• The 20th EU Interlaboratory comparison study in primary production (2017) : Detection of Salmonella in chicken faeces

      Dam-Deisz WDC; Broek I van den; Z&O; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-28)
      This report contains an erratum d.d. 17-7-2018 after page 34. In March 2017, the twentieth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study on the detection of Salmonella in samples taken from the primary production stage was organised. Participation was obligatory for all EU Member State National Reference Laboratories (NRLs) responsible for the detection of Salmonella in these types of samples. Results. All laboratories were able to detect Salmonella in all the contaminated chicken faeces samples. Both the blank control sample and the positive control sample were analysed correctly by all laboratories. One laboratory made a labelling mistake and switched the process control for the positive control and therefore scored a 'moderate performance'. Blank samples containing chicken faeces not contaminated with Salmonella were correctly analysed as negative by almost all laboratories. One laboratory found Salmonella present in 3 of the 6 blank samples; this was indicated as a 'poor performance'. Participants. In total, 36 NRLs participated in this study: 29 NRLs from 28 EU Member States, 6 NRLs from other countries in Europe (EU candidate or potential EU candidate Member States and countries of the European Free Trade Association (EFTA)) and, on request of the European Commission, one NRL from a non-European country. EURL-Salmonella is situated at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). The main task of EURL-Salmonella is to monitor and improve the performance of the national reference laboratories in Europe. Design of study. Each laboratory received a package of chicken faeces samples. The samples were contaminated by the EURL-Salmonella at two different Salmonella concentrations: high and low. The package also included blank samples without Salmonella. The laboratories were asked to analyse the samples according to the internationally prescribed method for the detection of Salmonella.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections: Winter 2017/2018

      Reukers DMF; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; Dam-Deisz WDC; Hooiveld M; de Lange MMA; Marbus S; Broek I van den; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-09-04)
      Influenza In the winter of 2017/2018 the influenza epidemic lasted 18 weeks. This is longer than the average over the last 20 years (nine weeks). Between October 2017 and May 2018, an estimated 900,000 people had symptomatic influenza and 340,000 people consulted their general practitioner with influenza-like symptoms. Hospitals were also temporarily overstretched as many patients had to be admitted due to complications of flu (usually pneumonia); this number is estimated to have been over 16,000. Also, during the epidemic, 9,500 more people died than would normally be the case in the influenza season (October to May). Throughout the entire epidemic, people mostly became ill due to an influenza type B virus of the Yamagata lineage. This is the first time that an influenza type B virus has been dominant right from the start of the epidemic. Influenza vaccine effectiveness In the current season, vaccination prevented 44% of the vaccinated people from getting the influenza B virus. This is despite the fact that the Yamagata lineage of influenza virus type B was not included in the vaccine. Apparently, the other B virus in the vaccine provided a reasonable level of cross-protection. The long duration of the flu epidemic can therefore not be explained by a low effectiveness of the vaccine. The effectiveness of the vaccine can differ greatly from season to season. This is because the composition of the vaccine is decided upon six months in advance and is determined based on the viruses that dominated in the previous season all over the world. However, influenza viruses can change and when the influenza season breaks out in the Netherlands other viruses may dominate. This is why it is not possible to predict exactly which viruses will be dominant. Notifiable respiratory infections Some respiratory infections have to be notified to the Public Health Services in order to prevent any further spread. In 2017, there was a striking increase in the number of notifications of legionella; at 561 this was the highest number ever reported. The number of reports of tuberculosis dropped to 787. The number of reports of Q fever (23) and psittacosis (52) remained stable. Q fever, psittacosis and legionella generally manifest themselves in the form of pneumonia. The number of reported cases is an underestimation of the real number as these diseases are normally not tested for when people have pneumonia.
    • Assessment of human health and environmental risks of new developments in modern biotechnology : Policy report

