• Creating safe and sustainable material loops in a circular economy : Proposal for a tiered modular framework to assess options for material recycling

      Quik, JTK; Lijzen, JPA; Spijker, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-12)
      Het RIVM heeft de basis gelegd voor een raamwerk om te beoordelen of grondstoffen uit afval veilig én duurzaam kunnen worden gebruikt. Met deze integrale benadering wordt de risicobeoordeling van stoffen naast de voordelen van hergebruik voor het milieu geplaatst, bijvoorbeeld hoeveel uitstoot van CO2 wordt bespaard. Door dit allebei inzichtelijk te maken wordt duidelijk wat nodig is om de risico's voor het milieu voldoende te beperken en wat die inspanning oplevert aan duurzaamheid. Op basis van deze informatie kunnen zowel de industrie als beleidsmakers een afweging maken over het gebruik van teruggewonnen grondstoffen. Andere waarden, zoals economische kosten en sociale acceptatie, zijn nog buiten beschouwing gebleven. Het raamwerk voegt wettelijk vastgestelde regels, bestaande risicogrenzen en nieuwe methoden samen tot één samenhangend, getrapt systeem. Het ondersteunt zo het uitgangspunt van de Nederlandse overheid om efficiënt om te gaan met grondstoffen en het milieu minder te belasten. De veiligheid voor mens en milieu is een randvoorwaarde voor de overgang naar de circulaire economie, waarin zo veel mogelijk materialen uit afvalstromen opnieuw worden gebruikt. Materiaal dat wordt gerecycled, kan risico's voor het milieu met zich meebrengen wanneer het bijvoorbeeld zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), geneesmiddelresten, bestrijdingsmiddelen of ziekteverwekkers bevat. Wetgeving en beleidskaders voorkomen de risico's gedeeltelijk. De huidige regelgeving is echter nog onvoldoende ingericht op het gebruik van gerecycled materiaal. Zo kan de regelgeving het gebruik van stoffen in nieuwe producten verbieden, zoals brandvertragers, terwijl ze in afvalstromen zitten van producten die zijn gemaakt toen het verbod nog niet gold. Daarnaast kan regelgeving ontbreken, bijvoorbeeld voor geneesmiddelresten. Het raamwerk is met drie casussen getest: fosfaat terugwinnen uit afvalwater, piepschuim recyclen en het gebruik van rubbergranulaat uit oude autobanden. Het RIVM wil met de industrie en de overheid in gesprek over de praktische toepasbaarheid van het raamwerk en de verdere uitwerking ervan. Door het raamwerk uit te breiden met andere veiligheids-en duurzaamheidsthema's, wordt het breder toepasbaar.
    • Effecten van de impuls klimaatneutraal en circulair inkopen 2018 : Stand van zaken na een jaar pilots en leernetwerken

      Zijp, MC; van der Vliet, N; Dekker, E; Hollander, A; Zwart, MH; de Valk, EL; Quik, JTK (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-05-20)
      De overheid werkt eraan om producten en diensten klimaatneutraal en circulair in te kopen. Dit betekent dat niet alleen op de prijs wordt gelet, maar ook op de invloed van producten en diensten op het milieu. Bijvoorbeeld door grondstoffen opnieuw te gebruiken of producten aan te schaffen waarvoor tijdens de productie en het gebruik weinig broeikasgassen worden uitgestoten. De rijksoverheid financierde in 2018 ruim honderd pilots bij verschillende overheden om ervaring op te doen met deze manier van inkopen. Daarnaast zijn tien leernetwerken opgezet om kennis en ervaringen uit te wisselen. Inkopers bij overheden konden hierin kennis opdoen en hun vragen en problemen bespreken met experts. Het RIVM heeft de resultaten en ervaringen geanalyseerd. Er kan nog niet worden gezegd of het doel (0,1 tot 0,25 Megaton minder CO2-uitstoot) wordt behaald. De meeste pilots zijn nog niet afgerond. Wel is al bekend dat door acht pilots samen naar schatting 0,042 Megaton minder CO2 wordt uitgestoten. Bij deze pilots wordt het meeste effect gerealiseerd door nieuwe windenergie uit Nederland in te kopen. Van 61 van de pilots bleek het effect op de CO2-uitstoot niet in te schatten. Dit waren bijvoorbeeld pilots die hulp hadden kregen om een visie te formuleren en te verkennen wat de circulaire opties bij leveranciers zijn. De deelnemers zijn positief over de leernetwerken en gaven aan in 2019 weer te willen meedoen. Ze konden er hun netwerk in uitbreiden en werden zich bewuster van wat circulair en klimaatneutraal inkopen inhoudt. Gebrek aan kennis over klimaatneutraal en circulair inkopen bleek een van de grootste barrières om dit in de praktijk uit te voeren; juist de uitwisseling van kennis en ervaring in de leernetwerken werd positief beoordeeld. Ook gaven de deelnemers aan dat ze dankzij de leernetwerken beter in staat zijn zelf kennis uit te wisselen met collega's en leidinggevenden. De leernetwerken hebben het werk van ruim driekwart van de deelnemers beïnvloed. Ze konden bijvoorbeeld concrete stappen bedenken om draagvlak voor circulair inkopen te vergroten of in gesprek te gaan met leveranciers.
    • Effecten van de impuls klimaatneutraal en circulair inkopen in 2019

