• Depressiepreventie : Nationale en internationale inventarisatie

      Lemmens LC; Rompelberg CJM; Molema CCM; Suijkerbuijk AWM; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-07-24)
      In Nederland krijgt bijna één op de vijf mensen ooit een depressie. Daarom heeft het ministerie van VWS de preventie van depressie als prioriteit in het beleid opgenomen. Het doel is om op lokaal niveau meer mensen te bereiken met preventieve interventies, en zo bij meer mensen een depressie te voorkomen. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat het aanbod van interventies voor depressiepreventie groot, maar versnipperd is. Voor de inventarisatie is onderzocht hoeveel preventieve interventies er tussen 2011 en 2013 in de 28 GGD-regio's in Nederland zijn aangeboden. In totaal zijn bijna 200 verschillende interventies gevonden, waarvan een derde slechts in één van de GGD-regio's wordt aangeboden. Verder zijn niet in elke GGD-regio evenveel interventies voor verschillende hoogrisicogroepen beschikbaar: het aanbod voor scholieren, huisartspatiënten met beginnende klachten en mantelzorgers is groter en gevarieerder dan voor mensen met een chronische ziekte of net bevallen moeders. De gevonden interventies lopen uiteen van groepsbijeenkomsten en zelfhulpcursussen tot chatsessies met lotgenoten onder begeleiding van een hulpverlener, en speciale spreekuren. De meeste van de gevonden interventies worden aangeboden door preventieafdelingen binnen de geestelijke gezondheidszorg, maar soms ook door bijvoorbeeld de thuiszorg of school. De inventarisatie laat ook zien dat vaak gegevens ontbreken over het aantal mensen dat bereikt wordt met een interventie, en over de effectiviteit ervan. Meer inzicht hierin is nodig. Een kanttekening bij de resultaten is dat het nog onbekend is welke invloed de recente veranderingen in de organisatie van de geestelijke gezondheidszorg hebben op het aanbod van interventies. Ten slotte blijkt dat Nederland gebruik zou kunnen maken van vernieuwende (effectieve) interventies die in andere westerse landen zijn ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is begeleiding en huisbezoeken door 'vrijwilligers' bij vrouwen met een beperkt sociaal vangnet en een hoog risico op een postnatale depressie. Zij geven deze vrouwen emotionele en praktische steun, in aanvulling op de verloskundige.
    • The effects of vaccination, the incidence of the target diseases

      Hof S van den; Conyn-van Spaendonck MAE; Melker HE de; Geubbels ELPE; Suijkerbuijk AWM; Talsma E; Plantinga AD; Rumke HC; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-07-09)
      As a result of improved socio-economic state and related hygiene, and the introduction of the National Vaccination Programme (RVP), the incidence of the target diseases of the RVP is low nowadays. Insight in the occurrence of the diseases remains necessary in order to be able to signal possible secondary effects at an early stage. The vaccination coverage is very high in the Netherlands, but considerable geographic differences exist within the country. Especially in municipalities where groups that reject vaccination on religious ground are clustered, the vaccination coverage is low. Herd immunity can be broken in socially and geographically clustered non-vaccinated groups. On the basis of the occurrence results of the target diseases of the RVP, we give recommendations for the future surveillance of the target diseases of the RVP and invasive meningococcal and pneumococcal infections. Besides continuation of the surveillance, additional research in case of outbreaks and epidemics is recommended, in order to obtain more insight into the circulation of the pathogens.
    • The effects of vaccination, the incidence of the target diseases

      van den Hof S; Conyn-van Spaendonck MAE; de Melker HE; Geubbels ELPE; Suijkerbuijk AWM; Talsma E; Plantinga AD; Rumke HC; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-07-09)
      Door verbetering van sociaal-economische omstandigheden en de daarmee samenhangende hygiene, en de invoering van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), komen de doelziekten uit het RVP tegenwoordig weinig meer voor. Inzicht in het voorkomen van de ziekten blijft nodig om zo tijdig mogelijke secundaire effecten van het vaccinatieprogramma te herkennen. De vaccinatiegraad is erg hoog in Nederland maar er zijn grote geografische verschillen binnen het land. Vooral in gemeenten, waar groepen die vaccinatie om religieuze redenen afwijzen, zijn geclusterd, is de vaccinatiegraad laag. De groepsimmuniteit kan worden doorbroken in sociaal en geografisch geclusterde niet-gevaccineerde groepen. Op basis van de resulaten van het voorkomen van de doelziekten uit het RVP geven wij aanbevelingen voor de surveillance van de doelziekten uit het RVP en invasieve meningo- en pneumokokken infecties in de toekomst. Naast voortzetting van de surveillance zoals deze er op dit moment is, wordt aanbevolen additioneel onderzoek te doen bij outbreaks en epidemieen om zodoende meer inzicht te krijgen in de circulatie van de ziekteverwekkers.<br>
    • Inventarisatie van mogelijkheden tot samenwerking van GGD&apos;en met het CIE op het gebied van Infectieziektenbestrijding

