• Assessment of risks of groundwater contamination from abandoned on-farm storage sites in Ukraine : Appendix report of project completion report

      Velstra J; Kovar K; Swartjes FA; Fraters B; Grekov V; Panasenko V; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAcacia Water BVPBLCenterderzhrodyuchist, 2013-01-11)
      Dit is het bijlagenrapport. Het hoofdrapport heeft rapportnummer 680272001 Dit rapport is het bijlagenrapport behorende bij het afsluitende projectrapport met de titel 'Risicobeoordeling van grondwaterverontreiniging ten gevolge van verlaten opslagplaatsen op landbouwbedrijven in Oekraïne. Afsluitend projectrapport.' Met RIVM rapport nummer 680272001. Het bijlagenrapport bevat een afdruk van de sheets van de in totaal 25 presentaties van Nederlandse en Oekraïense experts die zijn gepresenteerd tijdens de drie projectmissies die hebben plaatsgevonden in 2011 en 2012
    • Assessment of risks of groundwater contamination from abandoned on-farm storage sites in Ukraine : Project completion report

      Velstra J; Kovar K; Swartjes FA; Fraters B; Grekov V; Panasenko V; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAcacia Water BVPBLCenterderzhrodyuchist, 2013-01-11)
      Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft rapportnummer 680272001A Oekraïne kampt met een groot aantal puntbronnen van pesticiden en meststoffen die de landbouwgronden en het drinkwater bedreigen. Risicobeoordeling biedt de mogelijkheid om het grote aantal verontreinigde locaties te identificeren en prioriteren als een eerste stap naar sanering van de locaties Toenemende behoeften en afnemende budgetten Centerderzhrodyuchist, het Oekraïense Staatsinstituut voor Bodemvruchtbaarheid en Productkwaliteit, is verantwoordelijk voor zowel de monitoring van bodemkwaliteit als voor bodemvruchtbaarheidanalysen en bemestingsadvies. Het budget voor beide taken neemt af, terwijl de behoefte aan gedetailleerde monitoring en informatieverzameling toeneemt om een voldoende en een veilige voedselproductie voor de toekomst zeker te stellen. Het veiligstellen van landbouwgrond en voedselveiligheid De risico's van grondwaterverontreiniging zijn reëel door uitspoeling van pesticiden en meststoffen uit verlaten en onbeheerde opslagplaatsen voor deze producten in het landelijk gebied. De verontreiniging van het grondwater vormt een bedreiging voor zowel de landbouwproductie (gewasopbrengst en de voedselveiligheid) als voor de drinkwatervoorziening van kleine dorpen. Deze dorpen zijn voor hun drinkwater meestal afhankelijk van locale drinkwaterputten. Prioriteren en differentiëren van puntbronnen Teruglopende budgetten en de hoge kosten gerelateerd aan het saneren van al deze locaties vragen om een methodologie voor risicobeoordeling van puntbronnen. Hieronder wordt verstaan, ten eerste, het uitvoeren van een inventarisatie van relevante puntbronnen en/of processen die de mobiliteit van verontreinigingen beïnvloeden. Ten tweede betekent dit het bepalen in welke mate verontreinigingen in het freatische grondwater terechtkomen en op welke wijze deze worden getransporteerd via grondwaterstroming door de ondergrond. Ten derde houdt het in het uitvoeren van een risicobeoordeling met betrekking tot de land- en watergebruiksfuncties in de nabijheid van puntbronnen. Deze methodologie is uitgewerkt door de Nederlandse en Oekraïense deskundigen en vastgelegd in een leidraad. Financiering en team Bovenstaande bevindingen zijn het resultaat van een project, gefinancierd door Agenschap NL, om de opties te onderzoeken voor het gebruik van aardobservatie en GIS in de bodemkwaliteitsmonitoring in de Oekraïne. Een team van Nederlandse experts, afkomstig van het RIVM, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het adviesbureau Acacia Water BV, heeft dit project in 2011 en 2012 uitgevoerd samen met experts van Centerderzhrodyuchist en experts van twee andere Oekraïense instituten en organisaties, zowel overheid als bedrijfsleven.
    • Beoordeling bodem- en grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden : Discussiestuk

