• The 18th EURL-Salmonella workshop : 30 may 2013, St. Malo, France

      Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-03-27)
      In dit rapport zijn de verslagen gebundeld van de presentaties van de achttiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella (30 mei 2013). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, en de NRL's informatie met elkaar kunnen uitwisselen. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL, waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt aangegeven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten worden per ringonderzoek in aparte RIVM-rapporten opgenomen. Campylobacter en Salmonella belangrijkste veroorzakers zoönosen Een terugkerend onderwerp is het jaarlijkse rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) over zoönosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Het verslag daarover bevat een overzicht van de aantallen en types zoönotische micro-organismen die in 2011 gezondheidsproblemen veroorzaakten in Europa. Hieruit blijkt dat Salmonella al een aantal jaren minder gezondheidsproblemen veroorzaakt, maar nog steeds, ná de Campylobacter-bacterie, de belangrijkste veroorzaker is van zoönotische ziekten in Europa. Databanken voor opslag van moleculaire typeringsdata Andere verslagen geven informatie over databanken die momenteel worden gebouwd door de EFSA en het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). De EFSA-databank gaat informatie bevatten over moleculaire typering van ziekmakende bacteriën (pathogenen) die worden gevonden in voedsel, diervoeder en dieren. Die van het ECDC zal deze informatie bevatten van pathogenen gevonden bij de mens. Iedere bacteriestam heeft een eigen unieke moleculaire typering. Door de informatie uit de twee databanken te koppelen, kunnen bacteriestammen in producten en mensen worden achterhaald. Die kennis kan eraan bijdragen de bron te vinden van een, nationale of Europese, voedsel-gerelateerde uitbraak. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
    • The 19th EURL-Salmonella workshop : 26 and 27 May 2014, Zaandam, the Netherlands

      Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-18)
      Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de negentiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella (26 en 27 mei 2014). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, en de NRL's informatie kunnen uitwisselen. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL, waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt aangegeven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt per ringonderzoek in aparte RIVM-rapporten opgenomen. Campylobacter en Salmonella blijven belangrijkste veroorzakers zoönosen Een terugkerend onderwerp is het jaarlijkse rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) over zoönosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Het verslag daarover bevat een overzicht van de aantallen en types zoönotische micro-organismen die in 2012 gezondheidsproblemen veroorzaakten in Europa. Hieruit blijkt dat Salmonella al een aantal jaren minder gezondheidsproblemen veroorzaakt, maar nog steeds, ná de Campylobacter-bacterie, de belangrijkste veroorzaker is van zoönotische ziekten in Europa. Moleculaire typering steeds belangrijker Andere verslagen geven informatie over nieuwe technieken die aantonen welk type Salmonella zich in voedsel of dieren bevindt. Diverse laboratoria maken hiervoor gebruik van moleculaire technieken, die erop zijn gebaseerd het DNA van de ziekmakende bacterie aan te tonen. Iedere bacteriestam heeft namelijk een eigen unieke moleculaire typering. Die informatie kan belangrijk zijn om na te gaan of een type Salmonella dat bij de mens wordt gevonden dezelfde is als in voedsel of bij dieren. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
    • The 20th EU Interlaboratory comparison study in primary production (2017) : Detection of Salmonella in chicken faeces

      Dam-Deisz WDC; Broek I van den; Z&O; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-28)
      This report contains an erratum d.d. 17-7-2018 after page 34. In March 2017, the twentieth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study on the detection of Salmonella in samples taken from the primary production stage was organised. Participation was obligatory for all EU Member State National Reference Laboratories (NRLs) responsible for the detection of Salmonella in these types of samples. Results. All laboratories were able to detect Salmonella in all the contaminated chicken faeces samples. Both the blank control sample and the positive control sample were analysed correctly by all laboratories. One laboratory made a labelling mistake and switched the process control for the positive control and therefore scored a 'moderate performance'. Blank samples containing chicken faeces not contaminated with Salmonella were correctly analysed as negative by almost all laboratories. One laboratory found Salmonella present in 3 of the 6 blank samples; this was indicated as a 'poor performance'. Participants. In total, 36 NRLs participated in this study: 29 NRLs from 28 EU Member States, 6 NRLs from other countries in Europe (EU candidate or potential EU candidate Member States and countries of the European Free Trade Association (EFTA)) and, on request of the European Commission, one NRL from a non-European country. EURL-Salmonella is situated at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). The main task of EURL-Salmonella is to monitor and improve the performance of the national reference laboratories in Europe. Design of study. Each laboratory received a package of chicken faeces samples. The samples were contaminated by the EURL-Salmonella at two different Salmonella concentrations: high and low. The package also included blank samples without Salmonella. The laboratories were asked to analyse the samples according to the internationally prescribed method for the detection of Salmonella.
    • The 20th EURL-Salmonella workshop : 28 and 29 May 2015, Berlin, Germany

      Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-08)
      Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de twintigste jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella (28 en 29 mei 2015). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, en de NRL's informatie kunnen uitwisselen. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL, waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt aangegeven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt per ringonderzoek in aparte RIVMrapporten opgenomen. Nieuwe technieken steeds belangrijker Een aantal verslagen geeft informatie over het gebruik van nieuwe technieken om overeenkomsten tussen verschillende Salmonellastammen aan te tonen. Veelal zijn dit moleculaire technieken die het DNA van de bacterie aantonen. Deze technieken worden steeds vaker gebruikt bij het opsporen van de ziekmakende bacterie in voedsel, dieren en bij de mens. Iedere bacteriestam heeft namelijk een eigen unieke moleculaire typering. Een databank voor unieke moleculaire typering resultaten De European Food Safety Authority (EFSA) geeft verslag van een databank in oprichting. In deze databank kunnen alle Europese landen moleculaire typeringsresultaten van Salmonella opslaan. Zo is het mogelijk om na te gaan of een bepaalde ziekmakende bacteriestam in meerdere landen en producten voorkomt. NRL's presenteren hun activiteiten In vier verslagen wordt informatie gegeven over de activiteiten van de NRL's voor Salmonella uit Noord-Ierland, Portugal, Spanje en Slovakije. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL- Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
    • The 21st EURL-Salmonella workshop : 9 June 2016, Saint Malo, France

      Mooijman KA; VDL; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-15)
      Dit rapport bevat een bundeling van verslagen van de presentaties van de 21e jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella (9 juni 2016). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella en de NRL's informatie uitwisselen. Jaarlijkse ringonderzoeken Een terugkerend onderwerp is de ringonderzoeken die het EURL jaarlijks organiseert en waarmee de kwaliteit van de NRL laboratoria wordt gecontroleerd. De NRL's hadden er in 2015 geen problemen mee om Salmonella in ei te vinden. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt per ringonderzoek gepubliceerd. Moleculaire technieken Een aantal verslagen geeft informatie over het gebruik van moleculaire technieken om Salmonella te typeren. Met deze technieken wordt het DNA van de bacterie aangetoond. Deze technieken worden steeds vaker gebruikt bij het opsporen van ziekmakende bacteriën in voedsel, dieren en bij de mens. Iedere bacteriestam heeft namelijk een eigen unieke moleculaire typering. Opslag moleculaire typering resultaten De European Food Safetey Authority (EFSA) geeft verslag van een databank die sinds begin 2016 beschikbaar is. In deze databank kunnen alle Europese landen moleculaire typering resultaten van Salmonella opslaan. Dit geeft informatie of een bepaalde ziekmakende bacteriestam in meerdere landen en producten voorkomt. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: Winter 2016/2017

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Marbus SD; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-21)
      During the 2016/2017 winter season, the influenza epidemic in the Netherlands lasted for 15 weeks. This was longer than the nine-week average duration of epidemics in the twenty previous seasons. Influenza subtype A(H3N2) was the dominant influenza virus throughout the season. In general, baseline natural immunity against A(H3N2) is relatively low among the elderly. Indeed, the number of patients older than 65 years, who visited a general practitioner (GP) for influenza-like symptoms, was higher than last year when influenza A(H1N1)pdm09 predominated. In nursing homes, the number of patients with influenza-like symptoms was also high. In total, an estimated 500,000 patients had symptomatic influenza in the period between the beginning of October 2016 and the end of May 2017 and 6,500 patients were admitted to hospital for influenza-related symptoms. During the epidemic, there were 7,500 more deaths than expected in this 15-week period. The effectiveness of the influenza vaccine against the A(H3N2) virus was 47 per cent. The circulating Dutch A(H3N2) viruses displayed a good to moderate match with the strain that was used in the 2016 vaccine. The WHO has recommended that the same strain be used for the trivalent vaccine for the 2017/2018 season in the northern hemisphere. The B component in the 2017 trivalent vaccine also remains the same as it was in 2016, but the A(H1N1)pdm09 component will be replaced with a more recent virus. The effectiveness of the vaccine varies every season because it is never known which influenza virus(es) will dominate in the next influenza season. Also, the circulating influenza viruses can evolve over time and deviate from the chosen vaccine viruses. There were more reports of the notifiable respiratory infectious diseases made in the 2016 calendar year than in previous years: tuberculosis (889 notifications), psittacosis (60 notifications) and legionellosis (454 notifications). The increase in legionellosis notifications may be associated with the warm, wet weather conditions in 2016. However, several geographic clusters were observed whose existence could not be explained by heavy rainfall or other weather conditions and for none of these clusters could the source of infection be found. The number of notifications for Q fever (14 notifications) is still decreasing. However, the notifiable infectious diseases that present as pneumonia are notoriously underreported because most cases of community-acquired pneumonia are managed in primary care without specific diagnostic laboratory tests being made.
    • Annual report. Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2015/2016 : Surveillance van influenza en andere luchtweginfecties: winter 2015/2016