      Suijkerbuijk AWM; Conyn-van Spaendonck MAE; Sprenger MJW; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-09-30)
      Vanaf de vroege zomer tot in het najaar van 1993 heeft een sociaal-verpleegkundige van het Centrum voor Infectieziekten Epidemiologie (CIE) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM) kennismakingsbezoeken gebracht aan 60 GGD'en. Het kennismakingsbezoek had als doel informatie te verstrekken aan artsen en verpleegkundigen werkzaam in de infectieziektenbestrijding over de huidige activiteiten van het CIE. De bezoeken bleken hiervoor een geschikt middel te zijn: er was waardering voor een persoonlijk bezoek aan de GGD. Een ander belangrijk doel was het verkennen van aansluitingspunten tussen het CIE en de GGD'en door nadere informatie te verzamelen over de GGD-activiteiten op het gebied van de infectieziektenbestrijding en kennis te nemen van de mening van de artsen en verpleegkundigen over samenwerking met het CIE. Aan de hand van een vragenlijst kwamen een vijftal aandachtspunten aan de orde: 1. organisatie infectieziektenbestrijding, 2. huidige activiteiten, 3. problemen / knelpunten, 4.toekomstige activiteiten, 5. samenwerking tussen de GGD en het CIE. In dit rapport worden de resultaten van deze inventarisatie onder artsen en verpleegkundigen van GGD'en besproken en wordt de organisatie en activiteiten van het CIE weergegeven. Een belangrijke conclusie uit het rapport is dat het CIE voor een vruchtbare samenwerking met GGD'en moet investeren in de contacten met GGD'en op basis van gelijkwaardigheid. In de toekomst zal het CIE investeren in informatievoorziening en diverse mogelijkheden zoals de Transmissiedagen, het Infectieziekten-Bulletin, het Bijkerk-overleg en diverse commissies/werkgroepen zeker benutten om de communicatie en samenwerking met GGD'en verder te optimaliseren. Het CIE kan voor GGD'en een laagdrempelige toegang betekenen tot de in het RIVM aanwezige expertise. Het RIVM kan ten aanzien van outbreakonderzoek als partner samenwerken met de LVGGD en de GHI. Voorts zou het CIE duidelijkheid moeten scheppen omtrent randvoorwaarden voor outbreakonderzoek. Ten aanzien van het Infectieziekten Surveillance en Informatie Systeem is het belangrijk dat het CIE dit systeem goed laat aansluiten op de praktijk van de infectieziektenbestrijding bij GGD'en en GGD-deskundigen hierin betrekt. Bij toekomstig op te zetten onderzoek dient het CIE rekening te houden met de suggesties die GGD'en ter verbetering van hun participatie in onderzoek hebben aangereikt: gelijkwaardige samenwerking, goede terugrapportage en financiering van GGD'en in relatie tot de te leveren prestatie in menskracht en tijd.<br>
    • Kosteneffectiviteit als vierde niveau van erkenning voor interventies : Een verkenning van de haalbaarheid en van alternatieven

      de Wit GA; Suijkerbuijk AWM; Engelfriet PE; Feenstra TL; CGL; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-07-05)
      Sinds 2007 functioneert in Nederland een Erkenningscommissie die interventies gericht op gezondheidsbevordering, jeugdgezondheid en jeugdwelzijn beoordeelt. Kosten en kosteneffectiviteit van interventies spelen tot op heden niet of nauwelijks een rol in dit erkenningstraject. In dit rapport wordt geconcludeerd dat uitbreiding van het erkenningsstelsel met een formele beoordeling van kosteneffectiviteit momenteel (2012) niet aan de orde is, maar dat er wel mogelijkheden zijn om meer informatie over kosten en kosteneffectiviteit van interventies aan te bieden aan gebruikers van interventiedatabases. Interventies krijgen op dit moment een erkenning op drie niveaus. In dit rapport wordt ingegaan op de vraag wat de voor- en nadelen zijn van het toevoegen van een vierde niveau van erkenning, namelijk 'bewezen kosteneffectief', aan het erkenningstraject voor interventies. Kosteneffectiviteit zou daarmee een formele plaats krijgen in het erkenningstraject. Ter beantwoording van de vraag onderzoeken we eerst of er elders (ook in het buitenland) ervaring bestaat met het erkennen of vaststellen van kosteneffectiviteit. We beschrijven op welke manier informatie over kosten en kosteneffectiviteit wordt ontsloten in interventie- en literatuurdatabases. Ook wordt een aantal opties besproken om informatie over kosten en kosteneffectiviteit van interventies beter toegankelijk te maken voor gebruikers van interventiedatabases.
    • De kosteneffectiviteit van interventies gericht op verslaving aan alcohol en middelen : Een review van de literatuur