      Swartjes FA; Wuijts S; Otte PF; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-10)
      In Nederland is circa 25% van de ruim tweehonderd drinkwaterwinningen uit grondwater beïnvloed door nabijgelegen bodemverontreinigingen. Deze drinkwaterwinningen liggen in grondwaterbeschermingsgebieden waar twee wetten van kracht zijn: de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming. Deze wetten hebben elk een ander doel, waardoor verschillende beoordelingscriteria gelden. Momenteel worden beide wetten ingezet in grondwaterbeschermingsgebieden. De Wet bodembescherming staat hogere gehaltes aan vervuilende stoffen in het drinkwater toe dan de strengere Drinkwaterwet nabij drinkwaterwinningen. Dit veroorzaakt onduidelijkheid bij de betrokken partijen. Om een eenduidige beoordeling mogelijk te maken, stelt het RIVM drie opties voor om de risicobeoordeling van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden uit te voeren. De opties kunnen apart of gecombineerd worden ingezet. Op basis van dit voorstel besluit het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) welke procedure het meest geschikt is voor de beoordeling van grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden. Als eerste is het mogelijk om bij de beoordeling van de waterkwaliteit bij de winningen in te calculeren dat vervuilingen worden verwijderd door de standaard zuivering van de drinkwatermaatschappijen. Hierdoor kan een hogere concentratie van een vervuilende stof worden toegestaan in grondwaterbeschermingsgebieden dan ter plaatse van de drinkwaterwinning. Als tweede optie kan bij de beoordeling rekening worden gehouden met de effecten van processen die van nature in de bodem plaatsvinden. Vervuilende stoffen zijn daardoor verdund of zelfs afgebroken tegen de tijd dat ze de waterwinning 'bereiken'. Vervuilingen hebben daardoor minder of geen invloed op de kwaliteit van het grondwater bij de drinkwaterwinning. Ten slotte kunnen gezondheidsrisico's betrokken worden bij de beoordeling. Dit houdt in dat wordt afgewogen hoeveel een mens van een stof mag binnenkrijgen zonder dat het schadelijk is.
    • Beoordeling gezondheidsrisico's van arseen op de Zandmotor

      van Bruggen M; Swartjes FA; Janssen PJCM; Pit IR; Griffioen J; Spijker J; MNS; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-04-09)
      Voor de kust van Ter Heijde en Den Haag is in 2011 de Zandmotor aangelegd, een schiereiland van 128 hectare om de kust te beschermen en te onderhouden. Bij wetenschappelijk onderzoek naar de bodem - het zand is afkomstig van de bodem van de Noordzee, 10 kilometer uit de kust - is op enkele plaatsen op de Zandmotor arseen aangetroffen, een in potentie giftige stof. Vanwege de recreatiefunctie van dit gebied heeft Rijkswaterstaat het RIVM verzocht te onderzoeken of er ook arseen aanwezig is op plaatsen waar kinderen spelen, en of dat risico's met zich mee zou kunnen brengen. Het gehalte arseen in de bovenste laag zand blijkt erg laag te zijn, vergelijkbaar met de gehalten van niet vervuilde andere zandgronden in Nederland. Op de Zandmotor ligt ook een meertje. Het arseengehalte in het water van het meertje is eveneens getest. Gebleken is dat het gehalte in dit water vergelijkbaar is met de waarde die in drinkwater is toegestaan en daarom laag te noemen. Arseen wordt verder ook niet door de huid opgenomen. Op het strandoppervlak liggen hier en daar ook brokken ijzerhoudend materiaal (ijzeroer). Deze blijken meer arseen te bevatten. Alleen wanneer jonge kinderen wekenlang, uren per dag met deze brokken zouden spelen, en materiaal daarvan veelvuldig in hun mond krijgen, kan het risico in de buurt komen van het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) voor arseen. Aangezien dit scenario in de praktijk niet realistisch is, betekent dit de facto dat kinderen hier zonder problemen kunnen spelen. Er bestaat evenmin een risico voor volwassenen en dieren (honden/paarden).
    • Beoordeling van de risico's van bodemverontreiniging met asbest

      Swartjes FA; Tromp PC; Wezenbeek JM; LER; TNO-MEP; Grontmij (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-15)
      Er is een methodiek ontwikkeld, gebaseerd op een stapsgewijze aanpak, om de locatie-specifieke risico's van bodemverontreiniging met asbest te kunnen bepalen. Bovendien is een onderbouwing gegeven voor de interventiewaarde voor asbest, welke recentelijk werd geformaliseerd door het Ministerie van VROM via het Interimbeleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat). Risico's voor de mens ten gevolge van inhalatie van asbest vezels zijn het meest kritisch. Daarom is de risico-analyse gebaseerd op de mogelijkheid voor asbestvezels om in de lucht te komen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen chrysotiel en amfibool asbest, hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest en respirabele en niet-respirabele fractie in de bodem. Omdat het gedrag van asbest in de bodem verschilt van die van andere contaminant is geen gebruik gemaakt van het CSOIL blootstellingsmodel. In plaats hiervan is voor de afleiding van de interventiewaarde gebruik gemaakt van meetresultaten uit de praktijk, te weten asbestconcentraties in de bodem en de lucht. In stap 2 en 3 van de methode om het locatie-specifieke risico te bepalen is gebruik gemaakt van meetmethoden.<br>
    • Beoordeling van de risico's van bodemverontreiniging met asbest

