• Alkyltrichlooracetaten als retentiestandaarden bij het gebruik van een elektroneninvangdetector of halogeen-specifieke detectoren

      Greve; P.A.; Grevenstuk; W.B.F.; Hofstee; A.W.M.; Wegman; R.C.C. (1984-08-03)
      In dit verslag wordt het gebruik beschreven van een homologe serie n- alkyl- trichlooracetaten (ATCA) als zelfstandige retentiestandaard. Er blijkt een eenvoudig additief verband te bestaan tussen ATCA-indices en Kovats-indices. Onder de beschreven gaschromatografische omstandigheden bedraagt de piek- breedte op halve hoogte ca. 2,8 indexeenheden (IE). De gemiddelde standaard- afwijking voor PCB- componenten bedraagt ca. 0,29 IE, zodat het discriminerend vermogen van het indexsysteem toereikend is. ATCA zijn eenvoudig te synthetiseren. Een voorschrift wordt gegeven in de bijlage. ATCA lenen zich uitstekend voor gebruik van een elektroneninvangdetector. De gevoeligheid bedraagt ca. 40% van die van dieldrin, zodat het aantonen van picogram hoeveelheden mogelijk is. De gepresenteerde resultaten zijn verkregen door externe calibratie, de standaardprocedure bij de analyse van biologische- en milieumonsters. Waar interne calibratie mogelijk is, zal de nauwkeurigheid waarmee retentie-indices bepaald kunnen worden verbeterd kunnen worden.
    • De bepaling van aromatische amines in grond- en sedimentmonsters

      Korte; G.A.L.de; Marsman; J.A.; Wegman; R.C.C. (1984-04-10)
      Voor de bepaling van aromatische amines zoals chlooranilines, dichlooranilines, 2,4,5-trichlooraniline en methylanilines in grond- en sedimentmonsters werd een gaschromatografische methode ontwikkeld. De methode bestaat uit een gecombineerde basische hydrolyse- en extractieprocedure in een zgn. Bleidnerapparaat gevolgd door een bromering. De gebromeerde aromatische amines werden vervolgens met een gaschromatograaf met capillair kolom en elektroneninvang-detector bepaald. De grens van aantoonbaarheid ligt op het 1-2 mug kg-1 niveau berekend op droge stof-basis. Teneinde de praktische bruikbaarheid van de methode te testen werden een aantal sediment- en zwevend slibmonsters afkomstig uit het Nederlandse oppervlaktewater onderzocht. De concentraties in het zwevend slib waren in het algemeen belangrijk hoger dan die in het sediment.
    • Bepaling van PCB's in riviersediment en zwevend slib

      Hofstee; A.W.M.; Janssens; H.; Wegman; R.C.C. (1984-05-28)
      In samenwerking met het RIVO en het RIZA werd een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PCB's in het Ned. aquatische milieu. Doel was een indruk te verkrijgen van het verspreidingspatroon van PCB's in het aquatische milieu en na te gaan of er een relatie bestaat tussen de verschillende milieu- compartimenten, te weten water, sediment en organismen. In dit rapport zijn de resultaten beschreven van het sediment- en zwevend slib-onderzoek dat door het RIV is uitgevoerd. Sediment- en zwevend slib-monsters werden geanalyseerd m.b.v. capillaire gaschromatografie met elektroneninvangdetector. I.h.a. waren de gehalten in de sedimentmonsters hoger dan in de zwevend slib- monsters. De hoogste gehalten werden aangetoond in sedimentmonsters afkomstig uit Boven Merwede en het Haringvliet. Geen duidelijk verband werd aangetoond tussen de gehalten aan PCB's (som van 23 isomeren) en de fys.bestanddelen van de onderz. sediment- en zwevend slib-monsters. De isomeerpatronen van PCB's in sediment en zwevend slib van Lobith en H.Diep vertoonden een positief verband.
    • Beweeglijkheid van DNOC, dinoseb en dinoseb-acetaat in grondkolommen