      Suijkerbuijk AWM; van Gils PF; de Wit GA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-06-26)
      Kosteneffectiviteit verslavingszorg In Nederland krijgt bijna een op de vijf Nederlanders in zijn leven te maken met een alcohol- of drugsprobleem, in die zin dat ze ervan afhankelijk zijn of er te veel van gebruiken. Van de mensen die in de verslavingszorg terechtkomen, komt 47 procent voor een alcoholprobleem, gevolgd door heroïne (16 procent) en cannabis (15 procent). Vrijwel alle behandelingen in de reguliere verslavingszorg voor alcohol en drugs die in de literatuur zijn beschreven, zijn kostenbesparend of kosteneffectief. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM. Kosteneffectief betekent dat de verhouding tussen de kosten van de behandeling en de effecten ervan gunstig is. Mensen leven dan langer of hebben een betere kwaliteit van leven. In alle studies werden de kosten die binnen de gezondheidszorg gemaakt worden meegenomen. Bij verslavingen worden echter ook veel kosten buiten de gezondheidszorg gemaakt, bijvoorbeeld als gevolg van criminaliteit, en daardoor van politie en justitie. Maatschappelijke kostenbesparingen, zoals door minder ziekteverzuim, minder criminaliteit en minder verkeersongevallen, zijn soms in de onderzoeken meegenomen, maar niet altijd. Aanbevolen wordt om aanvullend onderzoek te doen waarin alle maatschappelijke kosten en baten worden betrokken omdat dit een compleet inzicht in de kosten van verslavingen en de baten van behandelingen geeft.
    • Maatschappelijke kosten voor astma, COPD en respiratoire allergie

      Suijkerbuijk AWM; Hoogeveen RT; de Wit GA; Wijga AH; Hoogendoorn EJI; Rutten-van Mölken MPMH; Feenstra TL; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-20)
      Volgens schattingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stijgt het aantal mensen in Nederland met astma en COPD de komende 25 jaar sterk, met respectievelijk 28% en 70%. Dit komt vooral door de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Het aantal patiënten met respiratoire allergie (zoals hooikoorts) blijft in deze periode ongeveer gelijk. Deze aandoening komt namelijk bij ouderen minder voor. De verwachting is dat de totale medische kosten voor alle drie de aandoeningen over 25 jaar (fors) zijn gestegen. Voor respiratoire allergie zal dat met 73% zijn; voor astma stijgen de kosten met 150%, voor COPD met 220%. Deze percentages zijn inclusief de jaarlijkse stijging van zorguitgaven door onder andere technologische veranderingen (zoals nieuwe medicijnen) en prijsstijgingen, volgens de trendanalyse van het Centraal Planbureau. Het RIVM heeft deze schattingen gemaakt op verzoek van het Longfonds. De cijfers zijn gebaseerd op nieuwe analyses van de kosten in 2007. Voor astma bedroegen de medische kosten in totaal 287 miljoen euro, gemiddeld 530 euro per patiënt. Dit bedrag bestaat voor bijna driekwart uit kosten voor medicijnen. Bij werknemers komt daar nog gemiddeld 1200 euro per persoon per jaar bovenop vanwege extra ziekteverzuim door astma. Van hen verzuimen werknemers die ouder zijn dan 55 jaar het meest. De medische kosten voor COPD in Nederland in 2007 waren 415 miljoen euro, gemiddeld 1400 euro per patiënt. Hierbij waren geneesmiddelen, ziekenhuisopnames en langdurige zorg (zoals thuiszorg en in verzorgingshuizen) de belangrijke kostenposten. Kosten van arbeidsongeschiktheid waren voor werkenden met COPD gemiddeld 1200 euro per persoon. Voor ziekteverzuim waren deze gemiddeld 1900 euro per werkende met COPD. Deze kosten overtreffen veruit de kosten van het zorggebruik voor COPD. De medische kosten voor respiratoire allergie waren 102 miljoen euro, gemiddeld 170 euro per patiënt. Medicatiekosten vormden hierin het grootste deel, 90%. Er waren te weinig data om de ziekteverzuimkosten betrouwbaar te schatten. De gepresenteerde cijfers over de verwachte stijging van het aantal mensen met deze drie aandoeningen en de kosten die hiermee gemoeid zijn, leveren belangrijke informatie op voor het beleid. Preventie en behandeling zijn daarbij onverminderd belangrijk, zoals stoppen met roken en doelmatiger gebruik van geneesmiddelen. Aangezien er steeds meer oudere patiënten met astma en COPD komen, is specifieke ondersteuning ook voor hen van belang.
    • Maatschappelijke kosten-baten analyse van cognitieve gedragstherapie voor alcohol- en cannabisverslaving