      Hogervorst PAM; van den Akker HCM; Dam-Deisz WDC; Klaassen P; van der Vlugt CJB; Westra J; GBV; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-10)
      Due to the rapid developments in modern biotechnology, many new applications are expected in the next ten years. To be prepared, RIVM has investigated whether the current risk assessment for human health and the environment is still adequate. This was done for a selection of nearly thirty new applications. The current risk assessment appears to be adequate for about half of these. For the other half, the risk assessment method may no longer be adequate, or insufficient knowledge or information is available to effectively assess risks. In the present study the risk assessment method for genetically modified organisms was reviewed. This method is used for living organisms whose genetic material has been modified, as has been the case for most current biotechnology applications. However, some new applications do not consist of living organisms. In the near future, for example, this will be the case for RNA sprays, which are used to suppress pests on crops. For such applications, the current risk assessment method may not be the best choice. For some applications that are still at an early stage of development, it remains unclear whether the current assessment method is usable. This applies, for example, to 'orthogonal systems', which use biochemical building blocks or DNA coding systems that are not found in nature. To deal with the expected bottlenecks in the current risk assessment, there is a need to draw lessons from other risk assessment methods, to gather existing information and knowledge and to fill knowledge gaps.
    • Bedrijfsgeneeskundige zorg door Defensie geboden aan (ex-)POMS-medewerkers : WP7 deelonderzoek 2

      Schulpen S; Zwart F de; Dam-Deisz WDC; MNS; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
    • Beoordeling van risico's voor mens en milieu van nieuwe ontwikkelingen in de moderne biotechnologie : Beleidssignalering

      Broek I van den; Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Klaassen P van; Vlugt CJB; Broek I van den; GBV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-22)
      Door de snelle ontwikkelingen in de moderne biotechnologie, worden er in de komende tien jaar veel nieuwe toepassingen verwacht. Om hierop voorbereid te zijn heeft het RIVM onderzocht of de huidige risicobeoordeling voor mens en milieu nog volstaat. Dit is gedaan voor bijna dertig geselecteerde nieuwe toepassingen. De huidige risicobeoordeling blijkt voor de helft van deze toepassingen op orde te zijn. Voor de andere helft van de onderzochte toepassingen zal de methode van risicobeoordeling (mogelijk) niet meer passen of is er onvoldoende kennis of informatie om de risico's voor mens en milieu goed te kunnen beoordelen. In dit onderzoek is de risicobeoordelingsmethode voor genetisch gemodificeerde organismen getoetst. Deze methode is opgezet voor levende organismen waarvan het erfelijk materiaal is aangepast, zoals tot nu toe bij de meeste biotechnologische toepassingen het geval is. Er komen nu ook toepassingen aan die niet bestaan uit organismen, en waarvoor deze risicobeoordelingsmethode dus niet logischerwijs het meest geëigend is. Op de korte termijn geldt dat bijvoorbeeld voor de zogeheten RNA-spray, waarmee plaaginsecten op gewassen worden onderdrukt. Voor enkele toepassingen die nog in een vroeg ontwikkelingsstadium zijn, is nu nog onduidelijk of de bestaande beoordelingsmethode bruikbaar is. Dit geldt bijvoorbeeld voor 'orthogonale systemen' waarbij andere bouwstenen of een andere codering van DNA wordt gebruikt dan nu in de natuur voorkomt. Om de verwachte knelpunten in de risicobeoordeling op te lossen, is het nodig om lering te trekken uit andere bestaande risicobeoordelingsmethoden, bestaande informatie en kennis bij elkaar te brengen en om ontbrekende kennis op te bouwen.
    • Bewust Omgaan met Veiligheid: doelen en effectmaten in het risico- en veiligheidsbeleid

