• Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number XIV - Reports in 2007

      van der Maas NAT; Zonnenberg-Hoff IF; David S; Moorer N; Bults M; Wesselo C; Vermeer-de Bondt PE; Oostvogels B; PHaff TAJ; LCI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-03)
      De bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma over 2007 liet een duidelijke afname zien van het aantal meldingen. In 2007 zijn in totaal 995 meldingen ontvangen. Hiervan werd 72% als bijwerking van de vaccinaties beschouwd. De rest (28%) was niet door de vaccinatie veroorzaakt. Het aantal bijwerkingen moet in relatie worden gezien tot de 1,4 miljoen vaccinatiemomenten en de bijna 7 miljoen vaccincomponenten die daarbij worden toegediend. Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt sinds 1962 intensief bewaakt. De meldgraad van vermoede bijwerkingen is hoog met een goede meldbereidheid van de consultatiebureaus. Er is een relatief beperkte onderrapportage. Van de 995 meldingen betrof het in 710 (72%) gevallen een bijwerking. Hierbij ging het in 54% om heftiger verschijnselen, vooral zeer hoge koorts, langdurig huilen, collapsreacties, verkleurde benen, koortsstuipen en atypische aanvallen met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een heel slappe houding. Hoewel al deze bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken, zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk en laten ze geen restverschijnselen na. Bedreigende allergische reacties zijn niet gemeld. De ernstige infecties die werden gerapporteerd hadden geen relatie met de vaccinaties en datzelfde gold voor de meldingen van epilepsie of suikerziekte. Het ging hierbij om een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij de vier meldingen van overleden kinderen is het overlijden niet door de vaccinaties veroorzaakt. De gestimuleerde passieve veiligheidsbewaking is een goed en gevoelig instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken; het systeem laat tevens follow-up onderzoek toe. Hoewel heftige bijwerkingen na de RVP-vaccinaties optreden, zijn ze van voorbijgaande aard en leiden ze niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen.
    • Analyse kader projectsubsidies 'Verbetering (voorlichting) seksuele gezondheid Nieuwe Nederlanders 2009'

      David S; Dorresteijn K; Jansen C; BBA; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-31)
      In de eerste helft van 2010 is onderzocht of de bij de projectsubsidie verstrekte kaders voor de projectsubsidie 'Verbetering (voorlichting) seksuele gezondheid Nieuwe Nederlanders 2009-2011' voldoen in de ogen van betrokken partijen en hoe die bij een volgend projectsubsidietraject verbeterd zouden kunnen worden. Hiervoor werd het draagvlak van vooraf beschikbaar gestelde kaders in semigestructureerde interviews gepeild onder stakeholders: subsidieaanvragers en betrokken (adviserende) gezondheidsbevorderende instituten. Daarbij is ook gekeken naar de bruikbaarheid van de kaders voor een (tussentijdse) evaluatie van de projecten. Stakeholders vonden dat bij het verbeteren van subsidiekaders onderscheid gemaakt moet worden tussen harde criteria en punten waarop een project beoordeeld zal worden. Naar aanleiding van de aanbevelingen zijn de kaders opnieuw geformuleerd. Daarnaast is het de wens van stakeholders om projectvoorstellen in de toekomst door middel van een checklist te op te kunnen zetten en te laten beoordelen.
    • Ervaringen met verschijnselen na de éénmalige Meningokokken-C vaccinatiecampagne in 2002