      Over EAB; van Gils PF; Suijkerbuijk AWM; Lokkerbol J; de Wit GA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-07)
      Cognitieve gedragstherapie (CGT) in de gespecialiseerde verslavingszorg kan de gezondheid van mensen met een alcoholverslaving verbeteren. Per persoon die een CGT-traject doorloopt zijn de baten over een periode van tien jaar 10.000 tot 14.000 euro. Deze baten komen voort uit minder ziekte en sterfte, een betere kwaliteit van leven en een hogere arbeidsproductiviteit. Maar er zijn ook baten vanwege minder verkeersongevallen en minder criminaliteit, waarvoor dus ook minder inzet van politie en justitie nodig is. GGT is ook effectief bij de behandeling van jongeren met een cannabisverslaving. Per persoon die een CGT traject doorloopt zijn de baten circa 9.700 - 13.000 euro. Hier komen de netto baten voort uit een verbeterde gezondheid, een betere kwaliteit van leven, minder schooluitval en een hoger inkomen voor de cliënten die de behandeling succesvol hebben afgerond. Dit blijkt uit de zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA) van CGT-behandelingen voor alcohol en cannabisverslaving. Bij de berekening van de baten is ingecalculeerd dat cliënten de behandeling soms voortijdig stoppen of na een succesvolle behandeling kunnen terugvallen in hun verslavingsgedrag. De baten van verslavingszorg zijn ook bij de meest voorzichtige berekeningen positief. Een groot aantal mensen met een alcohol- of cannabisstoornis wordt momenteel nog niet door de verslavingszorg bereikt. Enkele honderdduizenden zijn verslaafd aan alcohol en enkele tienduizenden jongeren aan cannabis. Het stigma op verslaving is groot en de drempel om gespecialiseerde hulp te zoeken is voor veel mensen hoog. Het onderzoek laat zien dat de samenleving erbij gebaat is als meer mensen de zorg weten te bereiken. Dat zou bijvoorbeeld bereikt kunnen worden door professionals te scholen die met potentiële cliënten in contact komen, zoals de huisarts, de schoolarts, het wijkteam en medewerkers van de spoedeisende hulp. De MKBA's zijn uitgevoerd onder leiding van het RIVM. Met een MKBA zijn cognitieve gedragstherapieën in de gespecialiseerde verslavingszorg doorgerekend: één tegen alcoholverslaving en één tegen cannabisverslaving bij jongeren.
    • Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen : Social cost-benefit analysis of regulatory policies to reduce alcohol use in The Netherlands

      de Wit GA; van Gils PF; Over EAB; Suijkerbuijk AWM; Lokkerbol J; Smit F; Mosca I; Spit WJ; KZG; V&X (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTrimbos InstituutEcorysMaastricht University, 2016-10-03)
      Als alle kosten en baten van alcohol in geld worden uitgedrukt, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 2,9 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. Deze kosten zijn verminderd met de baten van alcoholgebruik, bijvoorbeeld in de vorm van accijnzen voor de overheid. Maar ook het geluksgevoel dat consumenten kunnen ontlenen aan alcohol is in dit onderzoek in geld uitgedrukt. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen, een hogere arbeidsproductiviteit, minder verkeersongevallen en minder inzet van politie en justitie. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 14 en 20 miljard euro op, een accijnsverhoging van 200 procent 37 tot 47 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 3 tot 5 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 8 tot 12 miljard euro bij een sluiting van 25 procent van de verkooppunten. Een mediaban levert de samenleving circa 7 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit blijkt uit onderzoek geleid door het RIVM. Met een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) zijn deze drie beleidsmaatregelen doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
    • Paediatric surveillance of Acute Flaccid Paralysis in the Netherlands in 1997

      Abbink F; Conyn-van Spaendonck MAE; Suijkerbuijk AWM; CIE (1999-10-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Paediatric surveillance of Acute Flaccid Paralysis in the Netherlands in 1997

      Abbink F; Conyn-van Spaendonck MAE; Suijkerbuijk AWM; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-11-00)
      The main goal of AFP surveillance in the Netherlands is to qualify for WHO certification as a polio-free country. Surveillance for AFP has been established in the Netherlands as part of the NSCK surveillance system since October 1992. The NSCK surveillance system is an activity of the Dutch Paediatric Association using an 'active' surveillance approach to monitor rare disorders in the child population. The survey on AFP carried out by the RIVM comprises a collection of additional information on clinical and laboratory findings, vaccination status and remaining complaints from the reported AFP cases through questionnaires. Compliance with the scheme in general is high (91% in 1997) but AFP reporting is still lagging behind. We can conclude that although the required non-polio AFP rate of 1 per 100,000 children has not been reached yet, a slow but steady increase has been reported over the years, from 0.39 in 1995, to 0.56 in 1996 and 0.63 in 1997. Thanks to the implementation of recommendations made in previous reports, progress has also been made for adopting all performance criteria used by WHO in the certification process. Therefore we suggest that the implementation of recommendations be continued, including the extension of the system to neurologists and a further improvement in its efficiency. The need for adequate and timely faecal sampling should continue to be stressed as well as the timely provision of case-specific information.
    • Paediatric surveillance of Acute Flaccid Paralysis in the Netherlands in 1995 and 1996

