• Endocrine disrupting chemicals in the EU legal frameworks : Human health perspective

      Graven C; Dang Z; Piersma AH; Hakkert B; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-31)
      De Europese Commissie heeft concept criteria opgesteld waarmee kan worden bepaald of stoffen hormoonverstorend zijn. Het blijkt dat binnen de huidige wet- en regelgeving veelal de gegevens ontbreken om stoffen aan deze criteria te toetsen. Om aan te tonen of een stof hormoonverstorend is, moet hij een nadelig (of schadelijk) effect veroorzaken, zoals een verminderde vruchtbaarheid of mogelijke verstoring van het zich ontwikkelende zenuwstelsel. Vervolgens moet worden aangetoond dat het schadelijke effect een biologisch verklaarbaar gevolg is van een verstoring van het hormoonsysteem. Dit is doorgaans lastig aan te tonen. De regelgeving vereist informatie die aangeeft dat een stof veilig kan worden gebruikt. Deze informatie kan onder andere in de vorm van gestandaardiseerde dierproeven worden verkregen. De vereiste proefdierstudies zijn echter niet ontwikkeld om alle nadelige effecten als gevolg van hormoonverstoring aan te tonen. Deze studies zijn evenmin ontwikkeld om het achterliggende biologische mechanisme te achterhalen. De studie die op dit moment het beste in staat is om nadelige effecten als gevolg van een mogelijk hormonaal werkingsmechanisme op te pikken is de zogenoemde extended one generation-studie. Deze studie is echter nog lang niet in alle wettelijke kaders verplicht. Hetzelfde geldt voor gestandaardiseerde studies om het biologische werkingsmechanisme te testen. Om beter te kunnen beoordelen of een stof hormoonverstorend is op basis van de voorgestelde criteria pleit het RIVM ervoor om enkele dierproefstudies aan te passen en de extended one generation-studie te verplichten. Daarnaast wordt voorgesteld om de gestandaardiseerde studies naar werkingsmechanismen verplicht te stellen in de huidige regelgeving. Deze aanpassingen in de regelgeving zijn relatief eenvoudig uit te voeren en zijn belangrijk om stoffen met een hormoonverstorende werking op te sporen. Ook zijn nieuwe methoden voor studies nodig om de nog ontbrekende effecten en mechanismen relevant voor hormoonverstoring aan te tonen. Ten slotte is het belangrijk dat er een evenwichtige beoordelingsstrategie wordt ontwikkeld om te evalueren of informatie voldoet aan de voorgestelde criteria.
    • Endocrine disrupting chemicals within EU legal frameworks: environmental perspective

      Dang Z; Smit E; van Vlaardingen P; Moermond C; Bodar C; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-31)
      De Europese Commissie stelde onlangs criteria voor op basis waarvan hormoonverstorende stoffen als zodanig kunnen worden geïdentificeerd. De criteria betreffen niet alleen hormoonverstoring bij de mens, maar ook in het milieu. Dit is een stap vooruit, maar het RIVM constateert dat de datavereisten in de huidige wet- en regelgeving hier niet goed op aansluiten. Het pleit voor een slimme teststrategie zodat snel kan worden ingezoomd op de stoffen die het eerst moeten worden aangepakt. Bovendien is een betere afstemming tussen de diverse wettelijke kaders noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken. Hormoonverstorende stoffen vormen een bedreiging voor mens en milieu. De huidige, verplichte dossiervereisten zijn erop gericht schadelijke effecten van stoffen te bepalen. Ze zeggen echter meestal weinig over het precieze werkingsmechanisme van de stof en de manier waarop de waargenomen effecten tot stand komen. Deze twee elementen zijn juist nodig om een stof volgens het commissievoorstel als hormoonverstorend te identificeren. Het RIVM verwacht dat dit kennishiaat overheden zal belemmeren om deze stoffen snel te kunnen aanpakken. De Europese commissie stelt ook dat alle beschikbare wetenschappelijke gegevens op een systematische manier moeten worden meegewogen bij het beoordelen van een stof. Volgens het RIVM is het huidige proces van stofbeoordeling daar echter niet op ingericht. Hormoonverstoring is inmiddels als aandachtspunt opgenomen in diverse Europese wettelijke kaders die erop zijn gericht de risico's van chemische stoffen te beperken: REACH, biociden, gewasbeschermingsmiddelen en (dier)geneesmiddelen. Het RIVM constateert dat er verschillen zijn tussen deze kaders. De beperkingen voor het gebruik van een hormoonverstorende stof zijn in het ene beleidskader soms aanmerkelijk strenger dan voor dezelfde stof in een ander kader. Het RIVM pleit nadrukkelijk voor een betere harmonisatie op Europees niveau. De huidige milieurisicobeoordeling en gevaarsindeling van stoffen is vooral gebaseerd op effecten die direct doorwerken op de populaties van organismen in ecosystemen, zoals sterfte, groei en voortplanting van organismen. Studies naar hormoonverstoring meten ook andere effecten, zoals veranderingen in de eiwitten die nodig zijn voor de ontwikkeling van de eidooier in vissen. Bij dit soort effecten is het niet eenvoudig te bepalen of ze de hele populatie bedreigen. Het RIVM vindt echter dat deze bredere effecten ook moeten worden meegewogen bij de beoordeling van stoffen.
    • Exposure informed testing under REACH

