• Bepaling van PCB's in riviersediment en zwevend slib

      Hofstee; A.W.M.; Janssens; H.; Wegman; R.C.C. (1984-05-28)
      In samenwerking met het RIVO en het RIZA werd een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PCB's in het Ned. aquatische milieu. Doel was een indruk te verkrijgen van het verspreidingspatroon van PCB's in het aquatische milieu en na te gaan of er een relatie bestaat tussen de verschillende milieu- compartimenten, te weten water, sediment en organismen. In dit rapport zijn de resultaten beschreven van het sediment- en zwevend slib-onderzoek dat door het RIV is uitgevoerd. Sediment- en zwevend slib-monsters werden geanalyseerd m.b.v. capillaire gaschromatografie met elektroneninvangdetector. I.h.a. waren de gehalten in de sedimentmonsters hoger dan in de zwevend slib- monsters. De hoogste gehalten werden aangetoond in sedimentmonsters afkomstig uit Boven Merwede en het Haringvliet. Geen duidelijk verband werd aangetoond tussen de gehalten aan PCB's (som van 23 isomeren) en de fys.bestanddelen van de onderz. sediment- en zwevend slib-monsters. De isomeerpatronen van PCB's in sediment en zwevend slib van Lobith en H.Diep vertoonden een positief verband.
    • DIAL-meettechniek toegepast op NO2-detectie

      Salemink; H.; Valk; P.de* (1985-01-31)
      Verslag van experimenteel onderzoek naar haalbaarheid van meting van NO2 m.b.v. lidar remote sensing. Aangetoond wordt de mogelijkheid tot detectie van NO2 over 1.0 km padlengte. Verbeteringen van de techniek, om tot een acceptabele detectielimiet voor stedelijke omgeving te komen, worden aangegeven. Het onderzoek is gebaseerd op de huidige operationele ervaring met lidarsystemen.
    • k-Waarde schatting aan geroerde grondmonsters in het Overijsselse Vecht-gebied

      Mesters-Bakhuis; H. (1985-05-31)
      Dit rapport behandelt een toepassing van de Kozeny-Carman vergelijking waarmee doorlatendheden kunnen worden geschat aan geroerde grondmonsters. Om toepassing van deze methode te vergemakkelijken is een computerprogramma geschreven, waarin ook zeefanalyses kunnen worden verwerkt. Tevens zijn enige varianten op de methode gemaakt en in het computerprogramma verwerkt, waardoor de methode ook bij hoge grind- en schelpengehaltes kan worden gehanteerd. Toetsing van de methode aan de hand van de k-bepalingen aan ongestoorde monsters in het laboratorium en veldmetingen zal in een volgend rapport worden gerealiseerd.
    • Meerjarenplanning bodemsanering - 2e Interimrapport

      Koster; P.K.; Riewerts; H.; Ree; C.C.D.F.van* (1984-01-31)
      Het voorliggende rapport is het 2e interimrapport van de RIVM- projectgroep Meerjarenplanning Bodemsanering en vormt als zodanig een vervolg op het 1e interimrapport van juli 1983. In het rapport wordt niet zozeer ingegaan op het simulatiemodel zelve, maar meer op de belangrijkste gegevens van de meerjarenplanning en op de resultaten die met het verbeterde model zijn verkregen. Deze opzet is in de hoofdstukindeling terug te vinden. Ten behoeve van de meerjarenplanning is een continu simulatiemodel ontwikkeld, geschreven in de simulatietaal DYNAMO. Het model is vooralsnog een landelijk simulatiemodel, d.w.z. het verzamelen van gegevens en het doorrekenen van varianten heeft betrekking op de bodemsanering voor Nederland als geheel. Ten opacihte van het 1e interimrapport is het simulatiemodel op enkele punten uitgebreid en verijfnd. Met name aan tijdelijke opslag en verwerking is ruime aandacht besteed. Gekoppeld aan de modellering hiervan is tevens de berekening van de kosten sterk verbeterd.
    • Onderzoek naar de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en verwante verbindingen in oppervlaktewater (samenvattend rapport over 1983)