      Swartjes FA; Tromp PC; Wezenbeek JM; LER; TNO-MEP; Grontmij (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-15)
      A methodology based on a tiered (three-step) approach was developed to enable site-specific assessment of risks of soil contamination with asbestos. Along with the presentation of this methodology, we have endeavoured to underpin the Intervention Value for soil remediation for asbestos, which was recently released by the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment in its interim policy on asbestos in soil. Because risks to humans after inhalation of asbestos are the most critical, the risk assessment was based on the probability of asbestos fibre emission from soil to air, making a distinction between chrysotile and amphibole asbestos, bound and friable asbestos, and the respirable and non-respirable fraction in soil. Because the behaviour of asbestos in soil is different from the behaviour of any other soil contaminant, the CSOIL exposure model was not used. Instead, use was made of measuring results, i.e. the concentrations of asbestos in soil and air, for deriving the Intervention Value. Guidance on measurement procedures has been incorporated into tiers 2 and 3 of the methodology for determining site-specific human risks.
    • Beoordelingssystematiek bodemkwaliteit ten behoeve van bouwvergunningsaanvragen. Deel 1. Bodemgebruiksspecifieke beoordelingsmethodiek voor de humane blootstelling

      Bockting GJM; Swartjes FA; Koolenbrander JGM; Berg R van den; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      In this report, a methodology is described which will allow the actual human exposure due to soil contamination to be assessed. Furthermore, the procedure for testing this indicative actual exposure against human toxicological limit values is given. In this way, the soil quality can be assessed in relation to the resulting human risks. The methodology will be included in a more general decision support system, on which the assessment of soil quality in granting a building permit will be based. Besides location-specific circumstances, the soil use on a location is an important factor in assessing actual human exposure. For this reason, eight different types of soil use have been defined. For each soil use, a scenario has been defined using standardized exposure parameters. With the help of these scenarios the human exposure specific to soil use on a contaminated site can be calculated. In the last part of this report a user's guide is given which can be used to perform the risk assessment through a step-by step procedure. Besides the sound scientific base, practical application, user-friendliness and unambiguity of the methodology has been given attention. The methodology described reflects a first, provisional approach. Testing will take place in practice, and if necessary the methodology will be adjusted in the future.
    • Beoordelingssystematiek bodemkwaliteit ten behoeve van bouwvergunningsaanvragen. Deel III. Methodiek ter bepaling van het actuele risico voor het ecosysteem

      Notenboom J; Eijsackers HJP; Swartjes FA; ECO; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      In the framework of the Dutch "Woningwet" (housing law) an approach is developed with the aim of assessing ecological risks of contaminated land. This approach is part of a more general decision support system, on which the assessment of soil quality in granting a building permit for a parcel will be based. Theoretical backgrounds of ecological risk assessment of contaminated sites are given. Within the context of the housing law there are very important limitations with respect to data availability and time available for decision making. This restricts very strongly the possibilities for ecological risk assessment of building parcels and forces to make a choice for a very pragmatic approach. Consequently, one is compelled to accept considerable sources of uncertainty. The proposed approach consists of three elements that are integrated in an assessment scheme. (1) The amount of pollution induced toxic stress on the ecosystem. This is estimated by adding pollution units of the individual contaminating chemicals. A pollution unit consists of the soil concentration of a chemical divided by its Hazardous Concentration 50% (HC50). (2) An estimate of exposure judged by the land-use type of the parcel. (3) An estimate of ecological accessibility based on the land-use in the neighbourhood of the parcel. The assessment scheme is based on the supposition that higher pollution induced stress is acceptable in situations with low chance of exposure and scarce ecological accessibility. Risk levels in this scheme should be given by policy makers because reliable technical and scientific arguments are lacking. Uncertainties of the proposed method are discussed and possibilities are given how improvements in reliability can be made.
    • Beoordelingssystematiek bodemkwaliteit ten behoeve van bouwvergunningsaanvragen. Deel II. Methodiek ter bepaling van het verspreidingsrisico