      David S; van der Velde MW; Bults M; Vermeer-de Bondt PE; LCI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-23)
      Tijdens de massavaccinatiecampagne in 2002 tegen de Meningokok serogroep C, die hersenvliesontsteking kan veroorzaken, zijn er bij 66% van de kinderen lokale en/of algemene verschijnselen gerapporteerd in de eerste week na de vaccinatie. Totaal werden 2403 vragenlijsten geanalyseerd. De meeste verschijnselen ontstonden binnen 24 uur na de vaccinatie. Zowel lokale als algemene verschijnselen kwamen het meeste voor onder oudere kinderen. Bij de lokale verschijnselen wordt geschat dat 90%-100% veroorzaakt wordt door de vaccinatie, voor de algemene verschijnselen ligt dit percentage tussen 64% en 90%. Uit bovenstaande resultaten kan geconcludeerd worden dat de verdraagbaarheid van het MenC vaccin goed is.
    • Meer dan opsporen : Nationaal hepatitisplan: een strategie voor actie

      David S; Hogenbirk R; van Steenbergen J; Urbanus A; LCI; centrum LCI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-01)
      De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft landen opgeroepen om de overdracht en sterfte door Hepatitis B en Hepatitis C terug te dringen. Jaarlijks overlijden in Nederland 450-500 mensen aan de gevolgen van een infectie met hepatitis B of C. Er zijn naar schatting 40.000 personen drager van het hepatitis B-virus en 28.000 personen zijn chronisch geïnfecteerd met het hepatitis C-virus. Hoeveel personen in totaal ooit zijn gediagnosticeerd met hepatitis B en C is onbekend. Preventiemaatregelen die in Nederland al genomen worden, zijn bijvoorbeeld de selectie van bloeddonoren en screening van donorbloed en Hepatitis B-vaccinatie van gedragsgebonden risicogroepen en sinds 2011 in het rijksvaccinatieprogramma. Toch is er nog veel ruimte voor verbetering, want het lukt momenteel nog niet om de ziektelast en sterfte verder terug te dringen. Daarom hebben partijen die betrokken zijn bij de behandeling en bestrijding van hepatitis (o.a. specialisten, GGD-artsen en huisartsen) samen een plan opgesteld dat beschrijft wat de knelpunten van de hepatitisbestrijding in Nederland zijn en wat mogelijke verbeteringen zijn. Dit Nationaal hepatitisplan heeft tot doel verdere verspreiding te voorkomen en de ziektelast en sterfte te verminderen. Dat kan door geïnfecteerden op tijd op te sporen en goede en snelle behandeling te bieden. Het plan focust op 5 pijlers: bewustwording en vaccinatie, opsporen van geïnfecteerden, diagnostiek en behandeling, verbeterde organisatie van de hepatitiszorg en een beter surveillancesysteem waarbij er wordt gepleit voor één landelijk registratiesysteem en een kennisagenda om de hepatitiszorg in Nederland te optimaliseren. Hepatitis is een ontsteking van de lever. Er bestaan verschillende soorten virale hepatitis, waaronder het hepatitis B-virus en hepatitis C-virus. Overdracht van hepatitis B kan plaatsvinden van moeder op kind bij de geboorte, door seksueel contact of door contact met bloed. Hepatitis C wordt vooral via bloed overgedragen.
    • Nationaal soa/hiv-plan 2012-2016 : 'Bestendigen en versterken'

      David S; BBA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-12-08)
      In dit soa/hiv-plan wordt de visie op de preventie en bestrijding van soa/hiv in Nederland voor 2012-2016 uiteengezet. Aanzet tot de totstandkoming van dit soa/hiv-plan werd gegeven in de beleidsbrief "Seksuele Gezondheid" uit 2009. Nadere richting van het beleid rondom gezondheidsthema's is weergegeven in de "Landelijke nota gezondheidsbeleid" uit 2011, deze vormt het inhoudelijke uitgangspunt voor het leefstijlbeleid, onder andere op het gebied van seksuele gezondheid. De komende periode zal vooral aandacht uitgaat naar bestendiging en versterking van de soa/hiv bestrijding met behulp van preventie en curatie met specifieke aandacht voor hoogrisico doelgroepen en settings. Hierbij is het belangrijk dat zorgverleners in de reguliere en aanvullende curatieve zorg ook hun taak op het gebied van preventie goed uitvoeren. Het RIVM/CIb zal zich de komende jaren, in overleg met koepels van beroepsgroepen en themainstituten, blijven inzetten voor het versterken van de verbinding preventie en curatie in de reguliere en aanvullende zorg. Veel partijen leveren een waardevolle bijdrage aan de preventie en bestrijding van soa/hiv in Nederland. Goede onderlinge samenwerking en afstemming zijn hiervoor essentieel. Het RIVM/CIb streeft naar een de versterking van haar rol als netwerkorganisatie om zo tot een optimale preventie en bestrijding van soa/hiv te komen.
    • National Action Plan on STIs, HIV and Sexual Health : 2017-2022