      Wegman; R.C.C.; Gestel; C.A.M.van; Wammes; J.IJ. (1984-05-25)
      De mobiliteit van DNOC, dinoseb en dinoseb-acetaat werd met behulp van korte grondkolommen onder laboratoriumomstandigheden in drie grondsoorten bepaald. Bij een grondkolomlengte van 30 cm en een percolatiesnelheid van 20 mm/dag bleek na 5 dagen dat het grootste gedeelte van de teruggevonden DNOC, dinoseb en dinoseb-acetaat zich boven in de grondkolom bevond. Er trad geen uitspoeling op. Uit de tevens bepaalde adsorptiecoefficienten bleek dat de stoffen sterker adsorberen aan veen dan aan klei en zand.
    • Chemische contaminanten in moedermeld. Deelrapport 5: Polygechloreerde biphenylen. (PCB-congeneren)

      Wegman; R.C.C.; Berkhoff; C.J.; (1986-12-31)
      68 Monsters moedermelk verzameld via kraamcentra in Nederland, zijn onderzocht op polychloorbifenylen (PCB's). In tegenstelling met eerder in Nederland uitgevoerde onderzoeken werd gebruik gemaakt van de bepalingsmethode van de individuele PCB-congeneren. Voor de zogenaamde indicatorcongeneren. Voor de 7 zogenaamde indicator-congeneren werden de volgende mediaanwaarden in ug/kg op vetbasis aangetroffen: 2,4,4'- trichloorbiphenyl (no. 28): 9.4; 2,2', 5,5'-tetrachloorbiphenyl (no. 52): minder dan 1.0 ; 2,2', 4,5,5'-pentachloorbiphenyl (no. 101): 9.2 ; 2,3', 4,4', 5-pentachloorbephenyl (no. 118): 39 ; 2,2', 3,4,4', 5'- hexachloorbiphenyl (no. 138): 120 ; 2,2', 4,4', 5,5'-hexachloorbiphenyl (no. 153): 110 en 2,2', 3,4,4', 5,5'-heptachloorbiphenyl (no. 180): 68. Het analyseprogramma omvatte een 20-tal PCB-congeneren, echter in de gaschromatogrammen van de moedermeldmonsters werden bovendien een 10- tal onbekende belangrijke PCB-congeneren aangetroffen, die nader onderzocht
    • Contaminanten in moedermelk. Deelrapport 4: Chloorfenolen

      Broek; H.H.van den; Greve; P.A.; Janssen; G.E.; Verschraagen; C.; Wegman; R.C.C. (1985-01-31)
      209 Monsters moedermelk zijn onderzocht op chloorfenolen. 2,3- Dichloorfenol en pentachloorfenol zijn het meest frequent gevonden (mediaanwaarden resp. 0,9 en 0,09 mug/l) ; voor de overige chloorfenolen lagen de mediaanwaarden beneden de aantoonbaarheidsgrens (d.i. 10 mug/l voor de monochloorfenolen, 0,5 mug/l voor de dichloorfenolen, 0,1 mug/l voor de trichloorfenolen en 0,02 mug/l voor de tetrachloorfenolen).
    • Het gedrag van het herbicide ATRAZINE in kolommen met twee onverzadigde Nederlandse bodemprofielen