      Zijp, MC; Quik, JTK; Hollander, A; van der Vliet, N; van Bruggen, AR; Dekker, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-06-17)
      Met Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) kan de overheid eraan bijdragen dat Nederland in 2050 overgaat op een klimaatneutrale en circulaire economie. Om dit te stimuleren kregen inkopers bij het rijk en decentrale overheden in 2019 de kans om in 98 pilots meer te leren over deze vormen van inkopen. Dat varieerde van concrete eisen en criteria opstellen tot intern draagvlak creëren. Deze 'impuls' werkte onder andere met subsidies om overheden te helpen bij MVI-aanbestedingen. Daarnaast zijn leernetwerken georganiseerd waarin deelnemers informatie ontvingen en uitwisselden over inkoopthema's en specifieke productgroepen. Het RIVM heeft de effecten van de pilots en de leernetwerken in 2019 in kaart gebracht. De impuls heeft eraan bijgedragen dat MVI in overheidsorganisaties is ingebed. Dat komt onder andere doordat veel deelnemers de opgedane kennis hebben verspreid binnen de organisaties. Deelnemers van de leernetwerken gaven aan veel te hebben aan de contacten die ze er hebben opgedaan. Van een kwart van de pilots zijn gegevens beschikbaar om in te schatten hoeveel broeikasgassen er in theorie minder wordt uitgestoten dankzij de pilots (5,7 kiloton CO2- equivalenten). Effecten meten is in de praktijk nog niet vanzelfsprekend. Daarnaast is er meer aandacht voor MVI nodig in de contractfase van het inkoopproces.Deze 'impuls' werkte onder andere met subsidies om overheden te helpen bij MVI-aanbestedingen. Daarnaast zijn leernetwerken georganiseerd waarin deelnemers informatie ontvingen en uitwisselden over inkoopthema's en specifieke productgroepen. Het RIVM heeft de effecten van de pilots en de leernetwerken in 2019 in kaart gebracht. Bij de impuls is ook geëxperimenteerd met mogelijkheden om bij aanbestedingen te werken met 'interne CO2-beprijzing'. Dit betekent dat de klimaatimpact wordt uitgedrukt in geld. Dit fictieve bedrag wordt bij de prijs van een product of dienst opgeteld en daarna pas vergeleken met alternatieven. Zo kan een inkoper een product of dienst kiezen op basis van de combinatie kosten én impact op klimaat. Voor deze 'schaduwprijs' is bepaald wat een ton CO2 minimaal zou moeten kosten om de werkelijke milieukosten mee te kunnen laten wegen bij inkopen (700 euro/ton). Een voorzichtige conclusie is dat schaduwbeprijzing een krachtig middel kan zijn om de uitstoot van CO2 te verminderen via aanbestedingen. Voorwaarde is wel dat met de minimale prijs voor CO2 wordt gewerkt. Aanbestedende diensten bij decentrale overheden hebben 83 keer gebruik van gemaakt van de subsidie. De rijksoverheid deed dat 15 keer. De pilots richtten zich op diverse productgroepen 'grond-, weg- en waterbouw', 'gebouwen', 'vervoer', 'energie', 'catering', 'bedrijfskleding', 'kantoorinrichting', 'ICT' en 'zorg'.
    • Microplastics in indoor air