      Vermeire TG; Bakker J; Bessems JGM; van de Bovenkamp M; Dang Z; van Engelen JGM; Gunnarsdottir S; Hagens WI; Links I; Marquart H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-09-26)
      De mate waarin mensen blootstaan aan chemicalien kan het aantal testen met proefdieren beinvloeden dat nodig is om de veiligheid van een stof te beoordelen. Dit betekent dat bepaalde onderzoeken niet nodig zijn als mensen of organismen in het milieu niet of nauwelijks aan een stof staan blootgesteld (Exposure Based Waiving, EBW). Hierdoor zijn minder proefdieren nodig. Bij relatief hoge blootstellingen kunnen juist extra testen met proefdieren nodig zijn (Exposure Based Triggering, EBT). Goede kennis van deze blootstelling via modellering of meting is hiervoor onontbeerlijk, zowel voor EBW als EBT. Dit geldt voor alle relevante stadia in de levenscyclus van een stof, van productie tot de afvalfase. Alleen dan kan gezegd worden of een blootstelling niet of juist wel relevant is. Het gaat om blootstelling van de mens, direct via consumentenproducten of op de werkplek of indirect via het milieu, en om blootstelling van organismen in het milieu. Het RIVM en TNO hebben onderzocht hoe dit onderdeel van teststrategieen kan worden aangewend om proefdiergebruik te verminderen. Het rapport is een deelproduct van het Europese Zesde Kaderproject OSIRIS (Optimized Strategies for Risk Assessment of Industrial Chemicals through Integration of Non-Test and Test Information). Doel van dit project is om teststrategieen te ontwikkelen voor toepassing onder REACH die het proefdiergebruik kunnen verminderen. De nieuwe Europese Verordening voor registratie, beoordeling, autorisatie en beperkingen voor chemische stoffen (REACH) verplicht de industrie om een registratiedossier voor haar stoffen in te dienen. De verplichte testen zijn in REACH vastgelegd en afhankelijk van de hoeveelheid stof die op de markt komt. Onder bepaalde voorwaarden, zoals de mate van blootstelling, kan hiervan worden afgeweken.
    • Impact of (inter)national substance frameworks on the policy on Dutch priority substances