      Wammes; J.IJ.; Wegman; R.C.C.; Janssens; H.; Rieffe; D.W. (1985-08-15)
      In het meetprogramma van 1983 werd de sombepaling van aromatische amines vervangen door een bepaling van de individuele componenten. De gehalten aan EOS in de Westerwoldse Aa waren in 1983 beduidend lager dan in 1982. De gehalten in Friesland waren evenals in 1982 laag. Hoge gehalten aan EOCl werden aangetoond in de Vuurtocht te Creil. Triadimefon werd aangetoond in de Luttelgeestervaart en in de Ensertocht. Evenals in 1982 lagen de gehalten in de A.Paulownapolde op een hoge niveau dan die van andere meetplaatsen in Nederl. Carbendazim werd tot in hoge concentraties aangetoond. Evenals bij andere meetpunten werd ook hier in alle monsters aniline aangetroffen. Het gehalte aan 2,4,5-trichloorfenol was in A.Paulownapolder 2 verhoogd t.o.v. 1982. In Zuid-Holland werden hoge gehalten aan cholinesteraseremmers frequent gemeten. Quintozeen, triadimefon en carbendazim werden af en toe aangetroffen. Van de onderzochte fenyl- en fenoxycarbonzuren werd alleen dicamba eenmaal aangetroffen.
    • Organochloorbestrijdingsmiddelen en polychloorbifenylen (PCB's) in vetweefsel van Nederlandse ingezetenen (periode: 1983)

      Greve; P.A.; Harten; D.C.van; Nederlof; H. (1985-06-30)
      Er werden 78 monsters vetweefsel afkomstig van autopsieen onderzocht op organochloorbestrijdingsmiddelen en polychloorbifenylen (PCB's). De gevonden mediaanwaarden zijn (in mg/kg op vetbasis): HCB: 0,49; alfa- HCH: <0,01 ; beta-HCH: 0,29 ; gamma-HCH: <0,01 ; beta-HEPO: 0,10; dieldrin: 0,06 ; p.p'-DDE: 3,0 ; o.p'-DDT: <0,02 ; TDE: <0,02; p.p'-DDT: 0,22 ; PCB's (bepaald na perchloreren en uitgedrukt als Clophen A60): 2,0. De gevonden getallen volgen dezelfde lijn als die van vorige jaren, n.l. langzame daling voor HCB, beta-HCH, en p.p'-DDT, terwijl de overige gehalten (voorzover boven de bepalingsgrens gelegen) weinig verandering vertonen. Er wordt voorgesteld het lopende programma terug te brengen tot ca. de helft, en de vrijgekomen capaciteit aan te wenden voor onderzoek op individuele PCB's en pentachloorfenol (PCP). De tot nu toe gebruikte perchloreringsmethode zal dan kunnen vervallen.
    • Plasma-pentachloorfenol concentraties bij een representatieve steekproef uit de bevolking van de stad Utrecht

      Wegman; R.C.C.; Sangster; B.; Hofstee; A.W.M.; Janssens; H. (1985-01-31)
      De pentachloorfenol-concentratie (PCP) en de 2,3,4,6-tetrachloorfenol- concentratie (TCP) in bloedplasma van 62 vrouwelijke en 63 mannelijke vrijwilligers uit de Utrechtse bevolking zijn gemeten. De mediane plasma PCP-concentratie bedroeg 12,0 mug l-1 met een spreiding van 1,1-83 mug l-1. Voor 2,3,4,6-TCP bedroeg de mediaan <1,0 mug l-1 met een spreiding van <1,0-33 mug l-1. De PCP-concentraties in plasma van vrouwelijke en mannelijke vrijwilligers bleken niet significant van elkaar te verschillen. Deze waarden verschillen niet met de resultaten van na 1980 verricht onderzoek maar zijn lager dan van onderzoek van voor 1980. In het onderzoek is tevens aandacht besteed aan de invloed van verschillende wijzen van bemonstering op de PCP-concentratie. De wijze van bemonstering bleek niet van invloed te zijn op de PCP- concentratie. Wel trad een afname van de PCP-concentratie in het plasma op indien het plasma langer dan 2 dagen werd bewaard alvorens tot extractie werd overgegaan.
    • Priority black list substances for the Rhine and other surface waters of the European Community I. Comparison of pollutants selected in the framework of the Rhine Chemical Convention and the Dangerous Substances Directive 76/464/EEC

