• Airborne dispersion of Q fever : A modelling attempt with the OPS-model

      Sauter FJ; van Pul A; Swart A; ter Schegget R; Hackert V; van der Hoek W; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMMunicipal Health Service 'Brabant Zuidoost'Eindhoventhe NetherlandsPublic Health Service South LimburgHeerlenthe Netherlands and Maastricht University Medical CenterMaastrichtthe Netherlands, 2012-04-02)
      The OPS ("Operational Priority Substances ") computer model simulates the dispersion of pollutants in the air. It also appears to be suitable for modelling the transmission of Q fever bacteria from farm animals to humans. This is the major finding of a study carried out by the RIVM within the context of RIVM's Strategic Research project (SOR). The study results demonstrate that the model was well able to describe the transmission of Q fever bacteria on two infected goat farms. Uncertainties remain, such as the amount of bacteria released during an outbreak. More data are needed before the model can be routinely used to simulate the transmission of zoonoses through the air (aerosol) on infected farms. Infected goat farms are considered to be the source of the Q fever epidemic in the Netherlands between 2007 and 2010. However, the factors which cause Q fever bacteria to be transmitted from farm animals to humans and how the contaminated particles disperse through the air still remain largely undetermined. A suitable model provides policy-makers with model results that can be used as the basis for policy advice on the placement and distribution of farms.
    • Overzicht resultaten controlemetingen aan stralingsmeetapparatuur van de afdeling Stralingsbeschermingsdienst

      Swart A; Bader FJM (1987-10-31)
      Door de afdeling Standaarddosimetrie zijn controlemetingen verricht aan 26 stralingsniveaumonitoren die in beheer zijn bij de stralingsbeschermingsdienst (SBD) van het RIVM. Deze controlemetingen zijn uitgevoerd in gecollimeerde bundels Cs-137 en Co-60 gammastraling. Voor de ter controle aangeboden monitoren wordt geeist dat de aanwijzing binnen 20% in overeenstemming moet zijn met de gegeven exposie. Voor de 23 monitoren van het type FH40F2 werd een overeenstemming gevonden van 5% of beter. Voor 3 monitoren van het type PW4544/26 werd een afwijking gevonden van ca. 24%. Hierbij dient opgemerkt te worden dat door de fabrikant voor dit type monitor een nauwkeurigheid wordt gespecificeerd van +/- 25% op de instrumentele aanwijzing. De resultaten van de controlemetingen zijn per monitor vastgelegd in de vorm van een certificaat.
    • Overzicht resultaten controlemetingen aan stralingsmeetapparatuur van de afdeling Ongevallen

      Bader FJM; Swart A (1987-10-31)
      Door de afdeling Standaarddosimetrie zijn controlemetingen uitgevoerd aan 14 stralingsniveaumonitoren in beheer bij de afdeling Ongevallen van het RIVM. Deze controlemetingen zijn uitgevoerd in gecollimeerde fotonenbundels van Cs-137 en Co-60 gammastraling. Voor de hier ter controle aangeboden typen monitoren wordt geeist dat de aanwijzing binnen 20% in overeenstemming moet zijn met de gegeven exposie. Voor de gecontroleerde monitoren van het type Babyline-31A, Teletector, FH40F2, RAD21L en 2G, werd overeenstemming gevonden van 15% of beter. Voor de vier monitoren van het type RATO/F werden afwijkingen geconstateerd van meer dan 28%. Voor de twee monitoren van het type NE148A werden afwijkingen geconstateerd tot een factor 2. Mede op grond van de voor deze typen monitoren gegeven fabrieksspecificaties mag geconcludeerd worden dat niet aan de gestelde eis wordt voldaan. De resultaten van de controlemetingen zijn per monitor vastgelegd in de vorm van een certificaat.
    • Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) : Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen

      Hagenaars T; Hoeksma P; de Roda Husman AM; Swart A; Wouters I; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-16)
      Rondom pluimveehouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Dit verband is tussen 2009 en 2013 elk jaar te zien. Dit is in 2016 in het hoofdrapport Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) ook al geconcludeerd, maar een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken bevestigt deze conclusies en onderbouwt ze steviger. Het gaat gemiddeld om ongeveer 119 extra patiënten met longontsteking per jaar per 100.000 mensen in het onderzoeksgebied. Dat komt neer op ongeveer 7,2% extra patiënten. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. De onderzoekers zien deze toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013, dus ook na de Q koortsepidemie, die van 2007 tot en met 2010 plaatsvond. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. De Q koortsepidemie heeft waarschijnlijk tijdens de vroege jaren bijgedragen aan het verhoogde aantal longontstekingen. Het is echter geen verklaring van het verhoogde risico vanaf 2011. Wat deze toename wel veroorzaakt, is nog onduidelijk. Deze uitkomsten blijken uit vervolgonderzoek van VGO. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Endotoxinen zijn kleine onderdelen van micro-organismen die luchtwegirritatie en ontstekings­reacties kunnen veroorzaken. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Opvallend is dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Veehouderijen uit deze sectoren zijn in grote aantallen in het VGO-gebied vertegenwoordigd