from these individual profiles. To illustrate the use of the model an application for ozone is given. Compound specific parameters and the available input data are described followed by the result of a test simulation of the exposure of the Dutch population to ozone on a day with increased photochemical air pollution. The implemented model meets the requirements as stated above. The model is independent of air pollutant and geographical area. It offers a variety of output parameters and many possibilities for defining input parameters and functions. Furthermore, a module for the application of dose-response relationships can be corporated easily providing for assessments of health effects. AirPEX is developed as a versatile and flexible information system, valuable for health risk assessments of air pollutants, for the evaluation of policy measures and air quality trends and in more effectively directing research in this area.
    • Blootstellingsmodel AirPEX (Air Pollution Exposure model): ontwikkeling en modelbeschrijving

      van Scheindelen HJ; Marra M; Rombout PJA; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-05-31)
      Alle mensen die leven en wonen in gebieden met verontreinigde lucht worden blootgesteld aan luchtverontreiniging. Deze blootstelling kan leiden tot gezondheidseffecten in (een deel van) de bevolking. De causale keten, beginnend bij emissie, via luchtkwaliteit en blootstelling tot eventueel optredende gezondheidseffecten, beschrijft de causale opeenvolging van de onderdelen en processen die tot een gezondheidseffect kunnen leiden. Tezamen bepalen deze onderdelen het gezondheidsrisico van de bevolking. Een essentieel onderdeel van de kwantitatieve schatting van het gezondheidsrisico van luchtverontreiniging is de kwantitatieve schatting van de blootstelling van een populatie aan luchtverontreiniging. Blootstellingsmodellen beschrijven de werkelijke blootstelling van de bevolking aan luchtverontreiniging, en kunnen dienen voor risicoschatting en voor het evalueren van mogelijke beleidsmaatregelen of trends in luchtkwaliteit. De bestaande, meest Amerikaanse, blootstellingsmodellen zijn evenwel onvoldoende bruikbaar voor risico-schattingsdoelstellingen voor de Nederlandse en Europese blootstellingssituatie, voor een deel omdat ze voor (zeer) specifieke doeleinden zijn ontwikkeld. In dit rapport wordt verslag gedaan van de ontwikkeling van het blootstellingsmodel AirPEX ("Air Pollution Exposure model"). In dit model zijn de onderdelen van de causale keten opgenomen, waarbij de nadruk op blootstelling is gelegd. Het model beoogt de werkelijke blootstelling van (delen van) de bevolking aan luchtverontreinigende stoffen te kwantificeren en het effect van beleidsmaatregelen en trends in luchtkwaliteit op de bevolkingsblootstelling te evalueren. Het beoogde gebruik voor risicoschattingsdoeleinden stelt een aantal eisen aan het model. Het te ontwikkelen model moet onafhankelijk zijn van luchtverontreinigende stof en geografisch gebied. Het model moet schattingen kunnen geven van verschillende blootstellingsparameters die relevant zijn voor een specifieke luchtverontreinigende stof, en die bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden om schattingen te maken van optredende gezondheidseffecten. Het is noodzakelijk onderscheid te kunnen maken in bevolkingsgroepen die extreem hoog of laag worden blootgesteld of die extreem gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Het model moet tevens inzicht geven in de relatieve bijdrage van factoren die leiden tot een (verhoogde) blootstelling. Daarnaast moet het model bruikbaar zijn voor de beantwoording van specifieke beleidsvragen, zoals de effectiviteit van risico-reductie maatregelen. AirPEX simuleert de werkelijke blootstelling van een verzameling individuen (een populatie) aan een luchtverontreinigingscomponent. Als eerste wordt met behulp van Monte Carlo methoden een representatieve populatie samengesteld. Vervolgens wordt voor elk individu uit de populatie het verloop van de blootstelling in de tijd berekend. En tenslotte berekent AirPEX de gewenste populatie-blootstellingsparameters. AirPEX gebruikt hiervoor drie soorten gegevensbestanden als input, namelijk gegevens over de demografie van de bevolking, het verloop in de tijd van de buitenluchtconcentraties luchtverontreinigingscomponent, en het activiteitenpatroon van de bevolking. Ter illustratie van het gebruik van het model is de uitwerking van AirPEX voor de stof ozon gegeven. Hierbij zijn de ozon-specifieke modelcomponenten en de beschikbare inputgegevens beschreven, gevolgd door een voorbeeldberekening van de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan ozon op een dag met verhoogde fotochemische luchtverontreiniging. Het model zoals dat momenteel is geimplementeerd voldoet aan de gestelde eisen. Het model is stof- en gebiedsonafhankelijk, het biedt een grote variabiliteit aan outputparameters en veel mogelijkheden om inputvariabelen en -functies te definieren. Het model is op eenvoudige wijze uit te breiden met een blootstellings-respons module waarmee een kwantitatieve schatting van de gezondheidseffecten kan worden berekend. Het ontwikkelde model AirPEX is een compleet en flexibel rekensysteem, waardevol bij de beantwoording van vragen naar kwantitatieve gezondheidsrisico's van luchtverontreiniging bij het evalueren van beleidsmaatregelen en trends in luchtkwaliteit, en bij het aansturen van onderzoek op het gebied van risicobeheersing en risicovaststelling. Het kan worden toegepast voor de beschrijving van blootstelling van de bevolking in Nederland en tevens voor blootstellingssituaties elders.<br>
    • The Contribution of cocoa additive to cigarette smoking addiction