      Quik, JTK; Waaijers-van der Loop, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-14)
      De laatste jaren is er veel aandacht voor hele kleine plastic deeltjes, microplastics, in het milieu. Ze breken heel langzaam of niet af en worden overal in het milieu gevonden. Er is nog niet zoveel bekend over microplastics in de lucht in huis (binnenlucht). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil daar graag meer over weten. Van sommige stoffen zijn kleine deeltjes namelijk niet goed voor de luchtkwaliteit, en daarmee voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft daarom verkend of microplastics in de binnenlucht voorkomen. Het heeft hiervoor een overzicht gemaakt van de kennis in de wetenschappelijke literatuur over microplastics binnenshuis. Met die kennis kan IenW zo nodig maatregelen nemen. De informatie kan ook worden gebruikt om te beoordelen of er risico’s voor de gezondheid zijn en welke gegevens daarvoor nodig zijn. Over het algemeen lijken de concentraties laag te zijn. Gemiddeld zijn het er tussen de 1,6 en 9,3 microplastic deeltjes per kubieke meter. De gemeten deeltjes zijn vrij groot, groter dan 11 micrometer. Ze zijn daarmee groter dan de veel kleinere deeltjes fijnstof die standaard voor de luchtkwaliteit worden gemeten (PM2.5 en PM10, oftewel kleiner dan 2,5 en 10 micrometer). Het is mogelijk dat er ook veel kleinere microplastics in de onderzochte binnenlucht zitten. Maar het is nu nog moeilijk om de kleinere microplastics in de lucht te meten. Juist de kleinere deeltjes zijn niet goed voor de luchtkwaliteit (PM2.5 en PM10). De belangrijkste bronnen van microplastics in huis zijn textiel, zoals kleding, tapijt en gordijnen. Naast vezels worden veel fragmenten van microplastics in binnenlucht gevonden. Uitgezocht moet worden of deze deeltjes ook van de vezels van textiel komen of van andere bronnen. Daarnaast is informatie nodig over aanwezigheid van de kleinste microplastic deeltjes. Met deze kennis kunnen effectievere maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
    • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of a novel method for material loops

      Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-01-12)
      This is a revised version of letter report 2020-0126 Every year, ProRail replaces 200,000 railway sleepers. In the last century, wooden sleepers were used treated with creosotes to preserve them. Creosotes contain substances of very high concern. More recently, sleepers have been made from concrete, but greater quantities of CO2 are released in the manufacture of these sleepers than from wooden sleepers. To minimize CO2 emissions and the use of substances of concern, ProRail is looking for alternative railway sleepers. To this end, RIVM has compared six different types of sleepers with cement concrete (100 percent Portland cement). The six sleeper types are made from copper-treated wood, untreated wood, recycled steel-reinforced plastic (PE), virgin steel-reinforced plastic (PE), glass-fiber-reinforced plastic (virgin PU) and Sulphur-based concrete (instead of cement-based concrete). The comparison of the various sleepers was based on the aspects that are important for sustainability and safety of substances for the environment. The sleepers made from recycled plastic and Sulphur-concrete are more sustainable than sleepers from concrete (Portland cement). The other types of sleepers are only favorable over concrete in certain aspects of sustainability. Based on the data available, the various types appear to be equally safe for the environment. Part of the sustainability assessment of the sleepers is done by looking at the extent to which they release greenhouse gases and how much land is needed to extract the materials to make them. The land used to produce wooden sleepers is greater than for the other sleeper types. This is important due to the effect on biodiversity, even though less greenhouse gases are released during production compared to concrete. The safety of the sleepers was analyzed by looking at the presence of pollutants and the degree to which these pollutants leach out. After all, any substance released during the use of the sleepers can end up in the soil and groundwater. There is legislation for all types of sleepers, the objective of which is to ensure that they are safe to use. For this study not all relevant data were available. Knowledge of the presence of any hazardous substances in sleepers is important if they are to be safely reused.
    • Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of the Safe and Sustainable Material Loops framework