      Loch; J.P.G.; Gestel; C.A.M.van; Lagas; P.; Wegman; R.C.C. (1985-01-31)
      Het gedrag van atrazine en metabolieten in de bodem is onderzocht m.b.v. 110 cm lange grondkolommen. De kolommen bevatten profielen van een kamppodzol- en een enkeerdgrond, met een grondwaterspiegel op 1 m diepte. Atrazine werd in de bovenste 2 cm van elke kolom ingemengd. Beregening van de kolommen duurde een jaar. Percolaat, gasfase en vaste fase van de kolommen werden frequent geanalyseerd op atrazine en 7 metabolieten. Tijdens percolatie spoelde uit de podzol 28% van de dosering uit als atrazine en twee metabolieten. Uit de eerdgrond werd geen uitspoeling waargenomen. In de podzol kolom werd na een jaar 9% van de dosering teruggevonden en in de eerdgrond 54%. Met behulp van een eenvoudig model voor front verplaatsing van verontreinigingen in de bodem wordt geconcludeerd dat onder Nederlandse veldomstandigheden met grondwaterspiegel op 1 m -m.v. voor geen van beide grondsoorten significante uitspoeling naar het grondwater zal plaatsvinden.
    • Het gedrag van het herbicide BENTAZON in kolommen met twee onverzadigde Nederlandse bodemprofielen

      Loch; J.P.G.; Gestel; C.A.M.van; Lagas; P.; Wegman; R.C.C. (1985-01-31)
      Het gedrag van bentazon en metabolieten in de bodem is onderzocht m.b.v. 110 cm lange kolommen. De kolommen bevatten profielen van een kamppodzol- en een enkeerdgrond, met een grondwaterspiegel op 1 m diepte. Bentazon werd in de bovenste 2 cm van elke kolom ingemengd. Beregening van de kolommen duurde een jaar. Percolaat van de kolommen werd frequent geanalyseerd op bentazon en 3 metabolieten. Na beeindiging van de percolatie werd het vaste bodemmateriaal geanalyseerd. Tijdens percolatie spoelde uit zowel podzol- als eerdgrond 57% van de dosering uit als bentazon. Concentraties van metabolieten in het percolaat lagen beneden de detectiegrens. In de vaste bodemfase werd in beide gronden <0,5% van de dosering teruggevonden. M.b.v. een eenvoudig model voor frontverplaatsing van verontreinigingen in de bodem wordt geconcludeerd dat onder Nederlandse veldomstandigheden met een grondwaterspiegel op 1 m-m.v. voor beide grondsoorten het risico van uitspoeling van bentazon naar het grondwater groot is.
    • Onderzoek naar de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en verwante verbindingen in oppervlaktewater (samenvattend rapport over 1983)

      Wammes; J.IJ.; Wegman; R.C.C.; Janssens; H.; Rieffe; D.W. (1985-08-15)
      In het meetprogramma van 1983 werd de sombepaling van aromatische amines vervangen door een bepaling van de individuele componenten. De gehalten aan EOS in de Westerwoldse Aa waren in 1983 beduidend lager dan in 1982. De gehalten in Friesland waren evenals in 1982 laag. Hoge gehalten aan EOCl werden aangetoond in de Vuurtocht te Creil. Triadimefon werd aangetoond in de Luttelgeestervaart en in de Ensertocht. Evenals in 1982 lagen de gehalten in de A.Paulownapolde op een hoge niveau dan die van andere meetplaatsen in Nederl. Carbendazim werd tot in hoge concentraties aangetoond. Evenals bij andere meetpunten werd ook hier in alle monsters aniline aangetroffen. Het gehalte aan 2,4,5-trichloorfenol was in A.Paulownapolder 2 verhoogd t.o.v. 1982. In Zuid-Holland werden hoge gehalten aan cholinesteraseremmers frequent gemeten. Quintozeen, triadimefon en carbendazim werden af en toe aangetroffen. Van de onderzochte fenyl- en fenoxycarbonzuren werd alleen dicamba eenmaal aangetroffen.
    • Onderzoek naar de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en verwante verbindingen in oppervlaktewater (samenvattend rapport over 1984)