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Marbus SD; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-27)
      In de winter 2015/2016 was er een griepepidemie in de eerste elf weken van 2016.Dit griepseizoen week niet sterk af van een gemiddeld griepseizoen, met naar schatting ruim 200 duizend huisartsbezoeken voor griepachtige klachten, 96 duizend huisartsbezoeken voor longontstekingen en 3900 doden bovenop het verwachte aantal doden gedurende de elf weken van de epidemie. In de eerste weken van de epidemie werd vooral het influenzavirus A(H1N1)pdm09 aangetroffen. Later was dat vooral het influenzavirus B (Victoria-lijn). De effectiviteit van het griepvaccin (44 procent) leek beter dan vorig jaar, hoewel het influenzavirus B van de Victoria-lijn er niet in was opgenomen. Daar was voor gekozen omdat in voorgaande jaren vooral een ander influenzavirus B (Yamagata-lijn) circuleerde. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft geadviseerd om volgend jaar de Victoria-lijn te gebruiken in plaats van de Yamagata-lijn. Het influenzavirus A(H1N1)pdm09 had wel een goede match met het vaccin van dit jaar. Het RIVM heeft dit jaar voor het eerst in twee ziekenhuizen geregistreerd hoeveel mensen zijn opgenomen vanwege complicaties van de griep. Vanuit andere ziekenhuizen is via de media vernomen dat een ongewoon hoog aantal relatief jonge patiënten was opgenomen met ernstige luchtwegklachten. Dit was niet terug te zien in de RIVM-data, maar onderstreept het belang van een uitgebreidere surveillance in ziekenhuizen. Van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten kwam in 2015 zowel tuberculose (867 meldingen) als legionellose (419 meldingen) meer voor dan voorgaande jaren. Bij tuberculose heeft dit vooral te maken met het toegenomen aantal asielzoekers. Bij legionellose komt dit waarschijnlijk door het warme en natte weer. Het aantal meldingen van psittacose (47) en Q-koorts (20) was niet opvallend. Dit aantal is echter een onderschatting van het werkelijke aantal, omdat bij longontsteking vaak de oorzaak niet wordt vastgesteld.
    • Bacteriofagen : Huidige kennis, onderzoek en toepassingen

      Broek I van den; Broek I van den; Vlugt C van der; Beishuizen, B; LCI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-28)
      Bacteriofagen (ofwel fagen) zijn virussen die bacteriën kunnen doden. Ze werden begin vorige eeuw ontdekt, ongeveer tegelijk met antibiotica. Fagen hebben een ander werkingsmechanisme dan antibiotica. In theorie zouden ze daarom kunnen worden ingezet om infecties te behandelen die ongevoelig zijn voor antibiotica. Er is echter nog te weinig onderbouwd klinisch onderzoek beschikbaar om de meerwaarde van bacteriofaagbehandeling te kennen en dit veilig en voor meerdere soorten infecties te kunnen doen. Dit blijkt uit een inventarisatie die het RIVM heeft gemaakt van de huidige kennis over bacteriofagen voor de behandeling van infecties bij mensen. Een faag werkt heel specifiek tegen één type bacterie, terwijl antibiotica werkzaam zijn tegen meerdere bacteriesoorten. Hierdoor kunnen fagen niet zo snel worden ingezet tegen infecties: eerst moet de ziekmakende bacterie geïdentificeerd en opgekweekt worden, waarna er een bijpassende faag of fagen bij moeten worden gezocht. Om deze praktische redenen hadden antibiotica meer succes en is het gebruik van fagen op de achtergrond geraakt. De kennis over de precieze werking van bacteriofagen bij behandeling van infecties, hoe ze zich gedragen in het lichaam, welke dosering en behandelduur nodig zijn, en de risico's van gebruik is nog beperkt. Door het tijdrovende en complexe bereidingsproces zijn bacteriofagen niet geschikt om acute infecties te behandelen. In theorie zouden ze wel bij chronische infecties kunnen werken, bijvoorbeeld voor oppervlakkige huidinfecties. Om vragen over zulke toepassingen en de meerwaarde daarvan te beantwoorden is gecontroleerd klinisch onderzoek noodzakelijk, maar dat ontbreekt nog. Daar komt bij dat de huidige Europese wet- en regelgeving voor geneesmiddelen niet gemaakt is voor patiëntspecifieke biologische producten, zoals bacteriofagen. In Europees verband wordt erover nagedacht om de wet- en regelgeving voor biologische producten te veranderen. In andere sectoren, zoals landbouw en voedselproductie, gelden minder strenge regels voor werkzaamheid en het gebruik van deze producten dan voor gebruik bij mensen. In deze sectoren worden fagen al wel ingezet.
    • Bestrijding van inheemse muggen in Nederland : Mogelijkheden en uitdagingen

