• Aanbod van interventies gericht op het verbeteren van de voeding van ouderen

      van den Berg SW; de Bruin SR; Rompelberg CJM; Boer JMA; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-08-26)
      Het RIVM heeft geïnventariseerd welke interventies vanuit bijvoorbeeld de GGD en zorginstellingen bevorderen dat ouderen goed eten. Daaruit blijkt dat het aanbod beperkt is. De inventarisatie laat verder zien dat het aanbod niet goed aansluit bij de praktische problemen die ouderen kunnen ervaren, bijvoorbeeld bij het boodschappen doen of bereiden van de maaltijd. De interventies zijn er vooral op gericht om ziekten bij zelfstandig wonende ouderen te voorkomen, bijvoorbeeld door voorlichting over gezonde voeding. Twee derde van alle 65- plussers heeft echter al één of meer chronische ziekten. Naast de genoemde interventies bestaan er ook maatschappelijke initiatieven die praktische ondersteuning bieden, zoals de boodschappenbus die ouderen naar een supermarkt rijdt. Deze initiatieven zijn niet in dit onderzoek meegenomen. Wel zijn er aanwijzingen dat deze voorzieningen niet goed bekend zijn, bij de ouderen zelf maar ook bij zorgverleners, mantelzorgers en gemeentes. Aanbevolen wordt om de interventies en maatschappelijke initiatieven die in de praktijk succesvol lijken, te onderzoeken op effectiviteit, zichtbaar te maken en te promoten. Het ministerie van VWS kan dit faciliteren. Gemeenten, zorgverleners en ouderen zelf kunnen de resultaten van dit onderzoek onder andere aangrijpen om inzicht te krijgen in het aanbod. Het is van belang dat ouderen goed eten, omdat dit kan bijdragen aan hun gezondheid en functioneren, en daarmee aan hun kwaliteit van leven. Door te weinig of ongezond te eten kunnen ouderen ondervoed raken. Hierdoor kunnen ze minder fit of mobiel zijn, en vatbaarder voor ziekten. Van de thuiswonende ouderen is 12 procent ondervoed. Van de ouderen die van de thuiszorg gebruikmaken is 35 procent dat. Vanwege het overheidsbeleid om ouderen langer thuis te laten wonen is het extra van belang dat ouderen zelfredzaam blijven.
    • Drijvende krachten van de voedselconsumptie en het voedselaanbod : Achtergrondrapport bij 'Wat ligt er op ons bord? Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland.'

      Zantinge EM; van Bakel AM; van Loon AJM; Ocke MC; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      Dit rapport is het resultaat van een literatuuronderzoek naar drijvende krachten, ofwel maatschappelijke ontwikkelingen en trends, die invloed hebben op de voedselconsumptie en het voedselaanbod. De meeste krachten spelen zowel in Nederland als mondiaal een rol. De drijvende krachten kunnen ingedeeld worden over demografische, economische, sociaal-culturele, technologische, ecologische en politieke factoren (DESTEP). De drijvende krachten vormen belangrijke input voor het interpreteren van de veranderingen in de Nederlandse voedselconsumptie en het verkennen van de toekomstige voedselconsumptie. De belangrijkste drijvende krachten zijn de groei van de wereldbevolking, klimaatverandering, globalisering, stijgende welvaart, stijgende voedselprijzen en technologische innovaties. - De groei van de wereldbevolking leidt wereldwijd tot een grotere vraag naar voedsel. Dit kan leiden tot de uitputting van de hulpbronnen, vooral in ontwikkelingslanden, waardoor de voedselproductie in gevaar komt. - De verandering van het klimaat bepaalt waar en wanneer ons voedsel verbouwd kan worden. De gevolgen van de klimaatverandering zijn ook merkbaar in Nederland, maar in overige delen van de wereld zal het nog meer effect hebben. Klimaatverandering heeft ook effect op migratie. Door migratie zal de competitie voor voedsel en water toenemen. - Door globalisering is het aanbod sterk uitgebreid. Door fusies en machtsconcentraties wordt het aanbod steeds meer bepaald door een steeds kleinere groep internationale bedrijven. - Door de stijgende welvaart mondiaal neemt de vraag naar vlees en zuivel in hoog tempo toe. De consumptie van dierlijk eiwit (vooral vlees) leidt tot meer uitputting van de aarde dan de consumptie van plantaardig eiwit. - De verwachting is dat de voedselprijzen in de toekomst zullen stijgen. De welvaart in een land bepaalt hoeveel mensen bereid zijn te betalen voor voedsel. Binnen Nederland zullen er groepen zijn die moeite hebben om deze hogere prijzen te kunnen blijven betalen. Dit is bepalend voor hun voedingspatroon.- Bij technologische innovaties gaat het bijvoorbeeld om nieuwe voedingsbronnen (zoals algen of insecten), bestrijdingsmiddelen, wijzen van transport, toevoegingen en bereidingswijzen. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Food consumption in the Netherlands and its determinants : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands.'