      Swartjes FA; Koolenbrander JGM; Bockting GJM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      In het kader van de Woningwet is een methodiek ontwikkeld welke ten doel heeft: "het schatten van het risico ten gevolge van verspreiding van een contaminant". De methodiek zal deel uitmaken van een systematiek voor de beoordeling van de bodemkwaliteit bij bouwvergunningsaanvragen. In eerste instantie wordt getoetst in hoeverre een contaminant vanuit de verontreinigde locatie de directe omgeving kan belasten ('stand-still' beginsel). Hiertoe wordt een verplaatsingsflux als kwantitatief criterium berekend. Met behulp van deze flux kan een indeling van het verspreidingsrisico worden gemaakt in een drietal klassen: I. een laag verspreidingsrisico ; II. een intermediair verspreidingsrisico en III. een hoog verspreidingsrisico. Indien de flux in klasse I of III valt is de toetsing onherroepelijk. In geval dat de flux in te delen is in klasse II wordt op grond van een kwalitatieve beoordeling een eindoordeel voor het verspreidingsrisico gegeven. Hierbij worden een aantal risico-verhogende en risico-verminderende locatie-specifieke factoren beschouwd. Gezien de hoge mate van onzekerheid ten gevolge van een gebrek aan gegevens en een sterk vereenvoudigd formularium, mag geen absolute betekenis aan de berekeningen worden toegekend. Om recht te doen aan de aan de beoordelingssystematiek gestelde eisen, te weten een degelijke wetenschappelijke onderbouwing enerzijds en eenvoudige toepassings- mogelijkheid, gebruikersvriendelijkheid en eenduidigheid anderzijds, bestaat de rapportage uit twee gedeelten: Deel I, waarin de theoretische achtergronden van de methodiek in detail beschreven zijn ; Deel II, welke als korte gebruikershandleiding voor de methodiek beschouwd kan worden. Het definieren van grenswaarden ten behoeve van de indeling van de berekende verplaatsingsflux in klassen betreft een beleidsmatige beslissing en is buiten beschouwing van deze rapportage gebleven.<br>
    • Beoordelingssystematiek bodemkwaliteit ten behoeve van bouwvergunningsaanvragen. Deel III. Methodiek ter bepaling van het actuele risico voor het ecosysteem

      Notenboom J; Eijsackers HJP; Swartjes FA; ECO; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      Dit rapport geeft een benadering waarmee het risico van een bodemverontreinigingsgeval voor het ecosysteem kan worden ingeschat. Dit betreft specifiek de beoordeling van de bodemkwaliteit van bouwkavels in het kader van de Woningwet alvorens een bouwvergunning kan worden afgegeven. De beoordelingssystematiek wordt alleen toegepast op bodemverontreinigingsgevallen waarbij interventiewaarden niet zijn overschreden of, indien interventiewaarden worden overschreden, sanering niet-urgent geacht wordt. De benadering sluit zoveel mogelijk aan bij de actuele risico benadering zoals in de inwerkingtredingscirculaire saneringsparagraaf Wet Bodembescherming is uitgewerkt. Het rapport geeft theoretische achtergronden van de ecologische risicobeoordeling van bodemverontreinigingsgevallen. Door de sterke inperkingen die toepassing van een beoordelingsmethodiek binnen de Woningwet oplegt is de voorgestelde methode zeer pragmatisch van opzet, en wordt noodgedwongen voorbijgegaan aan een aantal onzekerheden. De opzet van de methodiek geeft echter ruimte om indien gewenst in de toekomst verdere verfijningen aan te brengen. Vanwege verschil in uitgangspunten, wettelijk kader en beschikbaarheid van gegevens is een zekere divergentie in de beoordeling van ecologische risico's van locaties met bodemverontreiniging in het kader van Woningwet en Wet Bodembescherming onvermijdelijk. De bepaling van het actuele ecologische risico van bodemverontreinigingsgevallen omvat: (1) Een schatting van de mate van ecotoxiciteit, hiertoe worden vervuilingseenheden (aanwezig bodemgehalte gedeeld door HC50-waarde van een stof) gesommeerd. (2) Een schatting van de mate waarin ecosysteemelementen worden blootgesteld. (3) Een beoordeling van de ecologische toegankelijkheid van de te beoordelen kavel en de omgeving. Inschattingen worden gemaakt op basis van het verkennend bodemkundig onderzoek volgens NVN 5740, informatie over het bodemgebruik van de kavel en de bestemming van de omgeving. In een beoordelingskader worden deze elementen geintegreerd waarbij wordt verondersteld dat het risico van een relatief hoge toxische belasting in een situatie met geringe kans op blootstelling en lage toegankelijkheid geringer is dan wanneer de kans op blootstelling en de toegankelijkheid hoog zijn. Naast technisch-wetenschappelijke achtergronden en onzekerheid wordt aandacht besteed aan de praktische toepasbaarheid, uniformiteit en gebruikersvriendelijkheid. Een gebruikershandleiding is toegevoegd. De beschreven methode geeft een voorlopige eerste aanpak en zal in de praktijk op bruikbaarheid moeten worden getoetst, en aangepast. Eveneens is het raadzaam ecologische risico's nader te toetsen op grond van ecotoxicologisch veldonderzoek en de resultaten hiervan te vergelijken met de uitkomsten van de beoordelingsmethodiek. Op grond van een dergelijke evaluatie kan de methode verder worden bijgesteld.<br>
    • Bepaling ad-hoc humane risicogrenzen voor sediment en oppervlaktewater i.v.m. 'calamiteit Vredestein' te Enschede