      Rambali B; Andel I van; Schenk E; Wolterink G; Werken G van de; Stevenson H; Vleeming W; TOX; SIR; LVM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-05-07)
      In this report the effect of these compounds on the addiction to cigarette smoking was assessed, using currently available information in the literature on psychoactive compounds of cocoa. The investigated psychoactive cocoa compounds were theobromine, caffeine, serotonin, histamine, tryptophan, tryptamine, tyramine, phenylethylamine, octopamine and anandamide. The general conclusion is that the level of these compounds in added cocoa in cigarettes is not sufficient to increase the addiction to cigarette smoking.
    • The Contribution of cocoa additive to cigarette smoking addiction

      Rambali B; van Andel I; Schenk E; Wolterink G; van de Werken G; Stevenson H; Vleeming W; TOX; SIR; LVM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-05-07)
      In dit rapport wordt de mogelijke bijdrage van cacao aan rookverslaving beschreven. Cacao wordt aan tabak toegevoegd om de smaak te verbeteren. Daarnaast bevat cacao tal van psychoactieve stoffen die mogelijk bijdragen aan rookverslaving Dit literatuuronderzoek beschrijft de blootstelling, farmacologie, farmacokinetiek, toxicologie, interacties en verslavende eigenschappen van de tien meest bekende stoffen in cacao. De onderzochte stoffen zijn theobromine, caffeine, serotonine, histamine, tryptofaan, tryptamine, tyramine, fenylethylamine, octopamine en anandamide. Deze stoffen komen ook via dranken en voedsel het lichaam binnen of worden door het lichaam zelf aangemaakt. Dit rapport laat zien dat de aan roken gerelateerde blootstelling aan de psychoactieve stoffen uit cacao gering is ten opzichte van de inname via voeding en dranken en/of de lichaamseigen productie van deze stoffen. Een systemisch effect lijkt derhalve onwaarschijnlijk ook al omdat lichaamseigen stoffen snel worden afgebroken. Daarnaast kunnen deze stoffen, omdat ze geinhaleerd worden, een direct effect op de luchtwegen hebben. Daarmee zou de opname van nicotine beinvloed kunnen worden. De nicotine opname zou bijvoorbeeld kunnen toenemen via luchtwegverwijding door theobromine en cafe6ne of kunnen afnemen door luchtwegvernauwing door histamine. Dit rapport laat zien dat de aan roken gerelateerde blootstelling aan deze stoffen waarschijnlijk te gering is voor een direct effect op de luchtwegen. Verder dient te worden opgemerkt dat de hoeveelheid tryptamine, tyramine en fenylethylamine die via cacao wordt toegevoegd verwaarloosbaar is ten opzichte van de hoeveelheid die in tabak zelf aanwezig is. Tot slot is aandacht besteed aan de verbrandingsproducten van cacao. Amine verbindingen als serotonin, tryptofaan, tyramine, tryptamine en fenylethylamine vormen tijdens het roken stoffen die het enzym mono amine oxidase (MAO) remmen. MAO-remmers hebben een anti-depressieve werking en kunnen op die manier bijdragen aan rookverslaving. De conclusie van dit literatuur onderzoek is dat de afzonderlijke psychoactieve stoffen in tabak als gevolg van toevoeging van cacao niet direct bijdragen aan rookverslaving. De verbrandingsproducten van cacao doen dit, via remming van het enzym mono amine oxidase, mogelijk wel. Ook de smaak van cacao wordt geassocieerd met verslaving. De literatuur biedt geen inzicht in het effect op gezondheid en verslaving van het inhaleren van de combinatie van de 10 onderzochte stoffen uit cacao.<br>
    • Derivation of conversion factors to estimate an indicative chronic NOAEL from short-term toxicity data

