• Invloed van bis(tri-n-butyltin)oxide op de mitochondriele functie van de rat

      Kapteijn R; Basten A van; Danse LHJC; Krajnc EI (1988-06-30)
      Mannelijke Wistar ratten werden gedurende 6 weken gevoerd met een dieet dat respectievelijk 0, 20 en 80 mg TBTO/kg voer bevatte. Na deze periode werd de oxidatiesnelheid van de levermitochondrien, met succinaat als substraat, en de activiteit van enkele enzymen uit de citroenzuurcyclus gemeten. Bij 80 mg/kg was de hoeveelheid mitochondrieel eiwit sterk toegenomen. De oxidatiesnelheid bleek dosis-afhankelijk significant verhoogd te zijn. De succinaatdehydrogenase- en de adenosine-5-trifosfatase activiteit vertoonden een stijgende tendens, hetgeen voor ATPase werd ondersteund door het enzymhistochemisch onderzoek. De gemeten isocitraatdehydrogenase activiteit was significant dosisafhankelijk toegenomen, maar vertoonde bij het enzymhistochemisch onderzoek een dalende tendens. Bij de enzymhistochemische kleuring speelt echter ook het cytoplasmatisch ICDH een rol, terwijl de activiteitsbepaling in gezuiverde mitochondrien is gedaan. Bij toevoeging van TBTO in vitro aan controle mitochondrien trad echter een remmend effect op, gevolgd door een ontkoppeling bij een TBTO concentratie boven 0,4 mumol/l. Vermoedelijk treedt in vivo een herstelreactie op, waarbij de mitochondriele activiteit verhoogd wordt, ter compensatie van het remmend effect van TBTO. Met in vivo NMR technieken kan dit proces in de tijd worden gevolgd en kan waardevolle informatie worden verkregen over het werkingsmechanisme.
    • Een model tot inductie van gecompliceerde atherosclerotische vaatlesies in het konijn door een intermitterend cholesterol-bevattend dieet

      Danse LHJC; van Leeuwen FXR; Koedam JC; Kruijt BC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-04-30)
      Een model werd ontwikkeld tot inductie van gecompliceerde atherosclerotische vaatlesies bij het konijn. Op basis van het pathologisch, morfometrisch en biochemisch onderzoek werd gekozen voor het model waarbij konijnen gedurende 6 maanden continue gevoerd werden met 0,3% cholesterol waarna een herstelperiode van 8 maanden. Hierbij komen fibrotische plaques en fatty streaks met een maximale incidentie tot ontwikkeling. Het plaque oppervlak is zo uitgebreid mogelijk zonder dat de fysiologie van het dier verstoord was. Serumcholesterol en lipoproteine patroon waren niet extreem veranderd.<br>
    • Onderzoek naar de mogelijke werking van het preparaat Vasolastine in een atherosclerose model in het konijn door middel van een cholesteroldieet. I. Effecten gedurende de eerste 6 maanden tijdens het cholesteroldieet

      Hillen FC; de Jong Y; Danse LHJC; Helleman PW; Kruijt BC; van Leeuwen FXR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-05-31)
      Het preparaat Vasolastine werd onderzocht op ondermeer de invloed op de serum cholesterolconcentratie en de ontwikkeling van atherosclerotische plaques in de aorta en coronair arterien in een konijnemodel door middel van een 0,3% cholesteroldieet gedurende 6 maanden. Vrouwelijke konijnen werden klinisch gevolgd en om de zes weken werden bloedmonsters voor biochemische en hemocytometrische bepalingen genomen. Aan het eind van de proef werden de dieren postmortaal macroscopisch en histopathologisch onderzocht. Gedurende het experiment steeg de serum cholesterol concentratie en er ontwikkelden zich atherosclerotische plaques. Vasolastine (0,1 en 1,0 ml/dier) gedurende de tweede helft elke dag i.m. toegediend had geen invloed op het bloed lipid beeld, de hemocytometrische parameters, de ontwikkeling van atherosclerotische plaques en andere histopathologische veranderingen.<br>
    • Onderzoek naar de mogelijke werking van het preparaat Vasolastine in een atherosclerosemodel in het konijn door middel van een cholesteroldieet. II. Effecten gedurende de acht maanden na de zes maanden cholesteroldieet