      Otte PF; Janssen PJCM; Raaij MTM van; Swartjes FA; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      This report describes the derivation of ad hoc maximum permissable risk levels (MPR) for a list of 23 compounds, which entered the environment due to a fire in a tyre factory in Enschede. Besides, risk levels for these compounds in sediment and water (to be used for the preparation of drinking water) were determined. Also, concentrations of the compounds in fish were estimated. Because of the urgency of the situation, a quick scan was performed for the toxicological data to derive MPRs, as well as for the fysical-chemical parameters which are needed as input for the exposure model (SEDISOIL). For 11 compounds, the available data was sufficient to derive MPR's and risk levels in sediment and water. The resulting values have a provisional character, since they were not formalised. Therefore, they are only applicable in this specific situation.
    • Bepaling ad-hoc humane risicogrenzen voor sediment en oppervlaktewater i.v.m. 'calamiteit Vredestein' te Enschede

      Otte PF; Janssen PJCM; van Raaij MTM; Swartjes FA; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Bij een brand bij de bandenfabriek Vredestein te Enschede op 22 augustus 2003, zijn met het bluswater verschillende verbindingen in het milieu terechtgekomen. Het RIZA heeft een lijst met 23 verbindingen geleverd die in het oppervlaktewater zijn aangetroffen, met de vraag om de humane risico's van deze verbindingen in te schatten. Meer specifiek hield dit in: -het afleiden van ad hoc waarden MTR-humaan. -Het afleiden van risicogrenzen voor sediment voor het standaardscenario viswater. -Het afleiden van risicogrenzen voor water ten behoeve van drinkwatergebruik.-Het schatten van de concentratie in vis. Aangezien de risicogrenzen op korte termijn gewenst zijn is een quick scan uitgevoerd van de beschikbare toxicologische literatuur over deze verbindingen. De aangetroffen data zijn onderworpen aan een summiere beoordeling en waar mogelijk zijn er provisionele MTR (Maximaal Toelaatbaar Risico) voor humane blootstelling afgeleid. Voor 12 verbindingen waren de toxicologische gegevens zelfs niet toereikend om een provisioneel MTR vast te stellen. Voor de overige 11 verbindingen is voor de benodigde fysisch-chemische gegevens eveneens een quick scan uitgevoerd. Op basis van de provisionele MTR's en de fysisch-chemische gegevens zijn vervolgens blootstellingsscenario's doorgerekend om humane risicogrenzen af te leiden. Hierbij is gebruik gemaakt van het blootstellingsmodel SEDISOIL. De resulterende risicogrenzen worden door het RIZA gebruikt ter beoordeling van de situatie bij Vredestein te Enschede.De berekende risicogrenzen zijn niet formeel vastgesteld, zoals voor interventiewaarden het geval is, en hebben derhalve geen wettelijke status. Ze moeten worden beschouwd als zogenaamde ad hoc risicogrenzen, en zijn derhalve alleen toepasbaar voor de beoordeling van het geval Vredestein-Enschede. Volgens de Wet bodembescherming dient bij overschrijding van (ad hoc) risicogrenzen een actuele (locatie-specifieke) risicobeoordeling te volgen middels een Nader Onderzoek (NO). Gezien de relatief beperkte betrouwbaarheid van de afgeleide risicogrenzen moet worden overwogen dit ook te doen indien de gevonden concentraties de ad hoc risicogrenswaarden benaderen.
    • Beslissen over bagger op bodem. Deel 1. Systeembenadering, model en praktijkvoorbeelden

      Posthuma L; Zwart D de; Wintersen A; Lijzen JPA; Swartjes FA; Oste L; Beek M; Harmsen J; Groenenberg BJ; Posthuma L; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-11-16)
      Regular removal of sediments is a necessity for proper water quantity management in the Netherlands. Sediment contamination causes problems for this. Where can the contaminated sediments be deposited? The New Dutch soil policy aims at the sustainable use of soils, and allows for area-specific regulatory approaches. The current approach, based on sediment classes, does not provide sufficient insight in risks of sediment deposition on land for terrestrial organisms, and does fir the new policy. In a research project of RIVM, RIZA and Alterra, focus was on the site-specific, integrated risk assessment of sediment deposition on land. A systems-approach was designed, so as to model where compounds come from, where they go, and which risks could exist as a consequence. The results of the project are reported in three consecutive reports. This overview-report presents the prototype of a decision-support model for sediment deposition on land, including examples of its application. The prototype has not yet been finished, as various regulatory decisions are awaited. In the previous reports, the systems approach is described in a basic scientific-technical way, for the prediction of local concentrations of toxic compounds in soils and the risk levels that will consequently occur for man, agricultural products and ecosystems, respectively.
    • Beslissen over bagger op bodem. Deel 1. Systeembenadering, model en praktijkvoorbeelden

