• Multi-center study on the simultaneous administration of DPT-IPV and Hib PRP-T vaccines. Part 1. Immunogenicity

      Labadie J; Sundermann LC; Rumke HC; LVO; LVM; LCB; LBA; LPO (DPT-IPV Hib vaccine study group, 1996-04-30)
      Resultaten worden beschreven van een multi-center klinische studie naar antistofvorming na twee vaccinatieschemas met simultane en gecombineerde toediening van DKTP en Hib PRP-T vaccins. 543 zuigelingen werden gerecruteerd uit 42 consultatiebureaus voor zuigelingen in Apeldoorn, Capelle en Rotterdam. De antistofrespons tegen alle vaccin-antigenen was in beide studiegroepen voldoende voor bescherming hiertegen. Een matige, maar statistisch significante interferentie werd gevonden bij de tetanus antistoffen. Deze waren lager in de groep kinderen die gecombineerde injecties kreeg dan in de groep die de injecties apart kreeg. Deze negatieve beinvloeding moet worden geinterpreteerd in het licht van de voordelen van gecombineerde toediening van deze belangrijke vaccins, waardoor het aantal injecties kan worden verminderd.
    • Multi-center study on the simultaneous administration of DPT-IPV and Hib PRP-T vaccines. Part 1. Immunogenicity

      Labadie J; Sundermann LC; Rumke HC; the DPT-IPV Hib vaccine study group; LVO; LVM; LCB; LBA; LPO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      Results are presented of a multi-center clinical study into the antibody formation following two vaccination regimens with simultaneous and combined administration of DPT-IPV and Hib PRP-T vaccines. 543 infants were recruited from 42 baby clinics in Apeldoorn, Capelle and Rotterdam. The antibody responses to all vaccine antigens were considered to be sufficient for protection on both study groups. A moderate but statistically significant interference was found with regard to tetanus antibodies, being lower in children who received combined injections than in children who received the separate injections. This negative interference should be interpreted in the light of the advantages of the combined administration of these important vaccines and thus of reducing the number of injections.
    • Prospectief vaccinatie onderzoek; antistofrespons bij kinderen in het Rijksvaccinatieprogramma, een longitudinaal onderzoek

      Sundermann LC; Korting-van Doren ILJ; Berbers GAM; Rumke HC; LVO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      In 1980 is een uniek longitudinaal onderzoek gestart naar de antistofrespons op de vaccinaties in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma bij kinderen in Nederland. Door middel van advertenties in (para-)medische tijdschriften zijn ouders benaderd voor deelname van hun kinderen, ruim 130 kinderen hebben uiteindelijk aan dit onderzoek deelgenomen. Inmiddels zijn de resultaten van de eerste twaalf bloedmonsters van ieder kind geanalyseerd; een dertiende bloedmonster is in het voorjaar van 1997 verzameld om nog een uitspraak te kunnen doen over de persistentie van de antistofniveaus tot 15-17 jarige leeftijd. In dit rapport wordt een tussentijdse beschrijving gegeven van de gemeten antistofniveau's tegen difterie, tetanus, kinkhoest, polio, bof, mazelen en rubella. De deelnemende kinderen zijn goed beschermd kort na de laatste vaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma. Na analyse van het laatste monster zal een eindrapportage volgen.<br>
    • Serodiagnostiek van kinkhoest: interpretatie van hoge IgG/IgA concentraties in acute fase serum: (Her)evaluatie van eenpuntsserologie