      David S; van Benthem B; Deug F; van Haastrecht P; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-20)
      The National Action Plan on STIs, HIV and Sexual Health presents an integral approach for the coming five years that is centred around a positive approach to sexuality. A principle of sexual health is that the inhabitants of the Netherlands should be properly informed and able to make sensible choices in the matter. As well as good preventive measures, they must have easily accessible and affordable care in the event of problems. The action plan has six cornerstones. Two of them are overarching topics: sexuality education, and surveillance and monitoring. Sexuality education is the basis for healthy sexual development and is important for preventing STIs, HIV, unwanted pregnancies and sexual violence. Surveillance means keeping track of how many people experience problems. This data is needed if effective measures, treatment and policy are to be set up. The effect is then recorded (monitoring). The other four cornerstones state specific objectives for STIs, HIV, unwanted pregnancies and sexual violence, particularly among vulnerable groups. One of those objectives is to reduce long term complications resulting from the sexually transmitted disease chlamydia. Another target is to halve the number of new cases annually of syphilis, gonorrhoea and HIV. The following objectives for HIV have been included in the action plan: By 2022, 95 per cent of people with HIV will be aware that they have the virus, 95 per cent of them will be being treated for it, and in 95 percent of these patients the HIV virus will no longer be detectable. Another target is that nobody will be dying of AIDS any more in the Netherlands. To prevent unwanted pregnancies, it is important that everyone in the Netherlands has easy access to contraception and proper information. Combating sexual violence is important, as is care for the victims. That is why schools will be paying attention structurally to behaviour that is unacceptable. Training and refresher courses for professionals in the healthcare and education sectors are central to this. The National Action Plan on STIs, HIV and Sexual Health for 2017-2022 has been produced under the auspices of the RIVM (National Institute for Public Health) in cooperation with the key parties working in the field that are involved with sexual health.
    • PrEP-dossier : Pre-Expositie Profylaxe voor hiv-negatieven in Nederland

      Urbanus AT; Blom C; Zantkuijl P; David S; P&B; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-26)
      In October 2016, the Minister for Health, Welfare and Sport requested advice from the Health Council of the Netherlands on the use of medication to prevent HIV infection (pre-exposure prophylaxis, or PrEP) in people with an increased risk of HIV. The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) compiled background information to support the Health Council of the Netherlands. Important points in this background information are: HIV continues to be a dangerous viral infection but can be regarded as a chronic disease, provided that it is discovered early on and properly treated. In these cases there is also a very small chance of the virus being transmitted to another individual. HIV transmission can be prevented by condom usage, regular HIV testing and prompt treatment of infection. PrEP is a new method of preventing HIV infection, which involves taking antiviral medication before sexual contact with a (possibly) HIV-positive individual. Healthcare providers determine who is eligible to use PrEP based on a professional guideline on the risk of HIV and sexual behaviour. PrEP is registered and available in the Netherlands, but the high costs of usage and associated healthcare are not covered by insurance. PrEP has been proven to be effective and safe when used properly. Compliance is essential, as is the associated healthcare: anyone using PrEP must be tested for HIV on a regular basis in order to promptly detect (resistant) HIV infections for which the medication is ineffective. Regular liver and kidney function tests are also required, and PrEP users should also undergo regular testing for other sexually transmitted diseases.