• Effecten van verplaatsing van agrarische ammoniakemissies: verkenning op provinciaal niveau

      Heuberger PSC; Aben JMM; Pul WAJ van; Dam JD van; LLO; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-11-30)
      Atmospheric deposition of nitrogen is one of the most important threats to nature areas in the Netherlands. At a large scale the critical loads for nitrogen are exceeded to a great extend. Ammonia emissions from agricultural activities contribute over 50% to the nitrogen deposition in the Netherlands. For nature areas, this contribution can be even higher because agricultural areas are often situated close to nature areas. This offers special opportunities for (sub) national policy makers to reduce the large nitrogen loads at a local scale by relocating ammonia emissions. In this study the ammonia emissions are relocated in such a way that nature areas are maximally protected given a national emission ceiling. This is carried out by minimising the exceedances of the critical loads for nitrogen for the nature areas and taken into account the atmospheric deposition of nitrogen from other sources and countries. This optimisation is carried out at a spatial scale of 1x1 km2. For the ammonia emissions for 2010 (93 kton) an optimisation of the distribution of the emissions leads to a reduction in the accumulated exceedances of about 30-40%. The percentages of the nature areas that is protected against the atmospheric deposition of nitrogen increases from 30% to 40-50%. An outlook for 2030 shows that the reductions in the accumulated exceedances are 40-60% but that the percentage of protection is increased by only a few percent. The results are highly dependent on the assumptions made about the development of the agricultural practice. The effect of these relocations is used in the evaluation on whether local measures are effective compared to generic measures in reducing agricultural ammonia emissions.
    • Grootschalige luchtverontreiniging en depositie in de Nationale Milieuverkenning 5

      Eerens HC; Dam JD van; LLO (Beck JPDolmans JPul A vanSluyter RBCVelze K vanVissenberg HA, 2002-04-12)
      Het rapport geeft de achtergronden van hetgeen in het kader van de Nationale Milieuverkenningen Vijf is berekend met betrekking tot de ontwikkeling van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging in de periode 1900-2030 en effect indicatoren klimaatverandering 1950-2030 op Europese en Nationale schaal.
    • Grootschalige luchtverontreiniging en depositie in de Nationale Milieuverkenning 5

      Eerens HC; Dam JD van; Beck JP; Dolmans J; Pul A van; Sluyter RBC; Velze K van; Vissenberg HA; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-12)
      This report describes the methods, as used in the fifth National Environmental Outlook, to calculate acidification, eutrophication (1900-2030), transboundary air pollution (1980-2030) and effect indicators climate change (1950-2030)
    • Hergebruik van ijzer en staal in STREAM: een analyse van de verklarende variabelen achter de inzet van ijzer- en staalschroot

      Dam JD van; Elzenga HE; Smit JRK; LAE (1996-08-31)
      Teneinde de milieubelasting als gevolg van economische activiteiten te prognotiseren worden economische scenario's van het Centraal Planbureau (CPB) getransformeerd naar fysieke scenario's. Door koppeling van emissie- en energiefactoren aan de geprognotiseerde fysieke productie kunnen de te verwachten emissies en het energieverbruik worden berekend. Het CPB en het RIVM ontwikkelen gezamenlijk een model waarmee de economische scenario's beter dan met het voorgaande model 'TRAFO' kunnen worden omgerekend tot fysieke scenario's. Bij de ontwikkeling van STREAM (acroniem voor: Substance Throughput Relating to Economic Activity Model) is het RIVM verantwoordelijk voor de invulling van de aspecten 'hergebruik, substitutie en technologische ontwikkeling'. STREAM bestaat uit meerdere op de verwerking van grondstoffen georienteerde submodellen. Centraal in het onderzoek staat de vraag hoe hergebruik van ijzer en staal kan worden gemodelleerd. De inzet van ijzer- en staalschroot in het dominante staalproductieproces (oxystaalproces) kan afhankelijk worden gesteld van de productenpakket-samenstelling. Het blijkt dat bij de productie van lange producten (buizen, stalen profielen) relatief meer schroot wordt ingezet dan bij de productie van platte producten (blik, plaatstaal). De productenpakket-samenstelling kan vervolgens verklaard worden door de finale consumptie ten opzichte van het bruto binnenlands product. In de Nederlandse situatie is geen significante relatie aan te tonen tussen de inzet van ijzer- en staalschroot en de productenpakket-samenstelling. Voor Nederland is voor de vergelijking die de relatie schrootinzet ten opzichte van de totale productie beschrijft, gebruik gemaakt van een trendanalyse.
    • (Kosten-) Effectiviteit Generiek en Gebiedsgericht Ammoniakbeleid

      Pul WAJ van; Haan BJ de; Dam JD van; Eerdt MM van; Ruiter JF de; Hinsberg A van; Westhoek HJ; LDL; LED; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-11)
      The deposition of ammonia forms an important threat to the biodiversity of the nature areas in the Netherlands. Therefore, ammonia abatement measures are considered to be major policy instruments in national policy on nature and the environment in combating the overload of nitrogen deposition so as to realise better protection of the nature area. Besides this, the measures are necessary to comply with the emission goals set in international frameworks (UN ECE, EU). As agricultural activities may be closely located to nature areas, the introduction of buffer zones, in which economic expansion is restricted, is considered as a way to reduce the impact of the ammonia emissions. In this study, we overviewed the impact and costs of: a) the current ammonia abatement measures and the measures in pipeline and b) relocation of farms out of buffer zones. The generic abatement measures were shown to be, generally speaking, the more cost-effective way to attain deposition reductions for nature as a whole. Generic measures also have the largest potential for achieving deposition reductions. Although relocation of animal housings out of buffer zones is, in general, very expensive, in some local cases (where these housings dominate the deposition on a specific nature area), relocation is as cost-effective as some of the generic abatement measures.
    • Modellering van hergebruik van kunststof als bouwsteen voor STREAM

