• Aanvullend serologisch onderzoek naar de immunogeniteit van in het RIVM bereid meningococcen groep A+C polysaccharide vaccin

      Nagel; J.; Beuvery; E.C.; Kanhai; V.; Zee; J.S.van der* (1985-09-30)
      Uit de in dit aanvullende onderzoek verkregen gegevens werd geconcludeerd: 1. De ELISA van antistoffen gericht tegen groep A en groep C kapselpolysacchariden geeft resultaten die in bevredigende mate zijn gecorreleerd met die van de bactericidie-proef. 2. De immuunrespons, gemeten 14 dagen na vaccinatie voldoet aan de internationale WHO eis met betrekking tot de stijging van de antistofgehalten en aan die m.b.t. het percentage personen (max. 10%) dat geen of een te geringe stijging vertoont. De bereikte antistoftiters bereiken bij 90% (A), resp. (93%) (C) van de vrijwilliger dat als beschermend wordt beschouwd (2 ug/ml of hoger). 3. Er kunnen geen significante verschillen tussen de 3 onderzochte partijen A+C polysaccharide vaccin worden vastgesteld. Gezien deze conclusies lijken er geen belemmeringen te bestaan dit vaccin voor immunisatie van mensen te gebruiken.
    • Adsorptie isothermen van kationen aan bodemmateriaal. Een literatuurstudie en laboratoriumvoorschrift

      Gerringa; L.; Berg; S.van den; Taat; J. (1984-12-31)
      Kationenuitwisseling in de bodem is een complex proces tussen bodemateriaal (de vaste fase) en de kationen in de bodemoplossing (de vloeibare fase). Dit proces wordt door vele factoren beinvloed en is in de loop van de tijd op verschillende manieren modelmatig verklaard. Modellen blijven echter een benadering en vereenvoudiging van de werkelijkheid. Zij bevatten veelal parameters die niet of moeilijk meetbaar zijn of constanten die meerdere variabelen vertegenwoordigen. Mede hierom is een laboratoriummethode ontwikkeld (naar Andre 1970) om de adsorptie isotherm van een stof aan de bodem experimenteel te bepalen. M.b.v. het computerprogramma SORFIT worden de gemeten parameters omgezet tot een omwisselingsvergelijking die grafisch weergegeven kan worden.
    • Een alternatieve normalisatietechniek voor op fotoplaat opgenomen massaspectra

      Klein Brink; H.B.*; Freudenthal; J. (1984-10-17)
      In dit rapport wordt een methode beschreven om verschillen te kunnen ontdekken tussen groepen monsters die massaspectrografisch op een fotoplaat zijn vastgelegd. De aandacht gaat in het bijzonder uit naar de normalisatie van de massaspectra, d.i. de fase volgend op acquisitie en massacalibratie. In het betreffende onderzoek is een nieuwe methode ontwikkeld, die in tegenstelling tot de gebruikelijke, niet de transmissiefactoren op de fotoplaat omrekent naar genormeerde intensiteiten. De gemeten factoren worden daarentegen rechtstreeks genormaliseerd hetgeen leidt tot een aanmerkelijke bekorting in de verwerking in vergelijking met de oude methode. Toepassing op enkele monsters leerde dat beide methoden dezelfde standaarddeviaties (7%) in de uitkomsten opleverden. Op grond van de bevindingen lijkt een gematigd optimisme ten aanzien van de deugdelijkheid van de vernieuwde normalisatie gerechtvaardigd.
    • Een analysemethode voor cyanuurzuur met behulp van differentiele pulspolarografie

      Wolfs; P.M.; Struijs; J. (1985-10-31)
      Door de afdeling Electro-analyse van het Laboratorium voor Anorganische Chemie is een onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van een polarografische methode voor het analyseren van cyanuurzuur in zwemwater en in water van whirlpools. Cyanuurzuur (H3C3N3O3) is een organische stikstofverbinding die als chloorstabilisator wordt toegepast in zwemwater. Het wettelijk gebruiksvoorschrift bepaalt dat bij toepassing de concentratie moet liggen tussen 20 en 50 mg/L. Bij hogere concentraties is de desinfectie van het zwemwater niet voldoende gewaarborgd. Derhalve bestond er behoefte aan een betrouwbare analysemethode voor het bepalen van cyanuurzuur in zwemwater. In dit rapport wordt een eenvoudige en betrouwbare methode beschreven voor het analyseren van cyanuurzuur met behulp van differentiele pulspolarografie.
    • Arseen, natrium, kalium, selenium en tin in vers in- en uitheems fruit