      Broek I van den; Walhout AM; Dam-Deisz WDC; Kloosterboer HE; de Melker HE; NAT; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-16)
      Het RIVM heeft voor verschillende beleidsterreinen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) in kaart gebracht welke effecten bedreigingen van de fysieke leefomgeving kunnen hebben en welke veiligheidsdoelen door de overheid gesteld worden om die effecten te voorkomen, verkleinen of beheersen. In het eerste deel van de opdracht (Van Zijverden et al., Een scan van de veiligheid en kwaliteit van onze leefomgeving. RIVM briefrapport 2017-0030) zijn voor 25 onderwerpen effecten voor gezondheid, ecologie, economische schade en maatschappelijke impact op een rij gezet. Uit het onderzoek blijkt dat voor de gezondheidseffecten gegevens bekend zijn. De effecten voor ecologie, economische schade en maatschappelijke impact zijn meestal niet goed bekend en blijken in het tweede deel van het onderzoek niet expliciet meegenomen in de doelen voor het risico- en veiligheidsbeleid. Met deze effecten wordt impliciet rekening gehouden. Het beleid van het ministerie gaat uit van een beleidsmatig basisbeschermingsniveau en van een streven om de veiligheid en de kwaliteit van onze leefomgeving verder te verbeteren. Voor een veilige en gezonde leefomgeving is het belangrijk te weten wat de actuele situatie in de fysieke leefomgeving is en hoe de samenleving de veiligheid waardeert. Voorbeelden van vraagstukken zijn het risico van overstromingen, veiligheid bij brand of explosies, luchtverkeersveiligheid, veiligheid op de weg, in scheepvaart en op het spoor. Ook gaat het om de effecten van vervuilende stoffen in lucht, water en bodem en van het gebruik van nanomaterialen en biotechnologie. De samenleving heeft behoefte aan een zekere mate van eenduidigheid en consistentie in risico-afwegingen voor al deze veiligheidsvraagstukken. Om dat goed te doen, zijn voldoende gegevens nodig om risico's vanuit verschillende invalshoeken te kunnen karakteriseren. Momenteel wordt hoofdzakelijk gekeken naar gezondheidseffecten, uitgedrukt in de kans op dodelijke slachtoffers of aantallen slachtoffers. Bij dit onderzoek worden ook diverse nieuwe (technologische) ontwikkelingen die gepaard gaan met onzekere risico's betrokken. Hiervoor blijken, mede door methodologische problemen, nog geen geschikte effectmaten te zijn ontwikkeld. Het RIVM pleit voor een brede, transparante beoordeling van risico's en effecten. Hiervoor moeten samenhangende risico- en effectmaten ontwikkeld worden die op zowel technische als sociaalwetenschappelijke inzichten moeten worden gebaseerd. De veiligheid van situaties hangt immers samen met wat de maatschappij aanvaardbaar vindt.
    • Concentratiegrenswaarde voor ZZS in afvalstromen

      Dam-Deisz WDC; Dam-Deisz WDC; Luit RJ; MSP; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-22)
      Momenteel zijn veel initiatieven gaande om afval te hergebruiken (circulaire economie). Er gelden voorschriften om te voorkomen dat schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Voor afval dat zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevat gelden extra strenge regels op basis waarvan een afweging wordt gemaakt tussen hergebruik of vernietigen. Deze voorschriften maken deel uit van het landelijke afvalbeheerplan (LAP3), dat momenteel wordt opgesteld. Er bestaan meerdere wetgevende kaders om de risico's van ZZS te beoordelen die uiteenlopende concentratiegrenswaarden aangeven. Om de beoordeling voor afval te vereenvoudigen heeft het RIVM een stappenplan ontwikkeld op basis waarvan een vergunninghouder kan afwegen of het afval veilig te recyclen is. Voor dit stappenschema is een algemene concentratiegrenswaarde bepaald voor afval dat ZZS bevat. Boven deze grenswaarde moet worden uitgezocht of het afval vernietigd moet worden of dat het kan worden hergebruikt. Deze risicoanalyse moet nog nader worden uitgewerkt. De algemene concentratiegrenswaarde van ZZS in afval is op 0,1 procent gesteld, waarbij voor een aantal van deze stoffen strengere, stofspecifieke concentratiegrenswaarden gelden. Als het afval lagere concentraties bevat, en dus mag worden gerecycled, bepaalt het type product welke concentratiegrenswaarden voor de ZZS moeten worden nageleefd. Voor speelgoed en cosmetica gelden bijvoorbeeld strengere normen. De algemene concentratiegrenswaarde is bepaald op basis van concentratiegrenswaarden voor ZZS in de huidige wet- en regelgeving. De belangrijkste wettelijke kaders die hiervoor zijn geraadpleegd zijn de verordeningen voor classificatie, label en verpakking (CLP), de Europese wetgeving voor chemische stoffen REACH en de verordening voor persistente organische stoffen (POP). Daarnaast is de Europese kaderrichtlijn afval van belang.
    • ConsExpo Web. Consumer exposure models - model documentation : Update for ConsExpo Web 1.0.2