      Braks MAH; Stroo CJ; D&V; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, 2016-03-30)
      Wereldwijd vormen muggen die ziekteverwekkers overbrengen, zoals de malariaparasiet, het denguevirus en het West-Nijl-virus, een groot probleem. In Nederland is dat nog niet aan de orde. Wel komen er soorten voor die onder bepaalde omstandigheden in staat zijn ziekteverwekkers over te dragen. Vanwege uitbraken in andere Europese landen wil Nederland goed voorbereid zijn. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met het Centrum Monitoring Vectoren beschreven welke situaties risicovol kunnen zijn en hoe de muggen dan het beste kunnen worden bestreden. In enkele scenario's is uitgewerkt wat de bestrijding inhoudt en hoe en door wie die moet worden geregeld. Op basis van dit document gaan de overheid, belangenorganisaties en het publiek met elkaar in gesprek hoe situaties het beste kunnen worden aangepakt en wie waarvoor verantwoordelijk is. Muggen zijn nodig voor de overdracht van specifieke ziekteverwekkers. Voor een effectieve bestrijding is het nodig te 'snappen' welke factoren eraan bijdragen dat ziekteverwekkers via muggen op mensen en dieren worden overgedragen. Ten eerste moet duidelijk zijn welke mug welke ziekten kan overdragen. Ten tweede moet de desbetreffende mug in redelijk grote aantallen in Nederland aanwezig zijn. Ten derde moeten ze een ziekteverwekker ergens kunnen oppikken, bijvoorbeeld bij iemand die de ziekte doormaakt of een dier dat het bij zich draagt, om het daarna over te kunnen dragen. Er is dus niet per definitie sprake van een risico als bepaalde muggen die een exotische ziekte kunnen overdragen in Nederland zijn. Een ziekteverwekker die via muggen overdraagbaar is, kan in Nederland worden geïntroduceerd via bijvoorbeeld reizigers of dieren. In dat geval is het belangrijk te weten hoe het aantal muggen dat de ziekte kan verspreiden, kan worden beperkt. Daarnaast blijft het belangrijk dat mensen en dieren zichzelf tegen muggenbeten kunnen beschermen.
    • Bronnen van antibioticaresistentie in het milieu en mogelijke maatregelen

      Schmitt H; Blaak H; Kemper M; van Passel MW; Hierink F; van Leuken J; de Roda Husman AM; van der Grinten E; Rutgers M; Schijven J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-05)
      Het RIVM heeft in samenwerking met andere instituten onderzocht hoeveel resistente bacteriën via afvalwater in het Nederlandse oppervlaktewater terechtkomen. Afvalwater is, naast mest, de belangrijkste bron waardoor antibioticaresistente bacteriën in het milieu belanden. In 60 tot 100% van het onderzochte afvalwater zitten bijzonder resistente micro-organismen(BMRO), zoals ESBL-producerende E. coli en carbapenemresistente Enterobacteriaceae. Daarnaast zijn resten van antibiotica in het afvalwater gevonden. Mensen kunnen aan resistente bacteriën in het milieu worden blootgesteld, bijvoorbeeld als zij in contact komen met water waarop gezuiverd afvalwater wordt geloosd. Vooralsnog is het onduidelijk hoe groot de bijdrage van deze blootstelling is ten opzichte van andere blootstellingsroutes, en wat de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid zijn. Daarvoor wordt aanvullend onderzoek aanbevolen. Duidelijk is wel dat mensen naast blootstelling via het milieu, ook door andere bronnen kunnen worden blootgesteld aan antibioticaresistente bacteriën, bijvoorbeeld tijdens reizen naar landen in Azië of Zuid-Amerika. Door de huidige behandeling van afvalwater nemen de concentraties van antibioticaresistente bacteriën af. Er bestaan aanvullende zuiveringstechnieken voor afvalwater die het aantal antibioticaresistente bacteriën in het oppervlaktewater nog verder kunnen verminderen. Ook de concentraties van resistente bacteriën in mest kunnen door aanvullende zuiveringstechnieken verminderd worden.
    • Cib-IDS rapportage 2014