      Conyn-van Spaendonck MAE; Geubbels ELPE; Suijkerbuijk AWM; CIE; NSCK (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-01-31)
      In Nederland wordt de surveillance van acute slappe verlamming (AFP acute flaccid paralysis) sinds oktober 1992 uitgevoerd via het Nederlands Signalerings-Centrum Kindergeneeskunde. Het betreft een vorm van actieve surveillance waarbij klinisch werkzame kinderartsen maandelijks een aantal zeldzame aandoeningen anoniem rapporteren. Na melding worden door de betreffende onderzoekers met behulp van een vragenlijst additionele gegevens over klinische presentatie, diagnostische bevindingen vaccinatiestatus nagevraagd. In 1995 werden 11 gevallen die aan de casus-definitie voldeden gerapporteerd, in 1996 15. Dit resulteert in een AFP-rate van 0,39 per 100.000 in 1995 en 0,53 per 100.000 in 1996. Er werden geen gevallen van AFP ten gevolge van een polio-infectie gesignaleerd. Bij ongeveer 50% van de gerapporteerde AFP-patienten werd de diagnose Guillain-Barre Syndroom gesteld. Tot op heden voldoet de AFP-surveillance in Nederland niet aan de criteria van WHO voor certificering als polio-vrij in het kader van het polio-eradicatie-initiatief. Een geobserveerde AFP-rate van 1 per 100.000 wordt daarbij gehanteerd als criterium voor voldoende sensitiviteit van het systeem. Behalve de tijdigheid van de meldingen baart het lage aantal adequate faeceskweken zorgen (58% een faecesmonster waarvan 51% binnen 14 dagen na de eerste ziektedag; 11% twee faecesmonsters). Aanbevelingen voor optimalisatie: telefonische rapportage (snellere melding en advisering over adequate diagnostiek); de kinderartsen via NSCK-nieuwsbrieven, presentaties en publicaties beter informeren en stimuleren; uitbreiding naar neurologen.<br>
    • Paediatric surveillance of invasive infections by Haemophilus influenzae in 1995 in the Netherlands

      Talsma E; Conyn-van Spaendonck MAE; Geubbels ELPE; Suijkerbuijk AWM; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      Ter voorkoming van sterfte, morbiditeit en blijvende schade als gevolg van invasieve Hib-infecties heeft de Gezondheidsraad geadviseerd vaccinatie tegen Hib in het Rijksvaccinatieprogramma op te nemen, hetgeen in 1993 is gerealiseerd. Om de effectiviteit van deze immunisatie te beoordelen is de surveillance door het Nederlands Surveillance-Centrum Kindergeneeskunde (NSCK) uitgevoerd. In deze rapportage wordt het voortschrijdende effect van Hib vaccinatie duidelijk. Eenenveertig gevallen van invasieve Hi infectie werden geregistreerd: 28 meningitis, 8 epiglottitis, 2 artritis en 3 sepsis. Dit betekent een belangrijke vermindering vergeleken met 1994 (129 gevallen) en de geschatte aantallen van voor de start van vaccinatie. Drie gevallen van echt vaccin-falen werden geregistreerd maar geen gevallen van mogelijk of schijnbaar vaccin-falen. Sinds 1 januari 1995 werd de casus-definitie veranderd naar invasieve Hi infecties ongeacht het serotype. Als gevolg hiervan is het ook mogelijk om invasieve Hi ziektebeelden veroorzaakt door niet serotype b stammen te bestuderen. Op 1 januari 1995 werd cellulitis in de casus-definitie opgenomen, er werden geen gevallen gerapporteerd met als het enige teken van invasieve Hi infectie cellulitis. De dekkingsgraad van de paediatrische surveillance werd geschat door vergelijking van gevallen van meningitis in de NSCK met gevallen van isolaten uit liquor van het Nederlands Referentie Laboratorium voor Bacteriele Meningitis (RBM).<br>
    • Paediatric surveillance of invasive infections by Haemophilus influenzae serotype b in 1994 in the Netherlands