      van Herwijnen R; de Poorter LRM; Dang Z; SEC; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-08-26)
      Nederlands beleid is erop gericht om risico's van 247 'prioritaire stoffen' waaraan mogelijke gevaren kleven terug te dringen. (Inter)nationale wet- en regelgeving draagt eraan bij dat de Nederlandse beleidsdoelen voor ongeveer 35% van deze stoffen kunnen worden bereikt. Voor het overige percentage dekken de (inter)nationale kaders het Nederlandse prioritaire stoffenbeleid slechts gedeeltelijk af, of helemaal niet. Zo valt ruim 40% van de prioritaire stoffen onder (inter)nationale kaders die minder strenge beleidsdoelen nastreven dan de Nederlandse, bijvoorbeeld omdat ze andere normen gebruiken. Ongeveer 20% van de prioritaire stoffen valt buiten (inter)nationale kaders. Toch zijn voor sommige stoffen uit deze twee categorieën de Nederlandse beleidsdoelen gehaald. Voor de stoffen waarbij dat niet het geval is, is mogelijk aanvullend nationaal beleid nodig. Eerst moet echter worden bekeken of deze stoffen nog relevant zijn voor Nederland. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM. De 247 stoffen op de Nederlandse prioritaire stoffenlijst zijn daarvoor geselecteerd omdat deze een meer dan verwaarloosbaar risico voor mens en milieu met zich kunnen meebrengen. Dat komt door hun gevaarlijke eigenschappen, de emissies of de mate waarin ze in het milieu voorkomen. Voorbeelden van (inter)nationale kaders die het Nederlandse prioritaire stoffenbeleid afdekken zijn de Kaderrichtlijn Water, het OSPAR-verdrag voor het zeemilieu en de Nederlandse emissierichtlijn voor Lucht (NeR). De invoering van de Europese chemicaliënregelgeving REACH draagt bij aan het realiseren van de Nederlandse doelen, maar de omvang van die invloed is op dit moment nog onduidelijk. Volgens het Nederlandse beleid mag de concentratie van elke prioritaire stof in het milieu op langere termijn, zo mogelijk voor 2010, niet hoger zijn dan het zogeheten verwaarloosbare risiconiveau. Het verwaarloosbare risiconiveau geldt als doel om mens en milieu te beschermen tegen een gelijktijdige blootstelling aan meerdere stoffen.
    • Selected Integrated Testing Strategies (ITS) for the risk assessment of chemicals

      Vermeire TG; Aldenberg T; Dang Z; Janer G; de Knecht JA; van Loveren H; Peijnenburg WJGM; Piersma AH; Traas TP; Verschoor AJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-05-02)
      Het RIVM heeft teststrategieen onderzocht (ITS) om de risicobeoordeling van chemicalien proefdiervriendelijker te maken. Het wil hiermee bijdragen aan onderzoeksprogramma's hiernaar van de EU en de OESO. Het accent ligt daarbij op de toepassing van alternatieve methoden en de verbetering van bestaande testmethoden. Dit onderzoek is hard nodig om de nieuwe Europese wetgeving voor industriele stoffen, REACH, te laten slagen, welke op 1 juni 2007 in werking treedt. ITS staat voor geintegreerde of intelligente Teststrategieen. Het zijn strategieen op papier waarmee chemische stoffen zo effectief mogelijk kunnen worden getest op mogelijke gevaren. Die strategieen maken inzichtelijk welke testen of wiskundige methoden voor een bepaalde stof moeten worden gebruikt, en in welke volgorde. ITS wil een antwoord zijn op de toenemende testvereisten in de regelgeving voor grote aantallen stoffen waarover weinig fysisch-chemische en (eco)toxicologische gegevens bekend zijn. Het gaat dan vooral om de ontwikkeling van strategieen waarvoor testmethoden op celniveau (in vitro) en wiskundige testmethoden (in silico) gebruikt worden. De wiskundige methoden zijn nodig om de blootstelling aan stoffen en de relatie tussen effecten hiervan en chemische structuur in te kunnen schatten. Daarnaast blijft proefdiergebruik (in vivo) in sommige gevallen nodig. Door de resultaten van al deze methoden op slimme wijze aan elkaar te koppelen kan met voldoende zekerheid inzicht worden verkregen in de effecten van chemische stoffen. En daarmee kunnen, naar verwacht, stoffen met minder proefdieren, goedkoper en sneller op hun veiligheid worden beoordeeld. Het rapport beschrijft hoe in elke stap van de teststrategie zo verantwoord mogelijk kan worden omgegaan met de onzekerheden in de gebruikte resultaten van testen en methoden. Vervolgens worden teststrategieen besproken voor de beoordeling van 1) de afbraak van chemicalien in het milieu, 2) overgevoeligheid van huid en ademhalingswegen en 3) nadelige effecten op de vruchtbaarheid en op het nageslacht.