      Meessen NEL; Stobberingh E; van de Pol JE; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-05-01)
      Veel (ziekenhuis)laboratoria sturen het te onderzoeken materiaal van patiënten naar het Centrum Infectieonderzoek, diagnostiek en screening (IDS) van het RIVM. Het gaat dan vooral om bijzondere diagnostiek waarvoor de laboratoria zelf geen test in huis hebben. Ook komen patiëntmaterialen binnen om te monitoren in welke mate bepaalde ziekteverwekkende micro-organismen voorkomen. Met de verkregen resultaten houdt het RIVM een vinger aan de pols hoe vaak en waar deze micro-organismen voorkomen. Op die manier kan snel worden gereageerd op (plotselinge) ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten. De resultaten worden jaarlijks beschreven om inzenders van patiëntmaterialen inzicht te geven in wat er is gedaan aan diagnostiek, screening en onderzoek naar infectieziekten. In de jaarrapportage 2014 zijn onder andere de eerste monitoringsresultaten van de vaccinatie tegen het baarmoederhalskankervirus (HPV) te zien: het lijkt erop dat er minder HPV onder de doelgroep voorkomt en dat de opkomst voor de vaccinatie is gestegen. Verder is onderzocht waarom het huidige vaccin tegen kinkhoest minder goed werkt. Ook ondersteunt IDS Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de Caribische Zee (de BES-eilanden) bij de diagnostiek van Chikungunya, een virus dat wordt overgedragen door muggen. Deze eilanden vallen sinds 2010 onder Nederlands bestuur. Het onderzoek bij IDS bestaat er vooral uit om innovatieve laboratoriumtesten te ontwikkelen en te verbeteren, in het belang van de openbare gezondheidszorg.
    • Cib-IDS rapportage 2015

      Meessen N; Stobberingh EE; van de Pol I; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-21)
      Veel (ziekenhuis)laboratoria sturen het te onderzoeken materiaal van patiënten naar het Centrum Infectieziekteonderzoek, diagnostiek en screening (IDS) van het RIVM. Dit betreft vooral bijzondere diagnostiek waarvoor de laboratoria zelf geen test in huis hebben. Ook komen patiëntmaterialen binnen om te monitoren of en in welke mate bepaalde ziekteverwekkende micro-organismen voorkomen. Soms worden de ziekteverwekkers zelf ingestuurd met de vraag of IDS deze wil karakteriseren. Met de verkregen resultaten houdt het RIVM er zicht op hoe vaak en waar bepaalde micro-organismen voorkomen. Op die manier kan het RIVM snel reageren op (plotselinge) ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten. IDS beschrijft jaarlijks de resultaten om inzenders van patiëntmaterialen inzicht te geven in wat is gedaan aan diagnostiek, screening en onderzoek naar infectieziekten. De jaarrapportage 2015 beschrijft onder andere de bijdrage van IDS aan de ebola-diagnostiek in Sierra Leone. Zeven medewerkers hielpen ter plaatse door de laboratoriumdiagnostiek uit te voeren. Verder zijn bij IDS de eerste stappen gezet om de hielprikscreening uit te breiden, en wel met de screening op Severe combined immunodeficiency (SCID). Ook wordt toegelicht hoe het komt dat het griepvaccin in 2015 onvoldoende werkte. Een deel van de onder de bevolking circulerende influenzavirussen bleek af te wijken van de virussen die in het griepvaccin waren opgenomen. Het onderzoek bij IDS bestaat er vooral uit om innovatieve laboratoriumtesten te ontwikkelen, te verbeteren en in te zetten. Dit in het belang van de openbare gezondheidszorg. Bij veel van deze onderzoeken wordt een innovatieve methode gebruikt waarmee het hele genoom van een micro-organisme in kaart kan worden gebracht (Whole Genome sequencing).
    • Disease burden and cost-of-illness of food-related pathogens in the Netherlands