      Posthuma L; de Zwart D; Wintersen A; Lijzen JPA; Swartjes FA; Oste L; Beek M; Harmsen J; Groenenberg BJ; Posthuma L; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIZAAlterra, 2006-11-16)
      Voor het nieuwe bodembeleid is een model ontwikkeld dat ingezet kan worden voor lokale besluitvorming over de verspreiding van licht verontreinigde bagger op de kant. Regelmatig baggeren is een noodzaak in Nederland. Verontreinigingen in de bagger zorgen daarbij voor een probleem. Waar moet de verontreinigde bagger heen? Momenteel wordt een verspreidingsbeleid gehanteerd dat gebaseerd is op verontreinigingsklassen. Dit systeem voldoet niet meer. In het kader van nieuw bodembeleid moet er anders naar dit probleem worden gekeken. Duurzaam gebruik van de bodem moet centraal staan, en gebiedsspecifiek beleid moet mogelijk worden. De bestaande klassenindeling geeft onvoldoende inzicht in lokale landbodemrisico's, en sluit niet aan bij het nieuwe beleid. In een onderzoek van RIVM, RIZA en Alterra is gekeken naar de risico's die op een lokatie door verspreiding op land kunnen ontstaan. Hiervoor is een systeembenadering opgesteld: waar komen de stoffen vandaan, waar gaan ze heen, welke organismen worden daadwerkelijk blootgesteld, en wat zijn de lokatiespecifieke risico's na verspreiding nu eigenlijk? Hiernaar wordt in drie samenhangende rapporten gekeken. In het voorliggende overzichtsrapport van de serie wordt het op basis van de systeembenadering ontwikkelde beslismodel gepresenteerd, en worden de gevolgen van toepassing van het beslismodel verkend. In de twee andere rapporten is de technisch-wetenschappelijke aanpak in detail uiteengezet, respectievelijk voor de modellen gebruikt zijn voor de voorspellingen van de concentratieveranderingen in de landbodem, en voor de daardoor veranderende risiconiveaus voor mens, landbouwproducten en ecosystemen.
    • Bestrijdingsmiddelen in grondwater bij drinkwaterwinningen : huidige belasting en mogelijke maatregelen

      Swartjes FA; van der Linden AMA; van der Aa NGFM; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-11)
      Bestrijdingsmiddelen worden gebruikt in de landbouw en in de openbare ruimte. Restanten daarvan kunnen via de bodem wegspoelen en op termijn het grondwater bereiken waaruit drinkwater geproduceerd wordt. De afgelopen decennia zijn er in Nederland minder bestrijdingsmiddelen gebruikt. Desondanks worden bij een kwart van circa 200 drinkwaterwinningen restanten van bestrijdingsmiddelen aangetroffen in het grondwater nabij de drinkwaterwinputten. Ruim een derde van de aangetroffen bestrijdingsmiddelen is inmiddels niet meer toegelaten in Nederland. In het grondwater worden ook restanten van deze bestrijdingsmiddelen aangetroffen door gebruik in het verleden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Ook is geïnventariseerd welke maatregelen ervoor kunnen zorgen dat er minder bestrijdingsmiddelen terechtkomen in het grondwater waaruit drinkwater wordt geproduceerd. Van ruim 40 mogelijke maatregelen hebben experts vervolgens beoordeeld welke daadwerkelijk het gewenste effect bereiken en of ze uitvoerbaar zijn. Een voorbeeld van een effectieve maatregel is het inzetten van biologische of duurzame landbouw in grondwaterbeschermingsgebieden, omdat daarbij minder bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn succesvolle voorbeeldprojecten, maar deze zijn niet in alle gebieden gemakkelijk te realiseren. Dat komt onder andere doordat de overstap naar deze vorm van landbouw een vrijwillige keuze van boeren is. Met een verbod of vervanging van bestrijdingsmiddelen die in te hoge concentraties uitspoelen naar het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, kunnen specifieke risico's rondom drinkwaterwinningen worden weggenomen. Dit is een effectieve maatregel die al in gang is gezet. Deze maatregel wordt nog effectiever wanneer monitoringsgegevens van bestrijdingsmiddelen in grondwater beter worden ontsloten en worden gebruikt bij de toelatingsprocedure van de middelen. Het opstellen van de Atlas van bestrijdingsmiddelen in grondwater is een waardevolle ondersteuning hierbij. Dit maakt inzichtelijk in welke gebieden bestrijdingsmiddelen problemen voor de drinkwaterproductie opleveren.
    • Bijlagen bij: Evaluatie van de met CSOIL berekende blootstelling, middels een op Monte Carlo-technieken gebaseerde gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse

      Vissenberg HA; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      Om inzicht te verkrijgen in de betrouwbaarheid van de met het CSOIL-model berekende blootstelling is, middels een op Monte Carlo-technieken gebaseerde gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse met behulp van het software pakket UNCSAM, de spreiding in de potentiele blootstelling in beeld gebracht. Dit betreft de spreiding die veroorzaakt wordt door onzekerheid in de input-parameters ten gevolge van zowel ruimtelijke spreiding als gebrek aan informatie. Tevens wordt, op basis van de kansverdeling van de berekende potentiele blootstelling, de kans van voorkomen aangegeven van de deterministisch (op puntschatting gebaseerde) berekende potentiele blootstelling, zoals ten grondslag ligt aan de interventiewaarden. Tenslotte is onderzocht door welke input-parameters de spreiding in de blootstelling wordt bepaald, voor zowel de potentiele als de actuele blootstelling. De studie is uitgevoerd voor een vijftal contaminanten met uiteenlopende eigenschappen. Bovendien is de blootstelling via de separate blootstellingroutes geevalueerd. Op grond van grote onzekerheden in de berekening van gehaltes in de contact-media, met name binnenlucht-concentratie en gewasgehalte, dient voor sommige contaminanten meting in deze contact-media te worden overwogen. Aanbevolen wordt in de toekomst probabilistisch onderbouwde normen (zoals interventiewaarden) en/of andere milieu-kwaliteitsdoelstellingen (zoals saneringseinddoel) af te leiden. Hiertoe zal, behalve de in deze studie afgeleide probabilistische weergegeven blootstelling, tevens het Maximaal Toelaatbare Risico (MTR) voor blootstelling en de ecotoxicologische ernstige-bodemverontreinigingsconcentratie (ECOTOX EBVC) in probabilistische vorm moeten worden vertaald.<br>
    • BodemGebruiksWaarden; Methodiek en uitwerking

      Lijzen JPA; Swartjes FA; Otte P; Willems WJ; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-10-24)
      In 1997 the Dutch Government decided to change the approach of the Soil Clean-up policy concerning soil contamination prior to 1987. One of the decisions was to change the multifunctional approach for soil clean-up objectives to objectives dependent on the current or future use of the soil, distinguishing between mobile and immobile soil contamination. The RIVM was asked to develop soil clean-up objectives for immobile soil contamination, with the goal of creating a situation in which the human and environmental risks are of an acceptable level. In the ensuing investigation, four classes of soil use were distinguished: I. residential and recreational green areas; II. non-recreational green areas; III. built-up and paved areas; IV. agricultural and nature areas. For each class of soil use requirements were formulated and soil quality criteria selected to meet the requirements as adequately as possible. Soil-use specific clean-up objectives (abbreviated in Dutch as BGW) were derived by choosing the lowest value of these quality criteria. These objectives are based on the human-toxicological quality criteria, general ecotoxicological quality criteria (for organisms, soil processes and plants) and quality criteria for other specific requirements (for agricultural functions). For the classes I and II, BGWs have been derived for seven heavy metals, arsenic, poly-aromatic hydrocarbons (PAH), DDTs and drins. No BGWs have been derived for class III because in accordance with policy no requirements have been formulated for this type of soil use. For the agricultural functions within class IV, quality criteria already applied in agricultural practice can be used. Revision of these quality criteria will lead to BGWs for agricultural and nature areas in the near future. For nature areas a location-specific risk assessment will be required, along with a tailored approach to soil remediation.
    • BodemGebruiksWaarden; Methodiek en uitwerking

      Lijzen JPA; Swartjes FA; Otte P; Willems WJ; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-10-24)
      Het Kabinet heeft in 1997 besloten tot een herziening van de aanpak van de bodemsanering in Nederland. Een van de elementen is de keuze voor een functiegerichte saneringsdoelstelling afgestemd op het (beoogde) gebruik van de bodem. Aan het RIVM is gevraagd om, mede op basis van beleidsmatige keuzes, saneringsdoelstellingen voor immobiele verontreinigingen uit te werken in de vorm van BodemGebruiksWaarden (BGW's). Doel hiervan is ontoelaatbare risico's voor mens en ecosystemen te voorkomen en onbelemmerd functioneren te waarborgen bij het (beoogde) gebruik van de bodem. Aangezien de blootstelling van mens en ecosystemen, afhankelijk van het gebruik van de bodem, voornamelijk bepaald wordt door de kwaliteit van de bovenste laag van de bodem (contactzone), zijn de BGW's specifiek op deze laag van toepassing. Deze rapportage beschrijft de methodiek en uitwerking van de BGW's. Vier clusters van bodemgebruiksvormen zijn onderscheiden: I. Wonen en intensief gebruikt (openbaar) groen; II. Extensief gebruikt (openbaar) groen; III. Bebouwing en verharding; IV. Landbouw en natuur. Daarbij is uitgegaan van normaal bodemgebruik. Voor de clusters I t/m III zijn achtereenvolgens: bodemgebruikseisen gesteld; bijbehorende bodemkwaliteitseisen bepaald; en BodemGebruiksWaarden (BGW's) afgeleid. De gehanteerde bodemkwaliteitseisen zijn gebaseerd op: humane risico's, risico's voor ecosystemen en andere risico's of kwaliteitskenmerken (waaronder de LAC-signaalwaarden). Voor situaties die niet binnen de clustering van bodemgebruik passen en voor bijzonder bodemgebruik kan een locatiespecifieke benadering worden gevolgd (maatwerk). Voor de clusters I en II zijn BGW's afgeleid voor zware metalen, arseen, PAK, DDTs en drins. Voor cluster III zijn geen BGW's afgeleid, omdat hieraan beleidsmatig geen gebruikseisen zijn gesteld. De BGW's liggen tussen de streef- en interventiewaarden. Voor bodemgebruik in cluster IV zijn beleidsmatig (voorlopig) de LAC-signaalwaarden van toepassing verklaard voor agrarische functies.<br>
    • Calculation of human-toxicological serious soil contamination concentrations and proposals for intervention values for clean-up of soil and groundwater: Third series of compounds