      Wammes; J.IJ.; Wegman; R.C.C.; Greve; P.A. (1986-01-31)
      De resultaten van het systematisch lange-termijn-onderzoek naar het voorkomen van bestrijdingsmiddelen en verwante verbindingen in Ned. oppervlaktewater zijn voor het jaar 1984 samengevat. Het programma werd t.o.v. 1983 ingekort met de bepaling van extraheerbare organische zwavelverbindingen, endosulfan (alfa- en beta-), triadimefon, triadimenol en de fenoxycarbonzuren en uitgebreid met de analyse van aldicarb, metalaxyl, fenbutatinoxide, iprodione en een aantal fosforverbindingen. Tevens werden een aantal metabolieten van bestrijdingsmiddelen in het programma opgenomen. Uit de resultaten blijkt dat van de voor het eerst in het meetprogramma opgenomen verbindingen aldicarb en aldicarbsulfoxide zelden werden aangetoond. Metalaxyl werd in Noord-Holland vooral in het voorjaar aangetroffen. Pentachlooraniline werd in de meetpunten Anna Paulowna in alle monsters aangetroffen. In Zuid-Holland werd iprodione regelmatig en tolclofos- methyl frequent aangetroffen.
    • Onderzoek naar eventuele PCB/TCDF-besmetting van het waterwinstation &quot;Prinses Juliana&quot; te Andijk

      Egmond; N.D.van; Freudenthal; J.; Heijden; C.A.van der; Wegman; R.C.C. (1984-03-22)
      N.a.v. een bedrijfsstoring(explosie) bij het waterwinstation "Pr.Juliana" te Andijk, waarbij grotere PCB-condensatoren betrokken waren, zijn aanvankelijk door de brandweer van Andijk en later door RIV bemonsteringen uitgevoerd v.d. betreffende condensatorkast en omliggende bedrijfsruimten. Analyses werden uitgevoerd op PCB en TCDF (tetrachloordibenzofuranen). De omliggende bedrijfsruimten zijn niet besmet geraakt. In de betreffende condensatorkast werden PCB's aangetroffen, waarin ca. 1 ppm TCDF aanwezig was. In het monster van de bodem van de betr. condensatorkast werden enigszins verhoogde TCDF/PCB-verhoudingen waargenomen, mogelijk ten gevolge van enige TCDF-vorming bij de tijdelijk verhoogde temperatuur. Het TCDF- niveau bedroeg 1.1 mug/m2 (33 ppm). In een condensatorkast uit een andere groep werd later, geheel losstaand van de genoemde bedrijfsstoring, eveneens lekkage geconstateerd. In deze kast werden hoge PCB- concentraties met TCDF-niveaus van 25 tot 50 mug/m2 gemeten (1-5 ppm).
    • Onderzoek naar normaal voorkomende waarden van een aantal organochloorbestrijdingsmiddelen en verwante verbindingen en hun metabolieten, van polychloorbifenylen en van chloorfenolen in bloed dan wel plasma van gezonde vrijwilligers

      Blok; S.M.G.; Greve; P.A.; Sangster; B.; Savelkoul; T.J.F.; Wegman; R.C.C. (1984-11-30)
      De stoffen PCP, 2,3,4,6-TCP, PCB's, HCB, de alfa, beta en gamma- isomeren van HCH, beta-HEPO en p,p'-DDE zijn in plasma dan wel bloed aangetoond. Vergeleken met de beschikbare gegevens uit de literatuur kan gezegd worden dat deze concentraties deels van dezelfde orde van grootte zijn en deels duidelijk lager zijn dan die in de literatuur. In tegenstelling tot de literatuurgegevens zijn in dit onderzoek de stoffen p,p'-DDT, o,p'-DDT, TDE en dieldrin niet aangetoond. Een belangrijke conclusie die getrokken kan worden, is dat wanneer bij een milieu-incident meerdere malen plasma- of bloedconcentraties worden bepaald als maat voor de lichaamsbelasting met bovengenoemde verontreinigende stoffen, men bij de interpretatie van deze gegevens terdege rekening dient te houden met de "normale" individuele variatie in de concentraties.
    • Organochlorine compounds in milk of Dutch mothers (1983)