      Hillen FC; de Jong Y; van Soolingen J; Danse LHJC; van Leeuwen FXR; Helleman PW; Kruijt BC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-12-31)
      Gebruik makend van het zelfde konijnenmodel als in de vorige studie (zie rapport 318512001), werden de dieren gevolgd gedurende 8 maanden na de 6 maanden cholesteroldieet. Gedurende deze 14 maanden werden de konijnen geobserveerd op klinische verschijnselen. Elke 6 weken werden bloedmonsters genomen en de serum cholesterolconcentratie, HDL-cholesterol, ALAT en ASAT-activiteiten en de verdeling van HDL-, LDL- en VLDL-lipoproteinen bepaald. Met hemocytometrische methoden werd de hemoglobineconcentratie, de erytrocytenconcentratie, de leucocytenconcentratie, de hematocrietwaarde, het gemiddelde volume van de erytrocyten (en andere celvariabelen) en de trombocytenconcentratie gevolgd. Tevens werd steeds een differentiele telling van de leucocyten uitgevoerd. Aan het eind van het experiment werden alle dieren postmortaal macroscopisch onderzocht en histopathologisch onderzoek werd verricht op aorta, hart, bijnieren, hersenen, lever, nieren, longen, milt en skeletspier. Gedurende de 6 maanden van het cholesteroldieet steeg de serum cholesterolconcentratie aanzienlijk om gedurende de 3 maanden daarna af te nemen tot uitgangsniveau. Na 14 maanden werden in een groot deel van de dieren fibro-lipid plaques gezien in de aorta en coronair arterien. Deze plaques werden niet gezien in een controlegroep zonder cholesteroldieet. Het bleek dat Vasolastine geen invloed had op het bloedlipidbeeld, de hemocytometrische parameters, de ontwikkeling van de fibro-lipid plaques en andere histopathologische veranderingen.<br>
    • Onderzoek naar de subacute orale toxiciteit van benzeen bij ratten

      de Vries T; den Tonkelaar EM; Franken MAM; Danse LHJC; van Leeuwen FXR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-12-31)
      Gedurende 4 weken werd benzeen 5x per week per maagsonde aan ratten toegediend. De doseringen waren 0, 0,05, 0,15, 0,5, 1,5 ml benzeen per kg lichaamsgewicht. Bij de dieren in de twee hoogste dos.groepen trad een vertraagde groei op, terwijl in de hoogste dos.groep een verminderde voedselopname hiermee parallel liep. Door de vrij sterke groeiremming in de hoogste dos.groep waren vrijwel alle absolute orgaangewichten verlaagd. Des te opmerkelijker was de daling in het relatieve gewicht van milt, thymus, uterus, ovarium en prostaat. De atrofie van milt en thymus die in het histopathologisch onderzoek werd waargenomen hield waarschijnlijk verband met lymfocytopenie, die door benzeen wordt veroorzaakt. Bij de vr. dieren werd in de twee hoogste dos.groepen atrofie van de uterus waargenomen, terwijl bij deze dieren de normaal optredende nefrocalcinose achterwege bleef. Bij de vr. dieren werden ook in de laagste dos.groep effecten gevonden zodat geen dosering zonder effect kon worden vastgesteld.<br>
    • Subacute toxiciteit van patuline in de rat

      Speijers GJA; Kolkman R; Franken MAM; van Leeuwen FXR; Danse LHJC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-09-11)
      In de subacute drinkwaterproef met patuline werd een dosis-gerelateerde afname van de kreatinine-klaring waargenomen; glomerulaire nierschade kon echter in histopathologisch onderzoek niet bevestigd worden. De voornaamste effecten in het histopathologisch onderzoek waren: ulceraties en bloedingen in het fundusgedeelte van de maag en ontstekingen in submucosa en onderliggende spierlagen, dilatatie en hyperaemie van de villi van het duodenum, activatie en rozetvorming in de drainerende lymfeklieren en afname extramedullaire haemopose in de milt bij de hoogste doseringsgroep. In de maagsonde proef stierven 3 dieren van de hoogste doseringsgroep intercurrent aan interstitiele pneumonieen. Met uitzondering van de hyperaemie van de villi van het duodenum werden bij de overige dieren die patuline kregen dezelfde effecten waargenomen als bij de drinkwaterproef met vergelijkbare doseringen.<br>
    • Subacute toxicity experiment with rats fed a diet containing ergotaminetartrate. 1 General toxicology