      Vaessen; H.A.M.G.; Ooik; A.van; Kamp; G.C.van de; Zuydendorp; J. (1985-01-31)
      Onderzocht werden 242 monsters vers in- en uitheems fruit op gehalte aan natrium en kalium. Daarnaast is in 85 monsters uit deze groep het gehalte gemeten aan arseen, selenium en tin. Ter kwaliteitsbewaking werd daarnaast in zes referentiematerialen het gehalte aan natrium en kalium gemeten. Het gehalte aan arseen, selenium, tin en natrium in vers in- en uitheems fruit is gemiddeld zeer laag ; mediane waarden voor :arseen 0,004 mg/kg, selenium 0,002 mg/kg, tin < 0,05 mg/kg en natrium < 0,001 mg/kg. De bijdrage van deze produkten aan de dagelijkse opname van de mens van deze elementen is in het algemeen dan ook te verwaarlozen. Het kaliumgehalte van alle 38 soorten vers fruit varieerde van 0,07 tot 0,50%. Deze produkten kunnen afhankelijk van de consumptiefactor een belangrijke bijdrage leveren aan de dagelijkse kaliumopname door de mens! M.u.v. arseen, waarvoor in dit onderzoek lagere waarden worden geregistreerd, komen de meetresultaten goed overeen met die vermeld in de literatuur.
    • De bepaling van Aryldone in vaccininactiveringsmedia m.b.v. hoge druk vloeistofchromatografie

      Derks; H.J.G.M.; Klaassen; R.; Freudenthal; J. (1985-05-31)
      Aryldone is een stof, die mogelijk een stabiliserende invloed heeft op poliovirus-D-antigeen tijdens het formaline-inactiveringsprocede. Om de concentratie van deze stof in het inactiveringsmedium gedurende de procesgang te kunnen vervolgen is een bepalingsmethode gebaseerd op hoge druk vloeistofchromatografie ontwikkeld. Bij de kwantificering wordt gebruik gemaakt van de standaard-additiemethode om te corrigeren voor analytische verliezen. De binnen-meetserie spreiding bedraagt 1,3-1,4% terwijl de tussen-meetserie spreiding 8-9% is.
    • De bepaling van eiwit, glucose, kreatinine, calcium, fosfaat en natrium in urines en plasma verkregen uit het screeningsonderzoek &quot;de Kempen&quot;

      Dreumel; H.J.van; Buitenhuis; S.G.; Jansen; J.; Sluimer; E.*; Terlingen; J.B.A.; et al. (1984-12-31)
      Beschrijving van de uitvoering van de bepalingen van eiwit, glucose, kreatinine, calcium, fosfaat en natrium in plasma en urines verkregen uit het screeningsonderzoek "de Kempen" en de voorbehandeling van de monsters. Tevens wordt aandacht geschonken aan de kwaliteitsbewaking.
    • Een bepalingsmethode voor thallium in regenwater met behulp van voltammetrie

      Struijs; J.; Wolfs; P.M.; Esseveld; F.G.van (1985-11-30)
      In dit rapport wordt een bepalingmethode beschreven voor thallium in het nanogram/liter-gebied, waarbij gebruik wordt gemaakt van differentiele pulse-anodic stripping voltammetry (DPASV) aan de dunne kwikfilm. Met deze techniek blijkt het mogelijk om de concentratie van dit element rechtstreeks in regenwater te bepalen. In de periode van december 1982 tot mei 1984 werd een beperkt aantal monsters, afkomstig van monsterstations verspreid over Nederland, onderzocht. Het niveau lag in het gebied tussen < 30 en 100 ng/l bij 4 van de 5 stations. De monsters van het vliegveld Beek (Z-Limburg)zowel de eerste helft als in de tweede helft van december 1982 bevatten een aanmerkelijk hogere concentratie: ca. 560 ng/l. Aangezien thallium vrijkomt bij de verbranding van kolen in elektriciteitscentrales en vooral bij het smelten van metaalertsen, kan dit in verband worden gebracht met luchtverontreiniging afkomstig uit het Ruhr-gebied en Wallonie.
    • De biologische afbreekbaarheid van cyanuurzuur onder aerobe omstandigheden