      Vrijhof; H. (1984-10-16)
      Het doel van het Rijn Chemieverdrag (1976) en de Gevaarlijke Stoffen Richtlijn 76/464/EEG is grenswaarden vast te stellen voor lozingen van stoffen welke gekozen zijn uit de categorieen van verbindingen van de zwarte lijst. In dit rapport wordt uiteengezet dat de door de Internationale Rijncommissie en de Commissie van de EG gevolgde selectieprocedures op elkaar zijn afgestemd. De keuze van stoffen is mede beinvloed door het Amerikaans Milieubureau (EPA) , via de "list of toxic pollutants". De prioritaire lijsten van de EPA, Rijn en EG blijken ook qua inhoud ruimschoots overeen te stemmen. Na de betekenis van de prioritaire stoffen voor de Rijn en de EG te hebben aangegeven, wordt geconstateerd dat 4 stadia in de internationale besluitvorming moeten worden doorlopen alvorens grenswaarden kunnen worden vastgesteld. Pas dan is de plaatsing van een stof op de zwarte lijst definitief. Dit wordt toegelicht aan de hand van de huidige stand van uitvoering van de zwarte lijst.
    • Statistische optimalisatie van het landelijk meetnet voor de regenwaterkwaliteit

      Egmond; N.D.van; Kesseboom; H.; Onderdelinden; D. (1985-11-30)
      Op basis van de meetresultaten van het KNMI-RIVM meetnet van de anorganische componenten in regenwater is het verband vastgesteld tussen de meetnetdichtheid en de nauwkeurigheid waarmee concentraties in regenwater en natte deposities, zowel voor afzonderlijke deelgebieden als voor geheel Nederland bepaald kunnen worden. Geconcludeerd wordt dat met een meetnet van ca. 12 stations, verspreid over het land een bevredigende nauwkeurigheid wordt bereikt. Het verdient aanbeveling of een op twee stations meerdere regenvangers te installeren voor schatting van de locale (en analytische) fouten.
    • Verkenning van het hydrologische systeem van de Utrechte Heuvelrug met behulp van het model TRINS

      Snelting; H.; Pastoors; M.J.H. (1985-10-31)
      Voor de identificatie van het geohydrologische systeem in het onderzoek van de Utrechtse Heuvelrug is een eindige elementen model voor niet- stationaire grondwaterstroming gebruikt (het model TRINS). Het gesimuleerde systeemgedrag moet uiteraard aan de werkelijkheid worden getoetst. Voor deze toetsing is de Kriging-interpolatietechniek geschikt gemaakt. Hiermee kan op iedere gewenste locatie in het modelgebied een betrouwbaarheidsmarge worden bepaald waarbinnen de modelwaarden moeten vallen. De betrouwbaarheidsmarges zijn gebaseerd op gemeten werkelijke grondwaterstijghoogten.
    • Voorschriften voor bodemanalyse

      Lagas; P.; Berg; S.van der; Dordrecht; P.van; Mesters-Bakhuys; H. (1986-09-03)
      Deze voorschriftenbundel bevat voorschriften voor chemische-, fysische- en mineralogische analyses van bodemmateriaal. Daarnaast enkele voorschriften van grondwateranalyses zowel voor laboratorium- als voor veldmethoden. Deze analyses kunnen worden uitgevoerd door de Sectie Bodemanalyse van het Laboratorium voor Bodem- en grondwateronderzoek, t.b.v. bodemprojecten. In dit rapport worden geen voorschriften vermeld voor de analyse van zware metalen en organische microverontreinigingen in bodemmateriaal omdat dergelijke analyses worden uitgevoerd binnen resp. het laboratorium voor Anorganische Chemie (LAC) en het laboratorium voor Organische Chemie (LOC) van het RIVM. Hoewel een aantal analyse methoden nog niet volledig onderzocht is, hebben we deze toch opgenomen in deze bundel. Deze voorschriften dienen dan als basis om verder te werken aan verbetering van deze methodieken. In de eerste plaats is deze bundel dan ook bedoeld voor intern gebruik.
    • Winningsmogelijkheden van grondwater in Het Gooi en Eemgebied. Deelrapport 1: Hydrologische basisgegevens

      Snelting; H.; Groenewoud; P. (1987-01-31)
      Met name ten gevolge van de grondwaterwinning in Het Gooi is de afstroming van grondwater naar de randgebieden sterk verminderd en het beleid van de provincie is er dan ook op gericht om de winningen van grondwater te verminderen. Het doel van het onderzoek is om de mogelijkheden hiertoe te bestuderen en de effecten van de winningen op de betrokken belangen aan te geven. De te bouwen rekenmodellen vergen onder andere inzicht in de opbouw van de ondergrond en in de grondwaterstanden in het gebied.