      Dam-Deisz WDC; Schuur AG; CPV; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-30)
      RIVM has developed a manual for ConsExpo Web. This web application has been developed for use by exposure experts and risk assessors to estimate exposure to chemical substances from various products under various exposure conditions. Exposure assessments provide necessary information for the evaluation of the safety of chemical substances in consumer products. ConsExpo Web is the successor to ConsExpo 4. Using ConsExpo Web, exposure experts and risk assessors from authorities, institutes and companies can assess consumer exposure in a transparent, standardized fashion. There is a wide variety of consumer products, ranging from cosmetics to cleaning products and pest control products. Their use (e.g. how much of the product is used and how frequently) also varies among consumers. ConsExpo Web provides a number of generally applicable exposure assessment models and a database of exposure factors. Together, the models and the database provide a basis on which exposure from a specific product can be estimated. This document provides an overview of ConsExpo Web, an explanation of the exposure and absorption models available in ConsExpo Web and guidance for the careful analysis of the exposure assessment. ConsExpo Web is available via rivm.nl/consexpo. After registration, the use of ConsExpo Web is free.
    • Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA N.V. Periode 2016

      Dam-Deisz WDC; M&M; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-31)
      De Centrale Organisatie voor de Opslag van radioactief afval (COVRA) meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' wordt gecontroleerd of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door COVRA genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2016 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de COVRA. De analyses van het RIVM en COVRA in de gamma-spectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen redelijk tot goed overeen. Hoewel het RIVM en COVRA verschillende meetprincipes gebruiken, komen de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA in 2016 redelijk overeen. Ook kwamen de analyses van het RIVM en COVRA betreffende de ventilatieluchtresultaten van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en OpslagGebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2016 uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Gezondheidseffecten en risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie

      Palmen NGM; Geraets L; Burg W ten; Bos PMJ; Dam-Deisz WDC; Staal YCM; Broek I van den; Broek I van den; NAT; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-04)
      Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
    • Gezondheidseffecten van asbest : Huidige en toekomstige omvang in Nederland

      Dam-Deisz WDC; Hulsof TA; Poos MJJC; NAT; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-21)
      Wereldwijd worden jaarlijks naar schatting 125 miljoen mensen blootgesteld aan asbest op de werkplek. Jaarlijks sterven wereldwijd ruim 107.000 mensen aan asbestgerelateerde ziekten zoals buikvlies- of borstvlieskanker (mesothelioom), longkanker en stoflongen (asbestose). Hoewel het sinds 1993 in Nederland verboden is om asbest te verwerken of in voorraad te houden, staan mensen er nog steeds aan bloot. Dat komt onder andere doordat het asbest dat in het verleden is gebruikt, nog steeds aanwezig is, bijvoorbeeld in oude gebouwen. Blootstelling aan asbestvezels kunnen we onderverdelen in werkgerelateerde blootstelling en blootstelling via de omgeving. Het RIVM heeft voor Nederland vier mogelijke toekomstscenario's berekend voor het aantal mensen dat mesothelioom en asbestlongkanker kan krijgen. De piek in het aantal mensen dat mesothelioom krijgt, ligt achter ons. In totaal zullen er in de periode 2017-2050 nog zo'n 9.000 tot 12.200 nieuwe gevallen bijkomen. Het nog te verwachten aantal nieuwe gevallen van werkgerelateerde asbestlongkanker wordt voor de periode 2017-2050, afhankelijk van het scenario, geschat op 5.300 tot 10.200. De gezondheidseffecten van asbestblootstelling zijn bijna 25 jaar na het verbod op asbest nog steeds zichtbaar. Tot 2050 zullen in Nederland in totaal nog zo'n 15.800 personen gediagnosticeerd worden met een van de asbestziekten en hieraan overlijden.
    • Gezondheidsklachten bij vrouwen met een siliconen borstimplantaat : Een inventarisatie