      Geubbels ELPE; Conyn-van Spaendonck MAE; Suijkerbuijk AWM; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Ter voorkoming van sterfte, morbiditeit en blijvende schade als gevolg van invasieve Hib-infecties heeft de Gezondheidsraad geadviseerd vaccinatie tegen Hib in het Rijksvaccinatieprogramma op te nemen, hetgeen in 1993 is gerealiseerd. Om het effect van vaccinatie te beoordelen is surveillance geindiceerd. Naast gegevens betreffende meningitis, die verzameld worden door het Nederlands Referentie Laboratorium voor Bacteriele Meningitis (RBM), zijn gegevens nodig over andere invasieve Hib-infecties ; tevens is er behoefte aan aanvullende informatie, zoals vaccinatiestatus. Daarom voert het RIVM sinds oktober 1993 via het Nederlands Signalerings-Centrum Kindergeneeskunde (NSCK) pediatrische surveillance uit van invasieve Hib-infecties. In dit jaarrapport over Hib-surveillance worden de eerste effecten van vaccinatie beschreven en wordt een vergelijking gemaakt van gegevens verzameld door middel van surveillance door kinderartsen, streeklaboratoria en het RBM. Het totaal van 129 pediatrische meldingen van invasieve H. influenzae infectie betrof 50 gevallen van alleen meningitis, 31 van meningitis met sepsis, 1 van meningitis met artritis, 1 van meningitis met artritis en osteomyelitis, 32 van epiglottitis, inclusief 2 gevallen met sepsis, 9 van alleen sepsis, 4 van alleen artritis, en 1 van alleen osteomyelitis. Alle bewezen infecties traden op bij kinderen die niet of gedeeltelijk gevaccineerd waren. Een kind met sepsis werd 7 maanden na de derde vaccinatie opgenomen; de gekweekte Hi stam werd niet getypeerd. Typering werd verricht in 85% van alle isolaten: 97% was type b. Bij epiglottitiden werd vaak niet adequaat gekweekt. Voor de registratie van Hib-meningitis/-sepsis lijkt het RBM het meest complete systeem te bieden, de meerwaarde van pediatrische surveillance bestaat vooral in de mogelijkheid om aanvullende informatie te verzamelen over de patienten en om andere invasieve Hib-infecties dan meningitis/sepsis te registreren. Het effect van Hib-vaccinatie werd zichtbaar in het aantal gevallen van invasieve Hib-infecties, dat lager was dan het geschatte aantal gevallen van voor introductie van vaccinatie. Daarnaast lag de piekincidentie voor meningitis niet langer meer bij 0- maar bij 1-jarigen. Het is noodzakelijk dat bij invasieve infecties adequate kweken worden ingezet en dat typering wordt verricht. Daartoe kunnen sinds 1994 alle isolaten van een normaliter steriele locatie worden ingezonden naar het RBM. Vanaf 1 januari 1995 is de casusdefinitie niet langer beperkt tot type b infecties; hierdoor kunnen veranderingen in het aandeel van verschillende serotypes van Hi bestudeerd worden. Verder is cellulitis opgenomen als aparte aandoening. Continuering van surveillance, op zijn minst tot vaccinatie de volledige doelgroep van kinderen tot en met 5 jaar heeft bereikt, is aangewezen om het gevonden effect van deze nieuw aan het Rijksvaccinatieprogramma toegevoegde vaccinatie te bevestigen. De beschreven complementaire vormen van surveillance bieden daartoe goede mogelijkheden.
    • Paediatric surveillance of pertussis in 1998

      Melker HE de; Neppelenbroek SN; Schellekens JFP; Suijkerbuijk AWM; Conyn- van Spaendonck MAE; CIE; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-06-16)
      Objective: To gain insight into the severity of pertussis in hospitalised cases. Methods: In 1998, hospitalisation data were collected through paediatric surveillance. Results: From 115 hospitalisation admissions collected, 55% of the patients were younger than 3 months of age and not vaccinated; 12% were 3-5 months of age and of these, 50% were incompletely vaccinated; 33% were 6 months and older and of these, 61% were vaccinated. Fourty-six percent of the patients were diagnosed as having pertussis, confirmed by a positive culture or PCR, and 44% by positive serology. Three unvaccinated cases less than three months old died. Cyanosis, apnoea, administration of oxygen, artifical respiration and bradycardia were more frequently reported for unvaccinated cases compared to vaccinated cases and the hospitalisation time was longer (median 10 days vs. 4.5 days). Although complications were not often reported for vaccinated cases, the only case with encephalopathy was vaccinated and 17% of vaccinated cases had pneumonia. Conclusion: The lower number of reported cases in 1998 seems to reflect the lower pertussis incidence that was also observed in routine surveillance of notifications and cases with positive serology. Like in 1997 pertussis was most severe and complications were more frequently reported in young unvaccinated infants less than three months of age. However, also typical and severe pertussis cases occurred among vaccinated individuals. Active monthly paediatric surveillance is useful to verify trends in routine surveillance; interpretation of the routine sources is hampered by changes in the notification law and decentralisation of serology.
    • Paediatric surveillance of pertussis in 1998

      de Melker HE; Neppelenbroek SN; Schellekens JFP; Suijkerbuijk AWM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-06-16)
      Doel: Inzicht verkrijgen in de ernst van kinkhoest onder kinderen opgenomen in het ziekenhuis wegens kinkhoest. Methoden: In 1998 werd met behulp van pediatrische surveillance gegevens verzameld van ziekenhuisopnamen. Resultaten: Van de 115 ziekenhuisopnamen was 55% jonger dan 3 maanden en ongevaccineerd; 12% was 3-5 maanden oud waarvan 50% onvolledig gevaccineerd; 33% was 6 maanden en ouder waarvan 61% gevaccineerd. Bij 46% werd de diagnose bevestigd door positieve kweek of PCR; bij 44% door positieve serologie. Drie ongevaccineerde kinderen jonger dan 3 maanden overleden. Cyanose, apneu, zuurstoftoediening, kunstmatige beademing en bradycardie werd vaker gerapporteerd voor ongevaccineerde patienten en de opnameduur was langer (10 versus 4,5 dagen) dan voor gevaccineerde patienten. Hoewel complicaties niet frequent werden gemeld voor gevaccineerden was de enige patient met encephalopathie gevaccineerd. Ook had 17% van de gevaccineerde patienten longontsteking. Conclusie: Het lagere aantal meldingen in 1998 lijkt de lagere kinkhoest incidentie in 1998 t.o.v. 1997 te reflecteren die ook in de routine surveillance van aangiften en positieve serologie werd waargenomen. Evenals in 1997 was kinkhoest het meest ernstig en kwamen complicaties vaker voor bij ongevaccineerde zuigelingen jonger dan 3 maanden. Echter, typische en ernstige kinkhoestklachten kwamen ook onder gevaccineerden voor. Pediatrische surveillance wordt gebruikt om trends uit routine surveillance te verifieren; interpretatie van routine surveillance wordt bemoeilijkt door de nieuwe aangifte-wet en decentralisatie van serologie.<br>
    • Pienter project: description of the serum bank, with information on participants gleaned from questionnaires