      Mangen MJJ; Bouwknegt M; Friesema IHM; Kortbeek LM; van Pelt W; Havelaar AH; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUMCU, 2013-06-14)
      Op verzoek van het ministerie van VWS onderzoekt het RIVM de maatschappelijke kosten van 14 ziekteverwekkers; vanaf 2011 wordt dit jaarlijks in kaart gebracht. De infecties die de ziekteverwekkers veroorzaken, kunnen worden overgedragen via voedsel, de mens, het milieu of dieren (zoönosen). De geschatte kosten van de 14 ziekteverwekkers bedroegen in 2011 416 miljoen euro. De meeste mensen worden ziek van een besmetting met het norovirus, de Campylobacter-bacterie en het rotavirus waardoor deze de hoogste kosten met zich meebrengen. Als naar de kosten per patiënt wordt gekeken, zijn deze het hoogst bij een besmetting door de bacterie Listeria monocytogenes, de parasiet Toxoplasma gondii, en het hepatitis E-virus omdat deze relatief ernstige ziekteverschijnselen veroorzaken. Onderverdeling kosten van voedselinfecties Meer dan 40 procent van de totale kosten die de onderzochte ziekteverwekkers met zich meebrengen wordt via voedsel veroorzaakt (168 miljoen euro in 2011). De overige kosten worden toegeschreven aan de overdracht van mens op mens (28 procent), blootstelling via het milieu (15 procent) of via contacten tussen dieren en mensen (7 procent). De resterende 9 procent van de kosten is gerelateerd aan reizen naar het buitenland. De kosten van voedselinfecties zijn nader gespecificeerd. Ruim de helft (51 procent oftewel 86 miljoen euro) van de kosten van voedselinfecties worden veroorzaakt door producten van dierlijke oorsprong, zoals vlees, eieren en zuivelproducten. Vis, fruit en groenten, dranken, graanproducten en andere niet-gespecificeerde voedselgroepen veroorzaken respectievelijk 8, 6, 2, 5 en 14 procent van de ziektekosten toegeschreven aan voedsel. Onderverdeling soorten kosten De onderzoekers hebben de maatschappelijke kosten van de 14 ziekteverwekkers onderverdeeld in drie categorieën. Ten eerste zijn er de kosten voor consulten aan artsen, ziekenhuisopnamen en medicijnen, de 'directe medische kosten'. Deze bedragen minder dan 25 procent van alle kosten. Daarnaast bestaan ze uit kosten die door de patiënt zelf worden betaald, zoals reiskosten van en naar de arts (directe niet-medische kosten). Deze zijn laag. Als derde post zijn er de kosten die voortvloeien uit productiviteitsverliezen vanwege werkverzuim van de patiënten en speciaal onderwijs na neurologische aandoeningen (indirecte niet-medische kosten). Deze post is het meest substantieel en bedraagt bijna 75 procent van de totale kosten.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2011

      Bouwknegt M; Friesema IHM; van Pelt W; Havelaar AH; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-06-14)
      Op verzoek van het ministerie van VWS onderzoekt het RIVM jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 darmpathogenen. Deze infecties kunnen worden overgedragen via voedsel, het milieu, dieren en de mens. Het aantal mensen dat ziek wordt van een infectie of eraan overlijdt, wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year); een maat voor gezondheidsverlies onder de bevolking. De ziektelast die door de 14 darminfecties in totaal werd veroorzaakt daalde van 14.900 DALY in 2010 naar 13.900 DALY in 2011. Het deel van deze ziektelast dat alleen via voedsel werd overgedragen, daalde van 6.440 tot 6.230 DALY. De daling in de ziektelast via voedsel komt doordat er ten opzichte van 2010 minder mensen ziek zijn geworden van een infectie met de Salmonella spp., het rotavirus, het norovirus en het hepatitis A-virus. Daarnaast zijn er minder mensen overleden als gevolg van een infectie met Listeria monocytogenes. Het aantal baby's met een Listeria infectie is wel gestegen in 2011, waardoor de bijbehorende ziektelast met 50% steeg tot 156 DALY. Het aantal infecties met de Campylobacter-bacterie bleef ook in 2011 stijgen. Daarnaast is over de periode 2001-2011 een toenemende trend gezien in het aantal mensen dat ziek wordt van het norovirus, ondanks de daling in 2011 ten opzichte van 2010. Een verklaring voor de trends is niet voorhanden. De resultaten van dit onderzoek bieden handvaten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de ziektelast die daardoor wordt veroorzaakt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en GGD'en registeren en onderzoeken in Nederland uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen. Het merendeel van de infecties wordt echter niet gemeld.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2013