      Struijs; J.; Stoltenkamp; J.; Stoltenkamp-Wouterse; M.I.; Wouterse; G.W.M. (1984-07-15)
      De afbreekbaarheid van cyanuurzuur onder aerobe omstandigheden werd onderzocht met behulp van toetsen op drie verschillende niveaus. Er werd geen afbraak van deze verbinding geconstateerd binnen 4 weken. Cyanuurzuur is wel afbreekbaar als het de enige stikstofbron is in een medium waarin bacteriegroei optreedt t.g.v. de afbraak van natriumacetaat.
    • Cadmium, lood, selenium en zink in varkens-, runder- en schapenieren alsmede in kuikenlevers

      Vaessen; H.A.M.G.; Ellen; G.; Ooik; A.van; Tolsma; K.; Zuydendorp; J. (1985-07-31)
      Op gehalte aan cadmium, lood, selenium en zink werden onderzocht 72 varkensnieren, 70 rundernieren, 24 schapenieren en 30 mengmonsters kuikenlever. De mediaanwaarden (mg/kg) in varkensnier, resp. rundernier, resp. schapenier, resp. kuikenlever waren voor cadmium 0,23 ; resp. 0,33 ; resp. 0,08 ; resp. 0,03. Voor lood 0,13 ; resp. 0,40 ; resp. 0,43 ; resp. < 0,05. Voor selenium 1,92 ; resp. 1,06; resp. 1,05 ; resp. 0,59. Voor zink 19,9 ; resp. 16,0 ; resp. 19,4 ; rr. 29,2. Voor de elementen lood, selenium en zink werden in doorsnee voor geen van de vier orgaansoorten andere gehalten gevonden in vergelijk met soortelijk onderzoek in de periode 1970-1980. Het cadmium gehalte in varkensnieren, schapenieren en kuikenlevers daarentegen ligt in doorsnee nu aanzienlijk lager. In slechts een van de monsters (een kuikenlever) werd een gehalte aan lood en cadmium gemeten dat hoger is dan op grond van het onlangs afgekondigde Warenwetsbesluit is toegestaan.
    • A comparison of Runge-Kutta modifications

      Praagman; N.; Vorst; J.van der; Koster; J. (1984-11-21)
      Vijf klassen van Runge-Kutta methoden voor het numeriek integreren van beginwaardeproblemen worden vergeleken. Aangetoond wordt dat de beste resultaten, bedoeld is het kleinste aantal rechterlid bewerkingen bij een gegeven tolerantie, verkregen worden met een blok Runge-Kutta methode met een speciale stapsgrootte selectie. De formules van de vijf klassen, waarvan er twee nieuw zijn, worden gepresenteerd en resultaten van testproblemen worden in tabelvorm gegeven.
    • Darmmacrofagen in het konijn. Inventarisatie in situ en isolatie

      Moberts; R.M.P.*; Buys; J. (1984-05-16)
      Karakterisatie van cellen in de follikels van de plaques van Peyer en de lamina propria van de darm in het konijn met behulp van enzymhistochemie maakt een positieve identificatie van macrofagen in situ mogelijk. De aanwezige macrofagen zijn positief voor zure fosfatase en ATP-ase positiviteit voor niet specifieke esterasen hangt af van het gebruikte substraat en laat verschillen zien tussen enerzijds colon en anderzijds dunne darm en plaques van Peyer. Het percentage zure fosfatase positieve macrofagen varieert van 2.5 % (kiemcentra plaques van Peyer) tot 12.7 % (colon) van het totaal aantal kernhoudende cellen. De in de literatuur beschreven isolatiemethoden voor lamina propria macrofagen bleken niet geschikt voor de gebruikte konijnen. Daarom werd een nieuwe methode ontwikkeld, waarvan de essentie is dat uitsluitend de lamina propria in contact gebracht wordt met een enzyme-oplossing, die zorgt voor een dissociatie van het weefsel.
    • Determination of cortisol in two BCR reference sera by isotope dilution gas chromatography-mass spectrometry