      van der Maaden T; Dam-Deisz WDC; de Jong WH; Broek I van den; Geertsma RE; EVG; GZB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-10-05)
      Het RIVM heeft in opdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (voorheen de Inspectie voor de Gezondheidszorg) geïnventariseerd welke gezondheidsklachten vrouwen met een siliconen borstimplantaat ervaren. Vrouwen konden hun klachten anoniem aangeven op een digitale vragenlijst. De inventarisatie laat een breed beeld aan klachten zien. Op basis van deze inventarisatie is het niet mogelijk om aan te geven of de implantaten de oorzaak zijn van de klachten. Hiervoor is wetenschappelijk vervolgonderzoek nodig. De resultaten uit deze inventarisatie kunnen hier wel richting aan geven. Allerlei factoren kunnen van invloed zijn op het ontstaan van klachten. Daarom is het moeilijk mogelijke patronen in de klachten te duiden. Sommige klachten lijken vaker voor te komen bij vrouwen met bepaalde kenmerken. Vrouwen met bepaalde chronische ziekten zoals allergieën rapporteren bijvoorbeeld vaker algemene klachten. Eén van de aanbevelingen in dit rapport is dit verder te onderzoeken. In totaal zijn de vragenlijsten van 976 vrouwen geanalyseerd. Hiervan gaven 695 vrouwen aan lokale of algemene gezondheidsklachten te ervaren nadat zij één of meerdere keren implantaten hadden laten plaatsen. 281 vrouwen gaven aan geen klachten te hebben ervaren na de implantatie(s). Van de lokale klachten zijn pijn in de borst(en) en kapselvorming het meest gerapporteerd. Chronische vermoeidheid, gewrichts- en spierklachten zijn de meest genoemde algemene klachten. Vrouwen hadden vaak zowel lokale als algemene klachten. Bij iets minder dan de helft van de vrouwen met algemene klachten verbeterden deze nadat de laatste implantaten waren verwijderd. Bij een vergelijkbaar deel bleven de klachten hetzelfde, en bij een klein deel verergerden ze. Sommige vrouwen gaven aan al klachten te hebben voordat zij borstimplantaten kregen. Deze klachten werden in de meeste gevallen als minder ernstig ervaren dan de klachten die na het krijgen van borstimplantaten ontstonden.
    • GGD-richtlijn medische milieukunde : Luchtkwaliteit en gezondheid

