• Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. LMM-jaarrapport 2003

      Wattel-Koekkoek EJW; Reijs JW; van Leeuwen TC; Doornewaard GJ; Fraters B; Swen HM; Boumans LJM; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-02-05)
      Het RIVM en het LEI hebben gegevens gebundeld over de bedrijfsvoering en de grondwaterkwaliteit van bedrijven die in 2003 voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) zijn bemonsterd. Uit de gegevens over de bedrijfsvoering blijkt dat de bemesting en nutrientenoverschotten op melkveebedrijven sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw eerst fors zijn gedaald en sinds 2000 zijn gestabiliseerd. Op akkerbouwbedrijven is een minder duidelijke trend zichtbaar. Op 42% van de onderzochte bedrijven is de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater (recente neerslagoverschot) te hoger dan de Europese norm van 50 mg/l. De meeste van deze overschrijdingen zijn aangetroffen bij bedrijven in de zand/lossregio (53%). Bij bedrijven in de kleiregio zijn aanzienlijk minder overschrijdingen aangetoond (12%). In beide gevallen daalt de nitraatconcentratie wel sinds de jaren negentig. In de veenregio lagen alle metingen beneden de EU-norm. Een lagere nitraatconcentratie in het bovenste grondwater op landbouwbedrijven belast het milieu minder. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van grondwater op landbouwbedrijven te beschrijven en verklaren in relatie tot milieuvervuiling, beleidsmaatregelen en bedrijfsvoering. De grondwaterkwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid nutrienten (waaronder nitraat) in het bovenste grondwater te meten (net onder de 'wortelzone'). Metingen op dit punt geven weer welk deel van het nutrientenoverschot naar het grondwater is uitgespoeld. De metingen zijn verricht op de typen landbouwbedrijven die in Nederland het meest voorkomen (akkerbouw en melkvee) in drie hoofdgrondsoortregio's (zand/loss, klei en veen).
    • Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. LMM-jaarrapport 2004

      Swen HM; Reijs JW; van Leeuwen TC; Doornewaard GJ; Fraters B; Wattel-Koekkoek EJW; Boumans LJM; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-23)
      Het RIVM en het LEI hebben gegevens gebundeld over de bedrijfsvoering en de grondwaterkwaliteit van bedrijven die in 2004 voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) zijn bemonsterd. Uit de gegevens over de bedrijfsvoering blijkt dat de bemesting en nutrientenoverschotten op melkveebedrijven sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw eerst fors zijn gedaald en sinds 2000 zijn gestabiliseerd. Op akkerbouwbedrijven is een minder duidelijke trend zichtbaar. Op 57% van de onderzochte bedrijven is de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater (recente neerslagoverschot) hoger dan de Europese norm van 50 mg/l. De meeste van deze overschrijdingen zijn aangetroffen bij bedrijven in de zand/lossregio (67%). Bij bedrijven in de kleiregio en in de veenregio zijn aanzienlijk minder overschrijdingen aangetoond (respectievelijk 44% en 12%). Deze waarden zijn over de hele lijn hoger dan in 2003. De trend is echter wel dat de nitraatconcentratie sinds de jaren negentig daalt. Een lagere nitraatconcentratie in het grondwater op landbouwbedrijven belast het milieu minder. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van grondwater op landbouwbedrijven te beschrijven en te verklaren in relatie tot milieuvervuiling, beleidsmaatregelen en bedrijfsvoering. De grondwaterkwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid nutrienten (waaronder nitraat) in het bovenste grondwater te meten (net onder de 'wortelzone'). Metingen op dit niveau geven weer welk deel van het nutrientenoverschot naar het grondwater is uitgespoeld. De metingen zijn verricht op de typen landbouwbedrijven die in Nederland het meest voorkomen (akkerbouw en melkvee) in drie hoofdgrondsoortregio's (zand/loss, klei en veen).
    • Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. LMM-jaarrapport 2005

      Swen HM; Goffau A de; Doornewaard GJ; van Leeuwen TC; Reijs JW; Fraters B; Wattel-Koekkoek EJW; Boumans LJM; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLEI Wageningen UR, 2010-05-27)
      Het Landbouw Economisch Instituut (LEI) volgt de bedrijfsvoering op landbouwbedrijven; het RIVM monitort op deze bedrijven de waterkwaliteit die door de bedrijfsvoering wordt beinvloed. Uit de monitoringgegevens blijkt dat de bemesting en nutrientenoverschotten op melkveebedrijven sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw eerst fors zijn gedaald en sinds 2000 zijn gestabiliseerd. Op akkerbouwbedrijven is een minder duidelijke trend zichtbaar. Ook daalt sinds de jaren negentig de nitraatconcentratie in het grondwater onder landbouwbedrijven. Dit is een positieve ontwikkeling, omdat een lagere nitraatconcentratie duidt op een lagere belasting van het milieu. Desalniettemin bleek in 2005 op 52 procent van de onderzochte bedrijven de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater (recente neerslagoverschot) hoger te zijn dan de Europese norm van 50 milligram per liter. In 2004 varieerde de totale stikstofbemesting tussen combinaties van bedrijfstype en grondsoort van gemiddeld 188 tot 436 kilo per hectare en de fosforbemesting van 78 tot 115 kilo per hectare. Per saldo was de aanvoer van stikstof en fosfor in de bodem groter dan wat eruit verdwijnt. Het stikstofoverschot varieerde tussen combinaties van bedrijfstype en grondsoort van gemiddeld 115 tot 226 kilo per hectare. Voor fosfor lag dat tussen 24 en 40 kilo per hectare. De meeste overschrijdingen van de nitraatconcentratie in het grondwater zijn aangetroffen bij bedrijven in de zand/lossregio (68 procent). Bij bedrijven in de kleiregio en in de veenregio zijn aanzienlijk minder overschrijdingen aangetoond (respectievelijk 36 en 0 procent). Het totale aantal overschrijdingen in de zand/lossregio in 2005 is, in vergelijking met 2004, vrijwel gelijk gebleven. In de klei- en veenregio is in 2005 het aantal overschrijdingen gedaald ten opzichte van 2004. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van het water op landbouwbedrijven te beschrijven en te verklaren in relatie tot beleidsmaatregelen en bedrijfsvoering. De waterkwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid nutrienten (waaronder nitraat) te meten in het water dat uitspoelt uit de 'wortelzone' (bovenste meter van het grondwater, bodemvocht of drainwater) en in het slootwater. Metingen op dit punt geven weer welk deel van het nutrientenoverschot naar het grond- en oppervlaktewater is uitgespoeld. De metingen zijn verricht op de typen landbouwbedrijven die in Nederland het meeste voorkomen (akkerbouw, melkvee en hokdieren) in drie hoofdgrondsoortregio's (zand/loss, klei en veen).