      Quik, JTK; Dekker, E; Montforts, MHMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-07)
      Er is een nieuwe versie van dit rapport met nummer 2020-0181. ProRail vervangt elk jaar 200.000 zogeheten dwarsliggers op het spoor. In de vorige eeuw zijn hiervoor houten bielzen gebruikt die met zogeheten creosoten zijn bewerkt om verwering te voorkomen. Creosoten bevatten Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De laatste jaren worden dwarsliggers van beton gemaakt, maar bij de productie daarvan komt meer CO2 vrij dan bij houten dwarsliggers. Om de CO2 uitstoot en het gebruik van schadelijke stoffen te minimaliseren zoekt ProRail naar mogelijkheden om andere dwarsliggers te gebruiken. Daartoe heeft het RIVM zes verschillende typen dwarsliggers vergeleken met betonnen exemplaren. Het gaat om dwarsliggers van met koper behandeld hout, onbehandeld hout, gerecycled plastic dat met staal is versterkt, nieuw plastic dat met staal is versterkt, (nieuw) plastic dat met glasvezel is versterkt (composiet) en beton op basis van zwavel (in plaats van cement). Bij de vergelijking is gekeken naar zaken die belangrijk zijn voor duurzaamheid en voor de veiligheid van stoffen voor het milieu. De dwarsliggers van gerecycled plastic en van zwavelbeton zijn op alle onderzochte punten het meest duurzaam ten opzichte van betonnen dwarsliggers. De andere type dwarsliggers zijn alleen op sommige punten gunstiger. Op basis van de beschikbare gegevens lijken de verschillende typen ongeveer even veilig voor het milieu. Bij de beoordeling van de duurzaamheid is gekeken in hoeverre er broeikasgassen vrijkomen. Ook is gekeken hoeveel land nodig is om het benodigde materiaal te winnen. Voor houten dwarsliggers is het landgebruik groter dan voor de andere soorten, maar bij de productie komen de minste broeikasgassen vrij. Bij de veiligheid gaat het erom of er verontreinigende stoffen in de dwarsliggers zitten en in welke mate zij eruit vrijkomen. Vrijgekomen stoffen kunnen namelijk tijdens het gebruik van de dwarsliggers in bodem en grondwater terechtkomen. Voor alle typen dwarsliggers bestaat er regelgeving om te zorgen dat het gebruik veilig is. Voor dit onderzoek waren niet alle gegevens beschikbaar. Kennis over de aanwezigheid van eventueel schadelijke stoffen is belangrijk om materialen voor de dwarsliggers veilig te kunnen hergebruiken.
    • Towards sustainable recycling : A method for comparing the safety and sustainability of the processing of residual flows

      Traas, TP; Zweers, PGPC; Quik, JTK; Waaijers, SL; Lijzen, JPA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-03-23)
      De Europese Green Deal is bedoeld om Europa klimaatneutraal temaken in 2050. Een belangrijk onderdeel is minder afval storten of verbranden, en het zo veel mogelijk hergebruiken of recyclen. Dat moet wel veilig zijn voor mens en milieu. Het RIVM stelt een methode voor om te kijken hoe veilig en duurzaam verschillende vormen om afval te verwerken zijn. Door de resultaten te vergelijken kunnen beleidsmakers en afvalverwerkers goed doordachte keuzes maken over nieuwe vormen van afvalverwerking. De methode bestaat uit zes stappen. Daarin wordt gekeken naar het risico van eventueel aanwezige schadelijke stoffen en de winst van de afvalverwerking voor het milieu. Het gaat om Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), maar ook om ziekteverwekkers, resten van medicijnen en bestrijdingsmiddelen. Stap 1 verzamelt informatie over aanwezige schadelijke stoffen. Stap 2 bekijkt welke mogelijkheden er zijn om het afval te verwerken. Stap 3 controleert of de stoffen niet boven de gestelde maximale concentraties uitkomen. Als dat wel zo is, wordt in stap 4 met een risicoanalyse bepaald of mensen of het milieu aan de stof kunnen worden blootgesteld tijdens de verdere verwerking en gebruik. Stap 5 geeft aan hoeveel energie (en daarmee CO2) het bespaart en in welke mate landgebruik vermindert als het materiaal wordt gerecycled. De laatste stap vergelijkt de mogelijkheden met elkaar. Het RIVM geeft aanbevelingen voor verbeteringen en aanvulling op deze eerste uitwerking. De methode is nu uitgewerkt voor de risico’s van ZZS, maar in de opzet is al rekening gehouden met andere genoemde risico’s. Ook moeten hiervoor de databases met informatie over de bestanddelen van producten en materialen en voor duurzaamheidsberekeningen worden uitgebreid. Om dit praktisch mogelijk te maken, is het gewenst de methode verder te testen en ontwikkelen met Europese partners uit de afvalketen en beleidsmakers.