      Dam-Deisz WDC; Broek I van den; Odink J; Zee S van der; Zuurbier M; Aarts F; Buggenum S van; Elders-Meijerink M; Fischer P; Hout K van den; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-11)
      Het RIVM en de GGD'en hebben de GGD-richtlijn 'Luchtkwaliteit en Gezondheid' uit 2008 geactualiseerd. De vernieuwde richtlijn biedt onder meer een actueel overzicht van wetenschappelijke studies naar gezondheid en luchtkwaliteit en de betekenis van nieuwe (Europese) beleidsontwikkelingen. Ook wordt uitgelegd hoe luchtkwaliteit wordt gemeten en berekend. De nadruk ligt op wegverkeer-gerelateerde luchtverontreiniging, maar ook de invloed van bijvoorbeeld andere verkeersbronnen (zoals scheepvaart en brommers), industrie, landbouw en houtrook op de luchtkwaliteit komt aan bod. De richtlijn is geactualiseerd, omdat de kennis over luchtverontreiniging en de effecten op de gezondheid de afgelopen jaren zijn toegenomen. Een betere luchtkwaliteit levert gezondheidswinst op, ook als de concentraties luchtvervuilende stoffen onder de gestelde normen liggen. Hoewel de luchtkwaliteit de laatste decennia is verbeterd, worden op een aantal locaties in Nederland de Europese grenswaarden overschreden. Verbetering is noodzakelijk om deze situaties positief te beïnvloeden en toekomstige hoge blootstellingen aan vervuilende stoffen te voorkomen. De richtlijn is een hulpmiddel voor de GGD'en om gemeenten en provincies te adviseren en burgers te informeren over de lokale luchtkwaliteit. GGD'en kunnen voorstellen doen om de luchtkwaliteit te verbeteren en advies geven over de ruimtelijke inrichting nabij drukke verkeerswegen. Op basis van advies van de GGD kunnen gemeenten aanvullend lokaal beleid formuleren om de bevolking, en hooggevoelige groepen in het bijzonder, te beschermen. Daarnaast kan de GGD erop wijzen dat goede communicatie tussen gemeenten en de bevolking over dit onderwerp belangrijk is en hiervoor praktische adviezen geven. De GGD-richtlijnen medische milieukunde (MMK) zijn bedoeld om het handelen van GGD'en te harmoniseren en te optimaliseren.
    • Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2016

      de Melker HE; de Melker HE; Broek I van den; Broek I van den; Baas K; Berghe ACWM; Huis EP; Broek I van den; Hoen M 't; Dam-Deisz WDC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-09)
      Total greenhouse gas (GHG) emissions in the Netherlands in 2016 increased by approximately 0.2%, compared with 2015 emissions. This increase was mainly the result of increased natural gasconsumption for space heating. On the other hand, the emission of electricity production has declined. In 2016, total GHG emissions (including indirect CO2 emissions and excluding emissions from Land use, land use change and forestry (LULUCF)) in the Netherlands amounted to 195.2 Tg CO2 eq. This is approximately 12.4% below the emissions in the base year2 (222.9 Tg CO2 eq.). CO2 emissions in 2016 were still above the level in the base year (+1.6%). This increase was offset by the reduction since 1990 in emissions of methane, nitrous oxide and fluorinated gases (CH4, N2O and F-gases). This report documents the Netherlands' annual submission for 2018 of its GHG emissions inventory in accordance with the 2006 IPCC Guidelines for National Greenhouse Gas Inventories (IPCC, 2006) provided by the United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), the Kyoto Protocol (KP) and the European Union's Greenhouse Gas Monitoring Mechanism. The report includes explanations of observed trends in emissions; an assessment of the sources with the highest contribution to total national emissions (key sources) and the uncertainty in their emissions; an itemization of methods, data sources and emission factors (EFs) applied; and a description of the quality assurance system and the verification activities performed on the data.
    • Horizon scan of medical technologies : Technologies with an expected impact on the organisation and expenditure of healthcare