      Kreule P; Berg R van den; Waitz MFW; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      Recently implemented have been the thoroughly revised intervention values for soil clean-up. In this report, proposals will be presented for intervention values for 15 additional compounds on the basis of an ecotoxicological and a human-toxicological evaluation. For all compounds the human-toxicological serious soil contamination concentration was calculated using the CSOIL model and the human-toxicological maximum permissible risk levels. The ecotoxicological serious soil contamination concentration was determined by the methodology of Denneman and Van Gestel (1990, 1991), updated by Crommentuijn et al. (1994). Proposals for intervention values are determined by means of integrating the ecotoxicological and the human-toxicological serious soil contamination concentrations. The ecotoxicological serious soil contamination concentrations and the Maximum Permissible Risk levels in this report have been described in detail in report nos. 715810008 and 715810009, respectively. The proposals for the intervention values are derived according to the procedures described for the first and second series of compounds in a number of previous reports. Depending on sensitivity and reliability of the input parameters, various efforts have been made to obtain reliable input parameter values. In this report, intervention values for soil and groundwater are proposed for silver, ethylene glycol, diethylene glycol, acrylonitrile, formaldehyde, methanol, 1-butanol, butylacetate, methyl tert-butyl ether, 1,1-dichloroethane, 1,1,1-trichloroethane, cis- & trans-1,2-dichloroethene and a mixture of aromatic solvents (containing high concentrations of C3 en C4 alkyl benzenes). For dodecylbenzene a risk evaluation is executed but no intervention value is proposed because of lack of an ecotoxicological serious soil contamination concentration and reliable physicochemical data.
    • Calculation of human-toxicological serious soil contamination concentrations and proposals for intervention values for clean-up of soil and groundwater: Third series of compounds

      Kreule P; van den Berg R; Waitz MFW; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      Onlangs zijn voor een groot aantal stoffen de nieuwe interventiewaarden bodemsanering van kracht geworden. In dit rapport worden voorstellen gedaan voor humaan-toxicologisch en ecotoxicologisch onderbouwde interventiewaarden voor een 15-tal nog niet eerder in dit kader beoordeelde stoffen. Voor al deze stoffen is een humaantoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie berekend met behulp van het computermodel CSOIL en het humaan-toxicolologisch maximaal toelaatbaar risico. De ecotoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie is bepaald met behulp van de methode van Denneman en Van Gestel (1990, 1991), welke herzien is door Crommentuijn et al. (1994). De voorgestelde interventiewaarden komen tot stand door integratie van de ecotoxicologische en de humaan-toxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentratie. De ecotoxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentraties en humaan-toxicologisch maximaal toelaatbare risico's in dit rapport zijn in detail beschreven in respectievelijk rapport 715810008 en 715810009. De voorstellen zijn tot stand gekomen volgens de methoden die bij de eerste set van stoffen zijn gebruikt en in een aantal rapporten zijn vastgelegd. Afhankelijk van de gevoeligheid en betrouwbaarheid van de inputparameters is meer of minder inspanning geleverd om betrouwbare inputparameterwaarden te verkrijgen. Er worden voorstellen gedaan voor interventiewaarden bodem- en grondwatersanering voor zilver, ethyleenglycol, diethyleenglycol, acrylonitril, formaldehyde, methanol, 1-butanol, butylacetaat, methyl tert-butyl ether, 1,1-dichlooroethaan, 1,1,1-trichloorethaan, cis- & trans-1,2-dichlooretheen en een mengsel van aromatische oplosmiddelen dat hoge concentraties aan C3 en C4 alkylbenzenen bevat. Voor dodecylbenzeen is een risicoevaluatie uitgevoerd maar er is geen voorstel voor een interventiewaarde gedaan, bij gebrek aan een ecotoxicologisch ernstige bodem verontreinigingsconcentratie en aan betrouwbare fysisch-chemische gegevens.<br>