      Dam JD van; Blom WF; LAE (1998-05-31)
      Door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Planbureau (CPB) worden in samenwerking economische scenario's omgezet in fysieke scenario's. Hiervoor wordt het model STREAM (Substance Throughput Relating to Economic Activity Model) gebruikt. In deze studie wordt de herverwerking van kunststof gemodelleerd. Daarvoor zijn marginale kosten- en opbrengstencurven voor dit hergebruiksproces geconstrueerd. De resulterende netto-opbrengstenfunctie wordt in STREAM ingebouwd. Tevens worden de effecten van beleidsmaatregelen ter beinvloeding van de verwerkingswijze van kunststofafval geschat.
    • Schuiven op zand. Ex-ante evaluatie van de reconstructieplannen

      Wezel AP van; Franken ROG; Dam JD van; Loonen W; Cleij P; LDL; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-01)
      The 'Law on Reconstruction of the Concentration Areas' (2002) applies to the Dutch sandy areas where the concentration of intensive livestock is high. Goals expressed in this law are a reduction of veterinary risks and an increase in the quality of the environment and nature, including quality of landscape and water. To achieve these goals, the provinces have prepared reconstruction plans. Parties participating in their preparation do subscribe to them, which is an important success factor for implementation. The plans provide for spatial partitioning of land-use functions. The proposed zoning is small-scaled; however, this type of zoning can be made more effective by choosing larger areas. Realizing fewer small-scaled nature areas in the National Ecological Network is a precondition. The budget requested for realization of these plans is 7 billion euro for the 2004 - 2016 period, to be invested mainly in nature, water management and agriculture. Investments in agriculture are directed to scaling-up through transfer of over 400 intensive livestock farms and the establishment of specified areas for agricultural development. Outside incidental advantages at local level, farm transfer will not benefit the quality of nature and the environment. Reduction of veterinary risks, the political reason for the reconstruction, has been given little attention in the plans. Curative measures will be less necessary after the policy of non-vaccination has been abandoned, but preventive measures will still be needed. Measures anticipated for quantitative water management will contribute substantially to existing goals. Implementation of the plans will also contribute to the realization of new nature areas in the National Ecological Network. The reconstruction plans will not achieve a decrease in nutrient streams, and therefore not respond to the challenge of meeting environmental policy goals; the generic manure policy is expected to bring this about. However, as it is uncertain if the revised manure policy will succeed in realizing its goals, this is considered a risky projection. If nutrient streams remain, technology still to be proven will be needed to meet policy goals here.
    • Schuiven op zand. Ex-ante evaluatie van de reconstructieplannen

      Wezel AP van; Franken ROG; Dam JD van; Loonen W; Cleij P; LDL; RIM (2004-11-01)
      De 'Reconstructiewet concentratiegebieden' (2002) is van toepassing op de Nederlandse zandgebieden met intensieve veehouderij. Doelen zijn verduurzaming van de landbouw met vermindering van veterinaire risico's, kwaliteitsverbetering van natuur en landschap, en kwaliteits-verbetering van milieu en water. In het kader van deze wet zijn door provincies reconstructieplannen uitgebracht. Er is draagvlak voor deze plannen bij de partijen die betrokken zijn geweest bij de planvorming. Dit is een belangrijke succesfactor voor implementatie. De plannen voorzien in een ruimtelijke scheiding van functies. De voorgestelde zonering is kleinschalig, door een keuze voor grotere gebieden kan zonering effectiever zijn. Een randvoorwaarde hierbij is ontsnippering van de EHS. Het gevraagde budget in de plannen bedraagt 7 miljard euro voor 2004 tot 2016, en zal vooral ge6nvesteerd worden in natuur, waterbeheer en landbouw. De landbouwinvesteringen zijn vooral gericht op schaalvergroting, via bedrijfsverplaatsing van ruim 400 intensieve veehouderijbedrijven en de inrichting van landbouw-ontwikkelingsgebieden. Bedrijfsverplaatsingen hebben weinig meerwaarde voor de milieu- en natuurkwaliteit, behalve incidenteel op lokaal niveau. Vermindering van de veterinaire risico's, de politieke aanleiding tot de reconstructie, krijgt weinig aandacht in de reconstructieplannen. Curatieve maatregelen zijn minder noodzakelijk na verlaten van het non-vaccinatiebeleid, preventieve maatregelen blijven nodig. De voorziene investeringen in waterberging, beekherstel, en verdrogingsbestrijding kunnen aanzienlijk bijdragen aan het doelbereik voor kwantitatief waterbeheer van het 'Nationaal Bestuursakkoord Water'. Uitvoering van de reconstructie draagt bij aan de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Ondanks de grote milieubeleidopgave richt de reconstructie zich niet op vermindering van de nutrientenstromen; dit wordt verwacht van het generieke mestbeleid. Omdat het onzeker is of het nieuwe mestbeleid in deze doelstelling zal slagen, is dit een risicovolle oplossingsrichting. Bij gelijkblijvende omvang van de veestapel en nutrientenstromen is een zich nog te bewijzen inzet van technologie nodig, om te voldoen aan regelgeving.