      Melker HE de; Boshuis HGL; Mommers MPTM; Sundermann LC; Labadie J; Rumke HC; Versteegh FGA; Conyn-van Spaendonck MAE; Schellekens JFP; CIE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-09-30)
      In 1988 the serological criteria for notification of pertussis were changed. Only a significant increase of titers in paired sera is accepted as confirmation of the clinical diagnosis. As a consequence, the case-definition for notification of pertussis is highly specific, but the sensitivity is low. With the aim to optimize the serodiagnosis of pertussis, we studied whether, and at which level, high titers in a first serum sample are indicative for actual or recent pertussis. IgA- and IgG-concentrations of pertussis antibodies were measured: 1. in sera of 799 persons from the general population ; 2. in sera from 503 children obtained at the age of 3, 6, 11 and 13 months, i.e. before vaccination, two to six weeks after the primarily series of three DTP-pertusis-Hib immunisations (3,4 and 5 months of age), before the (re)-immunisation at 11 months and two to six weeks thereafter ; 3. in second sera of serum pairs from patients suspected for whooping cough with a significant increase of titers in paired sera (n=1590). Concluded is that high (age-specific) IgA/IgG-titers in the first serum sample of a patient with cough support the diagnosis of 'infection with B. pertussis' strongly. The application of one point serology makes it possible to make an early diagnosis for a larger number of patients with pertussis so that preventive measures can be taken in time. However, application of one point serology will have influence on the incidence based on notifications and thereby on the interpretation of surveillance data. The cut-off values for positive one-point serology found in this study need to be validated further in a representative set from the general population. Further study will be done to find out whether a cut-off value for positive one-point serology based on separately IgA-titer and IgG-titer can be formulated.
    • Serodiagnostiek van kinkhoest: interpretatie van hoge IgG/IgA concentraties in acute fase serum: (Her)evaluatie van eenpuntsserologie

      de Melker HE; Boshuis HGL; Mommers MPTM; Sundermann LC; Labadie J; Rumke HC; Versteegh FGA; Conyn-van Spaendonck MAE; Schellekens JFP; CIE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-09-30)
      Voor aangifte van kinkhoest geldt sinds 1988 dat serodiagnostiek alleen positief genoemd mag worden indien een significante titerstijging in gepaarde sera is aangetoond. Vaak blijft het serologisch onderzoek echter inconclusief ; doordat geen tweede serummonster was ingestuurd of de patienten al verhoogde titers in het eerste serummonster hadden die niet verder meer stegen. De casus-definitie voor aangifte heeft hierdoor een hoge specificiteit, maar lage gevoeligheid. Om de diagnostiek van kinkhoest te verbeteren werd in dit onderzoek de diagnostische waarde van eenpuntsserologie bestudeerd. Hiertoe werden IgA-antistof concentraties tegen sonicaat van Bordetella pertussis bacterien en IgG-antistofconcentraties tegen gezuiverd pertussistoxine gemeten: 1. bij 799 personen uit de algemene bevolking ; 2. bij 503 kinderen op de leeftijden van +-3 maanden, +-6 maanden, +-11 maanden en +-13 maanden d.w.z. resp. voor vaccinatie, 2-6 weken na de primaire serie van drie entingen tegen DKTP-Hib, voor de vierde (re)vaccinatie en 2-6 weken na de revaccinatie en 3. in het tweede serummonster van patienten bij wie een significante titerstijging in gepaarde sera is aangetoond (n=1590). Geconcludeerd wordt dat meting van bepaalde leeftijdspecifieke IgA/IgG-antistofconcentraties in een eerste serum van een patient met hoestklachten de diagnose 'infectie met B. pertussis' of 'kinkhoest' in sterke mate ondersteunen. Door acceptatie van eenpuntsserologie is het voor een groter deel van de kinkhoest patienten en in een vroeger stadium van ziekte mogelijk de diagnose te stellen en tijdig preventieve maatregelen voor bescherming van kwetsbaren te nemen. Echter, de incidentie gebaseerd op aangiften zal dan veranderen en daarmee de interpretatie van trends in incidentie. Verdere validatie van de gevonden cut-off waarden in een voor de algemene bevolking representatieve steekproef is noodzakelijk. Tevens zal in de nabije toekomst geanalyseerd worden of cut-off waarden voor positiviteit van eenpuntsserologie separaat geformuleerd kunnen worden voor de IgA-titer en de IgG-titer.<br>