      Hof S van den; Melker HE de; Suijkerbuijk AWM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      The RIVM's so-called Pienter project, carried out from October 1995 to December 1996, was aimed at establishing a serum bank of a representative sample of the Dutch population to facilitate sero-epidemiological studies , including the evaluation of the National Immunisation Programme (NIP). In combination with serum collection, questionnaires from participants in the serum bank between 0 and 79 were gathered through a cross-sectional study , including a non-response survey. An additional sample of eight municipalities with a low immunisation coverage was chosen so as to have access to more non-vaccinated individuals. A serum bank of 9973 samples has been established to facilitate a great number of sero-epidemiological studies. Participants of the female sex with a low SES and participants having the Dutch nationality and born in the Netherlands were somewhat overrepresented in the Pienter project compared with those used for the CBS figures. Participants were as representative of the general Dutch population regarding marital status, religion and health, as compared with those used for figures by the CBS. Participants thought immunisation against poliomyelitis was the most important, followed by diphtheria, tetanus, pertussis and Hib; immunisation against rubella, mumps and measles was considered least important. Participants belonging to the orthodox reformed churches thought the different immunisations from the National Immunisation Programme (NIP) were less important in comparison with participants of the strict branch of the Dutch Reformed Church and participants with no religious affiliation or having a religion non-opposed to vaccination; they also participated less in the NIP. It would be interesting to see whether the differences in (the opinions on) immunisation are also reflected in the seroprevalences.
    • Pienter project: description of the serum bank, with information on participants gleaned from questionnaires

      van den Hof S; de Melker HE; Suijkerbuijk AWM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      In oktober 1995 - december 1996 is het Pienter-project uitgevoerd. Doel was een representatieve serumbank opzetten voor sero-epidemiologische studies o.a. ter evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In het Pienter-project werden sera en vragenlijsten verzameld van de algemene Nederlandse bevolking (0-79 jaar) door middel van een cross-sectioneel populatie-onderzoek, inclusief een non-respons onderzoek. Daarnaast werden acht gemeenten met een lage vaccinatiegraad gekozen zodat meer niet-gevaccineerde personen in het onderzoek zouden meedoen. Een serumbank met 9.973 monsters is beschikbaar voor vele sero-epidemiologische studies. Vrouwelijke deelnemers, deelnemers met een lage SES, deelnemers met de Nederlandse nationaliteit en deelnemers geboren in Nederland waren iets oververtegenwoordigd in het Pienter-project, vergeleken met cijfers van het CBS. De deelnemers waren representatief voor de Nederlandse bevolking qua burgerlijke staat, religie en gezondheid, vergeleken met cijfers van het CBS. De deelnemers vonden vaccinatie tegen polio het meest belangrijk. Vaccinatie tegen difterie, tetanus, kinkhoest en Hib werd ongeveer even belangrijk gevonden en vaccinatie tegen mazelen, bof en rode hond werden minder belangrijk gevonden. Bevindelijk gereformeerde deelnemers gaven aan de verschillende vaccinaties uit het RVP minder belangrijk te vinden dan deelnemers van de gereformeerde bond en deelnemers met geen of een religie en zij gaven aan minder vaak deel te hebben genomen aan het RVP. Respondenten van de gereformeerde bond en de bevindelijk gereformeerde deelnemers uit de landelijke steekproef gaven vaker aan te hebben deelgenomen aan het RVP en vonden de vaccinaties uit het RVP belangrijker dan de deelnemers uit de lage vaccinatiegraad gemeenten. Interessant is om na te gaan of de verschillen in (mening over) vaccinatie die gevonden werden tussen de verschillende religieuze groeperingen en tussen de landelijke steekproef en de lage vaccinatiegraad gemeenten ook gereflecteerd worden in de seroprevalenties voor ziekten waartegen vaccinatie beschikbaar is.<br>
    • Pilot-onderzoek voor het PIENTER-project: Non-responsonderzoek (evaluatierapportage deel II)