      van der Maaden T; Dam-Deisz WDC; Vonk R; Weda M; Broek I van den; Broek I van den; EVG; GZB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-08)
      Medical technology is developing rapidly. Promising new technologies could offer benefits for the quality and organisation of healthcare. However, in practice innovations do not always fully match with medical and societal needs. Healthcare professionals, patients, health insurers, industry and the authorities all agree it is important to improve this. To achieve this, it is important that relevant stakeholders start to join forces already in early stages of development. This is a message from a 'horizon scan' of medical technologies performed by the RIVM at the request of the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sports. The 'horizon scan' identifies technologies with a potentially major impact on the society. eHealth, robotics to support care for the elderly, and the 3D printing of for example implants or of organ models to be used for the preparation of surgery, may offer major potential benefits. These technologies are expected to affect the organisation and costs of care, either in a positive or negative sense. The precise impact of these technologies is difficult to predict. Other technologies may also have major impact. Nanotechnology, for example, is considered a technology that enables other innovative developments, such as early diagnosis and treatment of cancer; personalised medicine (customized care) as a development that is enabled by promising medical technologies. In addition, non-medical technologies such as 'big data' and artificial intelligence can have major impact on healthcare. Bringing together stakeholders is the first, important, step to better connect technological possibilities with medical and societal needs. This may provide direction to developers of technology. It can also help healthcare organisations to take full advantage of promising medical technology.
    • Informative Inventory Report 2018 ; Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2016

      Dam-Deisz WDC; Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Dam-Deisz WDC; Hoen M 't; Dam-Deisz WDC; Koch WWR; Broek I van den; Molder RAB te; Broek I van den; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-09)
      Decrease in ammonia emissions; entire time series adjusted downwards. With a total 127.4 Gg in 2016, slightly more ammonia was emitted than in 2015 and the ceiling set by the European Union was met (128 kilotons). The increase in ammonia emissions was mainly caused by an increase in the number of dairy cows. This increase in emissions was partly countered by an increase in low-emission housing systems for pigs and poultry. The total ammonia emissions for the period between 1990 and 2015 have been adjusted downwards. This is because of new insights gained into several emission factors that have been used to calculate emissions. These new insights are: the new digestibility of feed (pasture, fodder and silage) for dairy cows causes lower total ammoniacal nitrogen (TAN) levels in the manure; the emission factor for the surface application of manure has decreased and different digestibilities are used for the periods cows spend in animal houses and grazing, respectively. However, this decrease in ammonia emission is partly countered by new insights into the emission factors from two low-emission manure application techniques. Decrease in nitrogen oxide emissions; yet the entire time series adjusted significantly upwards. Emissions of nitrogen oxides continue to decrease slightly; the Netherlands is, therefore, complying with the emission ceilings set in this regard. The total nitrogen oxides emissions for the period between 1990 and 2015 were adjusted significantly upwards by 29.2 Gg in 2015 as result of the new emission source crop residues applied to soil and the reallocation of the nitrogen oxide emissions from several (agricultural) sources, from the memo-category 11C to the agriculture sector. Emissions of sulphur dioxides and non-methane volatile organic compounds continue to decrease slightly; which means the Netherlands is complying with the emission ceilings set in this regard. Besides the substances mentioned above, the report also includes emissions of carbon monoxide, particulate matter, heavy metals and persistent organic pollutants. The emissions of most of these substances decreased during the 1990 - 2016 period. This downward trend may, especially, be attributed to cleaner fuels, cleaner car engines and to emission reductions in industry as a whole. This report is concluded by the Informative Inventory Report 2018, drawn up by RIVM and partner institutes, which collaborate to analyse and report emission data each year. This is obligatory for member states. The analyses are used to support Dutch policy.
    • Jaarrapportage 2016 : Luchtmeetnet IBP Hilversum

      Dam-Deisz WDC; MMK; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-10-30)
      De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren, en de concentratie PM2,5 gemeten op meetlocatie Hilversum voldoen in 2016 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor een locatie met veel verkeer en een zogeheten stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. Sinds de aanvang van de metingen in 2009 dalen de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide in lichte mate op de stations. Deze trend volgt de landelijke trend in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2016 zijn de daggemiddelde concentraties van PM10 op de twee stations onderling vrijwel gelijk. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het LML. De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk gedurende de dag. De hoogste waarden ontstaan tijdens de ochtendspits op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
    • Measuring the effect of Sustainable Public Procurement

      Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Valk E de; DMG; M&V; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-09)
      Many purchasing services of the Dutch local and central governments, aim to include the effects of products and services on human health and the environment in the procurement process. Sustainable procurement (SP) encompasses more than just price and quality considerations. SP can result, for example, in reduced greenhouse emissions and more reuse and recycling (circular economy). RIVM presents a method to calculate the effect of SP. The method is tested and illustrated by application to eight product groups: company cars, business trips, contract transport (e.g. for scholars), transport services (e.g. taxis), occupational clothing, electricity, solar panels and gas. Analyses of the procurement activities of the government in 2015 and 2016 concerning these product groups showed that SP had a positive effect. For example, it resulted in a reduction in greenhouse gas emission of more than 4.9 megaton CO2 during the contract period of the supplied products and services. This is equivalent to the average annual emissions from transport and energy of more than 600,000 households. Other benefits due to SP were reduction in the emission of toxic substances, more recycling and job opportunities for people with a distance to the labour market. At the same time, the RIVM analysis shows that SP is not always applied. Furthermore, the ambition with which SP is applied differs strongly between tenders. Applying SP does not guarantee effect because minimum demands are not always more stringent than what is available on average on the market. Furthermore, these demands and criteria are not always included in the final contracts. The analyses show that calculation of the effect of SP is already possible with basic data (such as driven distance and type of car) but often this is data is not currently available. Governments who would like more insight into the effect of their efforts to purchase in a sustainable way are recommended to administrate this data along the procurement process. Furthermore, for different product groups a database with generic information on the impact of products and materials over their entire life cycle is required. This way, possible trade-offs in the supply and consumption chain can be included.
    • Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste (Update 2017), as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register.

      Broek I van den; Dam-Deisz WDC; Broek I van den; Guis B; Broek I van den; Huet B van; Hunnik OR van; Berghe ACWM van den; DMO; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-09)
      As used by the Dutch PRTR for the reporting of greenhouse gas (GHG) emissions under UNFCCC, Kyoto Protocol, EU Monitoring Mechanism Regulation (MMR) and EU Effort Sharing Decision (ESD) and for international reporting obligations of other pollutants under CLRTAP and the NEC Directive.
    • Milieurisico's van fipronil in mest : Risicobeoordeling voor het toepassen van mest op bodem

      de Melker HE; Broek I van den; Broek I van den; Broek I van den; Dam-Deisz WDC; MSP; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-10-17)
      De stof fipronil, illegaal toegepast tegen bloedluis bij kippen, is giftig voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties. Het is dus van belang ervoor te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terechtkomt. Verbranding is daarom volgens het RIVM vanuit milieuhygiënisch oogpunt de meest geschikte methode om deze mest te verwerken. Het middel wordt hierdoor namelijk volledig afgebroken. Bij andere verwerkingsmethodes, zoals compostering of covergisting, is dat niet het geval omdat daarbij lagere temperaturen worden gebruikt. Ook de tijdelijke opslag van mest is geen oplossing aangezien fipronil slecht afbreekbaar is. Dit concludeert het RIVM uit onderzoek waarin is gekeken naar de milieurisico's van het gebruik van kippenmest met zeer lage concentraties fipronil. Bij het uitrijden van deze mest op het land worden de maximaal toelaatbare risiconiveaus hoogstwaarschijnlijk niet overschreden. Voor de toelating van meststoffen en binnen het bodembeleid wordt er echter naar gestreefd verontreinigingen niet boven concentraties te laten komen die een 'verwaarloosbaar risico' aanduiden. Het RIVM kan geen zekerheid geven dat dit verwaarloosbare risiconiveau niet wordt overschreden. De economische aspecten van de mestverwerking van met fipronil verontreinigde pluimveebedrijven zijn niet in dit onderzoek meegenomen. De resultaten van deze milieurisicobeoordeling kunnen als onderbouwing dienen voor de beleidsmatige besluitvorming door het ministerie van Economische Zaken.