      Bouwknegt M; Mangen MJ; Friesema IHM; van Pelt W; Havelaar AH; EPI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      The Ministry of VWS has requested RIVM to present an annual update on the number of illnesses caused by 14 enteric pathogens. These pathogens can be transmitted by food, the environment, animals and humans. The number of persons who are ill and who die from the infections is expressed in DALYs (Disability Adjusted Life Years), a measure of the disease burden in the population. Furthermore, the cost-of-illness (COI) related to the 14 food-related pathogens were estimated and expressed in euros. The total disease burden caused by the 14 pathogens decreased from 14,500 DALY in 2012 to 13,200 DALY in 2013. The share of foodborne transmission in this burden decreased from 6,600 to 5,800 DALY, reaching the lowest estimated level since 2009. The COI increased by 6 M compared to 2012, reaching a total of 424 million euro. The share of foodborne transmission was 172 million euro. The decrease in disease burden was a result of decreased incidences for most pathogens, except for rotavirus. The latter incidence increased by 16% compared to 2012, reaching a comparable level to 2011 and a ~30% lower level compared to 2009 and 2010. The research presented in this report results in more insight in the true incidence of foodborne diseases and the associated disease burden and costs and enables to monitor trend in time for these public health indicators.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2014

      Bouwknegt M; Mangen MJ; Friesema IHM; van Pelt W; EPI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      The Ministry of VWS has requested RIVM to present an annual update on the number of illnesses caused by 14 enteric pathogens. These pathogens can be transmitted by food, the environment, animals and humans. The number of persons who are ill and who die from the infections is expressed in DALYs (Disability Adjusted Life Years), a measure of the disease burden in the population. Furthermore, the cost-of-illness (COI) related to the 14 food-related pathogens were estimated and expressed in euros. The total disease burden caused by the 14 pathogens decreased from around 13,000 DALY in 2013 to 12,600 DALY in 2014. The share of foodborne transmission in this estimated burden was comparable to 2013, mounting to 5,900 DALY in 2014. Therewith, the burden estimates for 2013 and 214 ranked as lowest estimates since 2009, the first year of the burden estimates. The food-related COI decreased by 7 M compared to 2013, reaching a total of 165 M for 2014. The increase in burden, yet decrease in costs in the estimates is possibly related to the significant decrease in incidence of rotavirus infections, which display a relatively high cost-per case due to productivity losses. The research presented in this report results in more insight in the true incidence of foodborne diseases and the associated disease burden and costs-of-illnesses and enables to monitor trend in time for these public health indicators.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2015

      Mangen MJ; Friesema IHM; Bouwknegt M; van Pelt W; EPI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      The Ministry of VWS has requested RIVM to present an annual update on the number of illnesses caused by 14 enteric pathogens. These pathogens can be transmitted by food, the environment, animals and humans. The disease burden is expressed in DALYs (Disability Adjusted Life Years), a metric integrating morbidity and mortality into one metric unit. Furthermore, the cost-of-illness (COI) related to the 14 food-related pathogens was estimated and expressed in euros. The total disease burden caused by the 14 pathogens increased from around 12,600 DALY in 2014 to 12,800 DALY in 2015. The share of foodborne transmission in this estimated burden was comparable to earlier years, mounting to 5,800 DALY in 2015. The food-related COI were slightly increased from 166 M in 2014 to 168 M for 2015. The increase in both, burden and in costs, in the estimates is possibly related to the significant larger incidence of rotavirus infections compared to 2014. The research presented in this report results in more insight in the true incidence of foodborne diseases and the associated disease burden and costs-of-illnesses and enables to monitor trend in time for these public health indicators.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2016

      Mangen MJ; Friesema IHM; Haagsma JA; van Pelt W; SIS; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-14)
      The Ministry of VWS has requested RIVM to present an annual update on the number of illnesses, disease burden and cost-of-illness caused by 14 enteric pathogens. These pathogens can be transmitted by food, the environment, animals and humans. The disease burden is expressed in DALYs (Disability Adjusted Life Years), a metric integrating morbidity and mortality into one unit. Furthermore, the cost-of-illness (COI) related to the 14 food-related pathogens was estimated and expressed in euros. The COI estimate includes healthcare costs, the costs for the patient and / or his family, such as travel expenses, as well as costs in other sectors, for example due to productivity losses. The total disease burden caused by the 14 pathogens decreased slightly from around 12,190 DALYs in 2015 to 12,020 DALYs in 2016. The share of foodborne transmission in this estimated burden was comparable to earlier years, mounting to 4,708 DALYs in 2016. The total COI caused by the 14 pathogens decreased slightly from 435 M in 2015 to 430 M in 2016. The food-related COI was with 171 M in 2016, which is slightly lower than in 2015 (i.e. 172 M). The differences in DALYs and COI between 2015 and 2016 are largely due to fluctuations in the type of infections that occur, the burden of disease they cause and the varying costs per infection. The research presented in this report results in more insight in the true incidence of foodborne diseases and the associated disease burden and costs-of-illness and enables researchers and policy-makers to monitor trends in time for these 14 pathogens.
    • Het effect van een waarschuwingsetiket op de verpakking van kippenvlees