      Kramer HJ; van den Ham WA; Slob W; Pieters MN; TOX; CWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Voor de normstelling van chemische stoffen, bijvoorbeeld voor het vaststellen van een Aanvaarde Dagelijkse Inname (ADI) of Toelaatbare Dagelijkse Inname (TDI), zijn gegevens over de chronische toxiciteit noodzakelijk. Vaak zijn echter slechts acute en sub-acute toxiciteitsgegevens beschikbaar. Om met de beperkte toxiciteitsgegevens toch een chronische No-observed-adverse-effect-level (NOAELchronisch ) te schatten, is een pragmatische methode ontwikkeld. Conversiefactoren werden bepaald door de distributie van de ratio's tussen (sub)-acute en chronische toxiciteitsgegevens van een groot aantal stoffen te evalueren. De 95% betrouwbaarheidsbovengrens van het 95ste percentiel van de ratio-verdeling definieren we als de conversiefactor om een NOAELchronisch te schatten (indicatieve NOAELchronisch). Op deze manier is rekening gehouden met de variatie in distributie (95ste percentiel) en met de schattingsfout (95% betrouwbaarheidsbovengrens). De NOAELsub-acuut van oraal gedoseerde stoffen correleerde beter met de NOAELchronisch dan de LD50. Voor de afleiding van de indicatieve NOAELchronisch verdient daarom de NOAELsub-acuut de voorkeur. Op basis van 57 NOAELsub-acuut/NOAELchronisch ratio's werd de conversiefactor voor de NOAELsub-acuut bepaald op 92. Voor de LD50 (n = 244) werd een conversiefactor van 1.7x10.000 afgeleid. Multiple regressie-analyse liet zien dat het combineren van een LD50 met een NOAELsub-acuut de schatting van de NOAELchronisch nauwelijks verbetert, ten opzichte van de schatting op basis van de NOAELsub-acuut als enige variabele. Gezien de slechte correlatie van de LD50 met de NOAELchronisch en de zeer beperkte meerwaarde van de LD50 bij een bekende NOAELsub-acuut, zou het vereist stellen van acute studies nader beschouwd moeten worden. Analyse van de inhalatoire data resulteerde in een conversiefactor van 8.8x10.000 en 6.8x10.000 voor respectievelijk een LC50 en een NOAELsub-acuut. Deze hoge factoren zijn gedeeltelijk te wijten aan het beperkte aantal stoffen waarvoor ratio's konden worden berekend. Evaluatie van de ratio NOAELsemi-chronisch/NOAELchronisch gaf een conversiefactor van 46 aan voor de oraal toegediende stoffen. Dit betekent dat de defaultwaarde van 10 eerder verhoogd zou moeten worden dan verlaagd, zoals soms gesuggereerd wordt. De conversiefactor voor de extrapolatie van LOAEL naar NOAEL werd op 12 geschat en ligt wel nabij de huidige defaultwaarde van 10.<br>
    • Diabetes, stress response and blood pressure: prenatal nutritional programming in a rat model