      Speijers GJA; Krajnc-Franken MAM; van Leeuwen FXR; Danse LHJC; Loeber JG; Elvers LH; Hoejenbos-Spithout HHM; Janssen GB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-10-31)
      In this study reduced food intake, food efficiency and growth were noticed at dose levels of 100 mg EAT/kg diet and higher. Slight changes in the red blood parameters were seen in the 100 and 500 mg EAT/kg diet dose groups. Urea concentration was increased in the females of the highest dose group. The urinalyses showed an increased urine production of male of the 100 and 500 mg/kg diet. Endocrinological analyses revealed decreased T4 (500 mg/kg diet) and TSH (100 and 500 mg EAT/kg diet, only in males). Macroscopical examination revealed gaseous distension of the duodenum, pale thyroids, red tail tips and enlarged iliacal lymph nodes. In the females of 20, 100 and 500 mg EAT/kg diet relative heart, brain and liver weights were higher than the control. The relative ovaries weights were increased at the 100 and 500 mg EAT/kg diet levels. In males (100 and 500 mg EAT/kg diet) relative heart and liver weights were elevated. A slight increase in regenerative and degenerative changes in the kidneys, strong activation of the iliacal lymph nodes was seen in the highest dose group. In the tail of the animal of the 500 mg EAT/kg diet group degenerative changes in the longitudinal skeletal muscle, sometimes accompanied by slight fibrosis was observed.<br>
    • Subacute toxicity of propyl gallate

      Strik JJTWA; Danse LHJC; Helleman PW; van Leeuwen FXR; Speijers GJA; Vaessen HAMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-06-30)
      The 4 week oral toxicity of propyl gallate in rats, exposed to 0, 1000, 5000 and 25000 mg/kg feed, was investigated. Parameters studied comprised growth, food and water intake, biochemistry, hematology, organ weights and histopathology. In the highest dose group both females and males gained less weight than those in the control group. Hemoglobin concentration, packed cell volume, red blood cell concentration, mean corpuscular volume and mean corpuscular hemoglobin were lowered in the highest dose group (males and females). In accordance with the anemia, an increased extramedullary hematopoiesis and slightly descreased hemosiderosis were noted in the spleen. In kidneys hyperplastic tubuli in the outer medulla were detected. In liver of the 5000 and 25000 mg/kg fed groups increases in activity of aminopyrin-N-demethylase and glucuronyltransferase and glutathione S-transferase and an increase in cytochrome P-450 content were detected. Based on these data a semi-chronic feeding study with a dose range of 1000-10000 mg propyl gallate/kg feed, and a detailed study into the mechanism of the hyperplastic tubular alterations in kidneys, are suggested.<br>
    • Subacuut toxiciteitsonderzoek met een extract van grond afkomstig van het bedrijf van de heer H.J. Peterman te Weerselo

      den Tonkelaar EM; Greve PA; van Leeuwen FXR; Danse LHJC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-06-30)
      Problemen met vee (o.a. sterfte) dat op mogelijk verontreinigde grond had gegraasd waren de aanleiding tot een subacuut toxiciteitsonderzoek waarin een extract van deze grond werd vergeleken met een extract van controlegrond en met een onbehandelde controlegroep. Gedurende 4 weken werd aan 10 mannelijke en 10 vrouwelijke dieren per groep dagelijks een dosis extract toegediend die overeenkwam met 5 g grond per kg lichaamgewicht. Effecten, die aan de toediening van het grondextract zouden kunnen worden toegeschreven, werden niet gevonden op groei, voedselopname, hematologisch onderzoek, biochemisch onderzoek van serum en lever, broom- en thyroxinegehaltes in serum, orgaangewichten en histopathologie van lever, uterus en ovaria. Uit dit onderzoek werden geen aanwijzingen verkregen dat de sterfte van vee op het bedrijf Peterman aan opname van verontreinigde grond is te wijten.<br>
    • Toxiciteit van beta-HCH. Relatie biochemie en pathologie van de lever in een 6-weekse voederproef

      van Giersbergen PLM; van Velsen FL; van Leeuwen FXR; Danse LHJC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-11-30)
      De doseringen in de 6-weekse voederproef waren 0, 2, 10, 50 of 250 mg/kg voer. Het biochemisch onderzoek omvatte bepalingen van de activiteit van microsomale leverenzymen, bepalingen van gehalte eiwit, RNA en DNA in lever. Het histopathologisch onderzoek was gericht op de vaststelling van met enzyminductie gerelateerde lesies in de lever. De conclusie van beide onderzoekingen was dat alleen in de 250 mg/kg voer-groep enzyminductie optrad. De eveneens waargenomen toename van het levergewicht in deze groep kan verklaard worden door hyperplasie en hypertrofie. Andere processen lijken echter ook een rol te spelen.<br>