      Geubbels ELPE; Wit MAS de; Melker HE de; Suijkerbuijk AWM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Introduction. A pilot study on the feasibility of the establishment of a serumbank of a representative sample of the Dutch general population was carried out. The aims of this so-called 'PIENTER-project' were to estimate: 1. age-specific immunity of the general population against childhood diseases of the Netherlands Immunization Programme, 2. the incidence of infectious diseases with a frequent subclinical course 3, the prevalence of serum-determinants of other illnesses. This report describes the results of the non-response study which was performed to obtain insight in the reasons for nonparticipation and to test the representativity. Design. Nonresponse study as part of a cross-sectional population survey. Methods. 510 persons in the age-strata (0, 1-4, 5-9 to 75-79 years) were randomly selected out of four municipalities in het Province of Utrecht. The participants have been asked to fill in a questionnaire and to visit a local health service to give some blood. The nonparticipants were contacted by telephone (or mail). In this nonresponsestudy data were obtained on the reasons for nonparticipation, willingness to visit additional hours to give blood. Information on religion, vaccination history, self-perception on health status, country of nationality and level of education were collected with a short questionnaire. Data obtained from the registries of the municipalities were age, sex, nationality and marital status. Part of the eligible persons received a written reminder. Differences between participants and nonparticipants were tested in logistic regression analyses. To get information on the immunity of nonparticipants and participants, the immunity against hepatitis A and measles was weighted by the variables in the logistic regression model. Results. Four groups of (non)participants were distinguished: 1. initial participants (n=714, 34%) ; 2. additional participants who visited the additional hours of the local health service to give blood (n=113, 6%) ; 3. partial nonparticipants from whom questionnaire data were obtained (n=667, 27%) ; 4. absolute nonparticipants from whom information on data out of the registry of the municipality and some times the reason for nonparticipation were available (n=546, 27%). 1021 of the 1326 (77%) nonparticipants were reached by telephone ; 75% of them were reached in two, 95% in five attempts. Information was collected on 58.9% of nonparticipants. The reason for nonparticipation were very diverse. 36% of the reasons given were considered impressionable. The logistic regression analyses showed that childeren aged 0-4 years, men, single persons, persons who didn't receive a reminder by mail, persons with low education level, persons with bad perception of health status were more frequent nonparticipants. Persons who belong to a religion from which it is known that vaccination is refused participated less frequent, particularly when they had indeed not participated in the Netherlands Immunization Programme. Persons aged 5-14 years participated more frequent. The estimation of the immunity against hepatitis A and measles were not biased by the selection due to nonparticipation. Conclusion. It is possible to get information on nonparticipants by telephone. The non-participants gave usefull information on possible adaptions to increase the participation rate in further surveys. A telephone reminder turned out to have a possitive influence on the participation rate. Although nonresponse selection existed, the estimation on the immunity against hepatitis A and measles were not biased by this nonparticipation selection. The results of the nonresponse study can be used to correct the measured seroprevalence of other diseases by selective nonparticipation.
    • Pilot-onderzoek voor het PIENTER-Project: Logistieke evaluatie (evaluatierapportage deel I)

      Conyn-van Spaendonck MAE; Eijndhoven MJA van; Kessel RPM van; Melker HE de; Meijer JG; Suijkerbuijk AWM; Zwan CW van der; CIE; GGD Zuid-Oost Utrecht; GG en GD Utrecht; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Introduction. The occurrence of infectious diseases is monitored on the basis of surveillance data from morbidity and mortality registers and data from laboratories. Important additional information can be derived from serosurveillance: the study of the prevalence of specific antibodies in the population. Particularly for the control of the immunity for diseases against which people are vaccinated following the National Immunization Programme serosurveillance or immunosurveillance is necessary. Therefore, the RIVM has taken the initiative to establish a serum bank of a random sample of the Dutch population and the so-called PIENTER-project has been started. In 1994 a pilot study was carried out. Aim. The pilot study had a twofold aim: firstly, the assessment of the feasibility of the design and the development of an ascertained protocol for the final nation-wide data collection, secondly the judgement of the possibility to obtain a representative data set (by means of an comprehensive non-response investigation, which is described in part II of this report series). Design. A cross-sectional population-based study was done in the province of Utrecht. Methods. An age-stratified random sample of 510 inhabitants (0-80 years of age) was taken from the population registers of four municipalities. The intended participants who were approached by mail, were expected to fill in a questionnaire and to visit a clinic to allow blood to be taken. The evaluation of the logistics was based on the experience during the pilot, partly written down in registrations and personal logbooks of the study team, partly derived from a written questionnaire filled in by the concerned collaborators. Furthermore, the non-response study has offered leads for optimalization of the acquisition of participants. Findings and recommendations Data collection in the general population can be done in cooperation with Public Health Services with a central coordination. The cooperation between the many partners, both within the RIVM and outside, was good and justice was done to the contribution of every partner. However, more attention should be payed to the protocol and the procedure for approval of the specific serological studies before the sera can be given out to the laboratories. In these protocols the assignment of tasks and responsibilities of the Department of Infectious Diseases Epidemiology and of the participating laboratories should be well described. From the results of the pilot it was concluded that the protocol met the conditions: no serious logistical bottlenecks were encountered. Nevertheless, some adaptations in the execution are proposed because of the expansion to a nation-wide data collection in 1995 and later. Particularly investments should be done in automating the processing of sera and the administration of the serum bank. Improvement of the efficiency and limitation of possible sources of errors are an important argument for this automation. Moreover, a more direct approach of the intended participants by way of reminding them by telephone, before the clinic takes place, is recommended.