      Derks; H.J.G.M.; Freudenthal; J.; Heiningen; A.van; Gramberg; L.G.; Klaasen; R. (1984-08-23)
      In dit rapport wordt een analytische methode voor de juiste en preciese bepaling van cortisol in humaan serum en zijn toepassing bij de certificatie van twee gevriesdroogde referentiesera van de BCR beschreven. De methode is gebaseerd op isotoopverdunnings gaschromatografie-massaspectrometrie met hoge druk vloeistofchromatische voorzuivering. De gevonden gemiddelde cortisol concentraties van de beide sera waren respectievelijk 276.73 (CV 1.57%) en 774.25 nmol/l (CV 1.24%).
    • Dichtheidsstroming bij locale verontreinigingsbronnen

      Taat; J.; Breuer; W.A.; Drecht; G. van; Gast; L.F.L.; Kunst; J.P.; (1986-12-31)
      Verontreinigd grondwater heeft vaak een grotere dichtheid dan schoon grondwater. Dit dichtheidsverschil beinvloedt de grondwaterstroming en daarmee de verspreiding van de verontreiniging. In dit onderzoek zijn 3 modellen gebruikt om de stroming te beschrijven: - een fysisch model op laboratoriumschaal ; - een mathematisch model voor niet-mengbare vloeistoffen dat gebruik maakt van de vortex-theorie; - een methematisch model dat de advectie/dispersievergelijking oplost, rekening houdend met dichtheidsverschillen. De resultaten van de 3 modellen stemden redelijk met elkaar overeen. Van belang bleken voornamelijk de initiele concentratieverdeling en fysische bodemeigenschappen (gelaagdheid, heterogeniteiten) te zijn.
    • Enkele hydrologische aspecten van een bodem- en grondwaterverontreiniging op het fabrieksterrein van Nestle te Rotterdam

      Mulschlegel; J.; Kusse; A.A.M. (1984-06-30)
      De Regionaal Inspecteur van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiene voor Zuid-Holland verzocht RIVM-LBG inzicht te geven in de eventuele verbreiding van een verontreiniging op het fabrieksterrein van Nestle te Rotterdam. Bij het uitgevoerde onderzoek is gebruik gemaakt van een 3-dimensionaal grondwaterkwaliteitsmodel (INTERA). Op grond van de resultaten van met dat model uitgevoerde berekeningen kan een goed verbreidingsbeeld worden gegeven. Enkele alternatieven zijn bekeken om gevoeligheden te testen. Uit de resultaten blijkt onder meer dat bij het aangehouden onttrekkingspatroon de maximale concentratie aan verontreiniging in het opgepompte grondwater zich eerst na ongeveer een eeuw manifesteert. De maximale waarde zal dan overigens een factor 10-4 lager zijn dan de concentratie van de verontreinigingsbronnen.
    • Enkele hydrologische effecten van baggerspecie dumping in de Put van Heenvliet