      Verhoef A; Kuil A van de; Dormans JAMA; Pesman G; Piersma AH; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-05-14)
      The current epidemic increase of diabetes in western societies is associated with lifestyle factors. Increased caloric intake in combination with decreased physical exercise predisposes for obesity and diabetes. However, an additional important cause of the diabetes epidemic may be found in nutrition during pregnancy. Prenatal nutritional programming of physiological parameters is increasingly considered as an important determinant of diseases in adulthood such as cardiac failure, obesity and diabetes. The current study describes the continuing development of an animal model for prenatal programming. Continuous blood pressure determinations in stress-free conscious rats showed no changes after prenatal diets with a reduced protein content or with an increased saturated fatty acid content. In addition, no changes were observed in the adrenal response to ACTH, either in vivo or in vitro. Remarkably, the insulin response was increased in adult offspring after a prenatal saturated fatty acid rich diet. The latter finding prompts further research into the role of nutritional fatty acids in prenatal programming of glucose homeostasis. This mechanism my have important public health impact in view of current dietary habits and increasing diabetes prevalence in western societies.
    • Diabetes, stress response and blood pressure: prenatal nutritional programming in a rat model

      Verhoef A; van de Kuil A; Dormans JAMA; Pesman G; Piersma AH; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-05-14)
      De huidige epidemische toename van diabetes in de westerse samenleving is geassocieerd met leefstijlfactoren. Verhoogde calorische inname in combinatie met verminderde lichamelijke inspanning verhoogt de kans op het krijgen van obesitas en diabetes. Echter, een additionele oorzaak van de diabetes epidemie ligt mogelijk in de voeding tijdens de zwangerschap. Programmering door de voeding tijdens de zwangerschap van fysiologische parameters in het nageslacht wordt in toenemende mate beschouwd als een belangrijke determinant van aandoeningen op volwassen leeftijd waaronder cardiovasculaire ziekten, obesitas en diabetes. Dit onderzoek beschrijft de verdere ontwikkeling van een diermodel voor prenatale programmering. Continue bloeddrukmeting in stressvrije wakkere dieren lieten geen veranderingen zien na prenatale dieten met verminderd eiwitgehalte dan weleen verhoogde concentratie verzadigd vet. Ook de bijnierrespons op ACTH, gemeten in vivo en in vitro, liet geen veranderingen zien. Opvallend was de verhoogde insulinerespons in volwassen nakomelingen na een prenataal dieet verrijkt met verzadigd vet. Deze bevinding vraagt om nader onderzoek naar de rol van vetzuren in het dieet bij de prenatale programmering van de regulatie van de glucosespiegel in het bloed. Dit mechanisme kan belangrijke implicaties hebben voor de volksgezondheid, gegeven moderne eetgewoonten en de toenemende prevalentie van diabetes in de westerse wereld.<br>
    • Drempelwaarden bij voedselallergie

      Loveren H van; Ezendam J; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-05-15)
      As yet, it is not well possible to establish the minimal amount of allergenic components of food able to induce allergic reactions in food allergic human. These minimal amounts are called thresholds. The only food component for which a threshold has been established is lactose. At doses below 7 grams no allergic reactions have been noted. The interest of further research of thresholds stems fro EU legislation. From November 1, 2005, labels on each food product need to indicate whether it contains food allergens/ This pertains to the most important food allergens: wheat (including gluten), crustaceans, egg, fish, peanuts, milk (including lactose), soy, nuts, sesame, mustard, and sulphite. Methods are available to identify food allergens in food. However, as threshold values have not been established, it is currently not well possible to set criteria for these methods in terms of their sensitivity, in other words what are the lowest amounts of the allergens in food that these methods should be able to detect.