      Antonise-Kamp L; Aarts HJM; Schuit AJ; Timen A; Timmermans DRM; van der Vossen WP; Beaujean DJMA; ROI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-10-15)
      Sinds 2001 mag pluimveevlees in Nederland uitsluitend verkocht worden in een verpakking waar een waarschuwingsetiket op staat. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat 81% van de consumenten dit etiket belangrijk vindt en dat 22% van plan is om de keukenhygiëne te verbeteren na het lezen van het etiket. Het RIVM adviseert daarom om dit etiket te behouden. Het doel van het waarschuwingsetiket is dat consumenten minder voedselinfecties oplopen door het vlees onder optimale condities naar huis te vervoeren, te bewaren en te bereiden. De waarschuwing op de verpakking luidt: 'Let op, geef schadelijke bacteriën geen kans. Zorg daarom dat deze bacteriën niet via de verpakking, uw handen of het keukengerei in uw eten terechtkomen. Maak dit vlees door en door gaar om deze bacteriën uit te schakelen'. Vlees van pluimvee is de belangrijkste oorzaak van de voedselinfecties die naar schatting 680.000 mensen jaarlijks in Nederland oplopen. Een belangrijke reden hiervoor is dat consumenten vaak geen optimale keukenhygiëne hanteren. Het advies is gebaseerd op een vragenlijst onder 514 consumenten. Respondenten die aangeven het etiket te lezen, rapporteren een iets betere keukenhygiëne dan respondenten die aangeven het etiket niet te lezen. Ruim 69% rapporteert een goede keukenhygiëne te hebben, ongeacht of zij aangeven het etiket te lezen. Vooral voor de 22% die aangeeft hun keukenhygiëne te willen verbeteren na het lezen van de waarschuwing, is het etiket zeer zinvol. Dit aantal is relatief laag omdat een groot deel van de respondenten aangeeft dat zij al een goede keukenhygiëne heeft. Of de 22% daadwerkelijk de keukenhygiëne gaat veranderen, moet nog nader worden onderzocht. Aanbevolen wordt te onderzoeken of een prominentere plek of een andere vormgeving van het etiket op de verpakking het effect ervan vergroot; het staat nu vaak op de achterkant van het product, bij de informatie over de voedingswaarde. Daarnaast kan overwogen worden om informatie toe te voegen over de juiste koelkasttemperatuur (4 0C). Veel respondenten geven aan dit niet te weten, maar het is momenteel geen verplichte informatie op het etiket.
    • Efficacy of applied processing measures on virus reduction in food

      Rutjes SA; Verhaelen K; de Roda Husman AM; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-19)
      Verse producten zoals groente en fruit worden tijdens het productieproces behandeld om de aantallen schadelijke micro-organismen te verlagen. Hiermee wordt zowel de houdbaarheid van het product verlengd, als het aantal ziekmakende micro-organismen verlaagd. Deze behandelingen zijn vooral effectief om bacteriën onschadelijk te maken, wat de kans verkleind dat consumenten er ziek van worden. Voor virussen is dit effect echter gering als de behandeling wordt uitgevoerd met de doseringen die de voedselindustrie momenteel gebruikt. Hogere doseringen zijn effectiever, maar tasten de voedselkwaliteit en de kleur en structuur van het product te veel aan. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM naar de effectiviteit van desinfectieprocessen in de voedselindustrie op virussen. De studie is in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd. Een van de mogelijke behandelingen is producten wassen in water waaraan desinfecterende stoffen zijn toegevoegd, zoals chloorverbindingen, waterstofperoxide of ozon. Verder wordt op kleine schaal gewerkt met behandelingen waarmee ook de micro-organismen worden bereikt die dieper in het product verscholen zitten, zoals het product behandelen met UV- of gammastralen of onder hoge druk plaatsen. Ze zijn echter het meest effectief bij doseringen die de voedselkwaliteit en het karakter ervan aantasten. Een veelbelovende oplossing lijkt de combinatie van verschillende behandelingsmethoden (de 'hurdle-technologie'). Op deze manier kan elke methode onder mildere condities of met een lagere intensiteit worden uitgevoerd, waardoor de structuur en kleur van het product wel behouden blijven. Zorgvuldig onderzoek is echter nodig naar welke combinaties het effectiefst zijn om virussen onschadelijk te maken en die tegelijkertijd de kwaliteit van de verse producten behouden.