      Greve; P.A.; Wegman; R.C.C. (1985-03-31)
      278 monsters moedermelk, verzameld over het gehele land, werden onderzocht op HCB, HCH-isomeren, aldrin/dieldrin, heptachloor/-epoxide, p.p'DDE, o.p'-DDT, TDE, p.p'-DDT, pentachloorfenol en PCB's. Voor de PCB's werd een significante toename van de concentraties in de vetfase van de melk gevonden bij toenemende leeftijd (ca 3% perjaar) ; bij de toenemende pariteit nemen deze concentraties echter af (ca 8% per pariteit). De concentraties aan PCB's en persistente organochloorbestrijdingsmiddelen die in dit onderzoek gevonden werden zijn over het algemeen lager dan die welke in vetweefsel afkomstig van autopsieen gevonden zijn. Voor zowel melk als vetweefsel zijn neerwaartse trends met de tijd gevonden, met name wat betreft HCB, beta-HCH en p.p'-DDT.
    • Plasma-pentachloorfenol concentraties bij een representatieve steekproef uit de bevolking van de stad Utrecht

      Wegman; R.C.C.; Sangster; B.; Hofstee; A.W.M.; Janssens; H. (1985-01-31)
      De pentachloorfenol-concentratie (PCP) en de 2,3,4,6-tetrachloorfenol- concentratie (TCP) in bloedplasma van 62 vrouwelijke en 63 mannelijke vrijwilligers uit de Utrechtse bevolking zijn gemeten. De mediane plasma PCP-concentratie bedroeg 12,0 mug l-1 met een spreiding van 1,1-83 mug l-1. Voor 2,3,4,6-TCP bedroeg de mediaan <1,0 mug l-1 met een spreiding van <1,0-33 mug l-1. De PCP-concentraties in plasma van vrouwelijke en mannelijke vrijwilligers bleken niet significant van elkaar te verschillen. Deze waarden verschillen niet met de resultaten van na 1980 verricht onderzoek maar zijn lager dan van onderzoek van voor 1980. In het onderzoek is tevens aandacht besteed aan de invloed van verschillende wijzen van bemonstering op de PCP-concentratie. De wijze van bemonstering bleek niet van invloed te zijn op de PCP- concentratie. Wel trad een afname van de PCP-concentratie in het plasma op indien het plasma langer dan 2 dagen werd bewaard alvorens tot extractie werd overgegaan.
    • Polychloorbifenylen (PCB&apos;s) in vetweefsel van Nederlandse ingezetenen. (periode 1984)

      Wegman; R.C.C.; Herbold; H.A.; (1986-04-30)
      Er werden 24 monsters vetweefsels afkomstig van autopsieen onderzocht op 20 individuele polychloorbifenylcongeneren (PCB's), waaronder de 7 indicator-congeneren. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de indica- torgeneratoren 2,3',4,4',5-pentachloorbifenyl (nummer 118), 2,2',3,4,4' 5'- hexachloorbifenyl (nummer 138), 2,2',4,4',5,5'-hexachloorbifenyl (nummer 153) en 2,2',3,4,4',5,5'-hexachloorbifenyl (nummer 180) in belangrijke concentraties in humaan vetweefsel van Nederlandse inge- zetenen worden aangetroffen. In hoeverre buiten de 20 onderzochte PCB-congeneren nog andere congeneren voorkomen is een onderwerp voor nader onderzoek. Vergelijking van de resultaten van humaan vet met die van een soortgelijk RIVM-onderzoek in moedermelk laat zien dat de mediaanwaarden van de PCB-congeneren in humaan vetweefsel op vetbasis in het algemeen belangrijk hoger waren. De monsters humaan vetweefsel en moedermelk zijn echter niet van dezelfde personen afkomstig. In het algemeen zijn de monsters vetweefsel van oudere personen afkomstig.