      Mulschlegel; J.; Kusse; A.A.M.; (1985-04-30)
      In het Rotterdamse havengebied worden grote hoeveelheden in meer of mindere mate verontreinigd slib afgezet die d.m.v. baggeren worden ver wijderd. Het slib wordt op land of in zee gedumpt. Een van de potentiele locaties op land is de zogeheten Put van Heenvliet. In het kader van haar taak ten aanzien van de milieuwetgeving en een mogelijke advisering aan de Minister van VROM inzake het gebruik van genoemde locatie voor dumping van baggerspecie is door de RIMH/ZH aan het RIVM verzocht de hydrologische con sequentie van een evenutele dumping bij een aantal randvoorwaarden te geven. Voor het berekenen van de kwantitatieve en kwalitatieve veranderingen bij die randvoorwaarden is het computerprogramma INTERA gebruikt. Voorals nog werd volstaan met een 2-dimensionale benadering. Uit de resultaten van de berekeningen volgt dat in de tijd gezien een zeer langzame verslechtering van de grondwaterkwaliteit in de omgeving zal optreden. Ten opzichte van de stofconcentraties in het slib zal een aanzienlijke
    • Gehalte aan keukenzout, natrium en kalium van aardappelprodukten, beschuit, roggebrood en vleeswaren

      Vaessen; H.A.M.G.; Kamp; C.G.van de; Wilbers; A.A.M.M.; Ooik; A.van; Zuydendorp; J. (1984-10-15)
      Van 100 monsters aardappelprodukten, 26 monsters beschuit, 24 monsters roggebrood en 51 monsters vleeswaar werd het gehalte bepaald aan keukenzout, natrium en kalium. Gebleken is dat natriumzouten op ruime schaal worden toegevoegd bij de produktie van vleeswaren en sommige aardappelprodukten. Vleeswaren bevatten gemiddeld 3,32% (m/m) keukenzout waarbij opvalt dat voor de monsters spek uit deze groep dit gemiddelde zelfs boven de 4% m/m ligt. Van alle onderzochte produkten is voor vleeswaren het gemiddeld keukenzoutgehalte het hoogst. Het gemiddelde gehalte aan kalium gemeten voor aardappelen, potato chips en patates frites is aanmerkelijk lager dan vermeld voor deze produkten in de Nederlandse Voedingsmiddelentabellen. Aanzienlijk hoger dan verwacht op grond van voornoemde tabellen ligt daarentegen het gemiddeld gemeten gehalte aan natrium van Gelderse rookworst en spek. De gehalten aan keukenzout, natrium en kalium van roggebrood en beschuit komen overeen met hetgeen verwacht op grond van de literatuur.
    • Een gevoeligheidsanalyse, uitgevoerd op het CO2-simulatiemodel

      Rotmans; J. (1986-08-31)
      In onderhavig rapport wordt de gevoeligheidsanalyse beschreven, welke is toegepast op het bij het RIVM ontwikkelde CO2- computersimulatiemodel. Na een korte toelichting op de te volgen strategie t.a.v. de gevoeligheidsanalyse volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de gebruikte methodes. Tenslotte volgt in hoofdstuk 3 een uitgebreide beschrijving van de toepassing van metamodellering en experimenteel ontwerp op de klimaateffectenmodule van het CO2- simulatiemodel. In het kader van de CO2-problematiek is dit het tweede RIVM-rapport dat is verschenen.
    • Hydrologische effecten van beregening uit grondwater in een studiegebied in midden- en west Noord-Brabant ; model verzadigde grondwaterstroming

      Mulschlegel; J.; Thunnissen; H.; (1986-12-31)
      Door het RIVM is een studie uitgevoerd om het inzicht in de hydrologische effecten van beregening in de landbouw te vergroten. De gekozen rekenmethode gaat uit van een losgekoppelde benadering van de verzadigde en onverzadigde grondwaterstroming. Om tot consistente resultaten te komen is een iteratie procedure uitgevoerd. In dit rapport wordt ingegaan op de ontwikkeling van een niet stationair super-positiemodel van de verzadigde stroming. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de groeiseizoenen in de periode '71-80 en voor het groeiseizoen van '49. Een drietal beregeningsscenario's m.b.t. de omvang zijn in beschouwing genomen. De belangrijkse resultaten betreffen de verandering van de grondwaterstand de kwel/wegzijgingsintensiteiten, de afvoer naar/toevoer vanuit opp. water en de verdamping. Duidelijk zijn de verschillen te onderkennen in de klimatologisch uiteenlopende jaren. Uit een gevoeligheidsanalyse blijkt dat de resultaten verreweg het sterkst worden beinvloed door de waarden van de freatische bergingscoofficient.