      Geurts M; van Bakel AM; van Rossum CTM; de Boer E; Ocke MC; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      Het Nederlandse voedingspatroon en de determinanten daarvan Dagelijks eet een gemiddelde Nederlander 1 kilo en drinkt hij of zij 2 liter, verdeeld over ontbijt, lunch en diner, en 4 tussendoormomenten. Per persoon consumeren we gemiddeld zo'n 350 gram zuivel, 100 gram vlees(producten), 125 gram groente en 125 gram fruit en noten per dag. Vanaf de jaren 50 tot de jaren negentig is de vleesconsumptie toegenomen. Sinds de jaren negentig is de vleesconsumptie licht gedaald, maar nog steeds hoger dan in de jaren vijftig. Nu is ruim een kwart van het eten en 10% van het drinken van dierlijke oorsprong. Het RIVM heeft de voedselconsumptie, en factoren die de voedselconsumptie beïnvloeden in kaart gebracht. In de laatste decennia, is het aantal verschillende voedingsmiddelen toegenomen, komen voedingsmiddelen uit de hele wereld, eten we meer bewerkt voedsel en minder basisvoedingsmiddelen. We kopen voedingsmiddelen vaker in supermarkten en besteden minder tijd aan voedselbereiding. Er zijn kleine maar groeiende groepen consumenten die bewust kiezen om gezond of duurzaam te eten. Consumenten maken de meeste voedselkeuzes gebaseerd op routine en gewoonte. Kennis en motivatie spelen een relatief kleine rol bij voedselkeuze. Bij de motivatie om veilig, gezond en duurzaam te eten, gaat de consument bovendien uit van de eigen perceptie, die niet altijd overeen komt met de wetenschappelijke consensus. Naast gewoonten, kennis en motivatie, spelen de sociale en fysieke omgeving een rol. Het alom en altijd aanwezige voedselaanbod in de directe omgeving is sterk bepalend voor de voedselkeuze. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Health aspects of the Dutch diet : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands

      Boer JMA; Buurma-Rethans EJM; Broek I van den; van Kranen HJ; Milder IEJ; Ocke MC; Verkaik-Kloosterman J; van Raaij J; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      De gezondheid van de Nederlandse bevolking kan aanzienlijk verbeteren als mensen gezonder eten. Als iedereen voldoende groente, fruit, vis, en niet te veel verzadigde vetzuren eet, kan de gemiddelde levensverwachting met ongeveer een half jaar toenemen. Als iedereen een gezond gewicht zou hebben, zou eenzelfde gezondheidswinst te behalen zijn. Nederlanders eten echter niet optimaal en slechts een klein deel van de bevolking eet volgens de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad uit 2015. Zo haalt ongeveer 10 procent van de 19-50 jarigen de richtlijn om 200 gram groente per dag te eten en ongeveer 8 procent de richtlijn van 200 gram fruit. Ook heeft 54 procent van de mannen en 46 procent van de vrouwen overgewicht. Dit percentage was 10 jaar geleden lager. Een gezond voedingspatroon vermindert het risico op overgewicht en chronische ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en sommige soorten kanker. Met verschillende initiatieven worden Nederlanders gestimuleerd om gezonder te eten. De focus daarvan is dat het consumenten gemakkelijker wordt gemaakt om voor gezonde producten te kiezen. Zo heeft de levensmiddelenindustrie diverse programma's uitgevoerd om de samenstelling van hun producten te verbeteren. Ook hebben programma's en richtlijnen ervoor gezorgd dat het aanbod van voedsel in school, sport- en bedrijfskantines is verbeterd, alleen is dat nog niet overal het geval. Een ander voorbeeld is de ruim honderd zogeheten JOGG-gemeenten (Jongeren Op Gezond Gewicht). Hierin werken gemeenten samen met verschillende partners (scholen, winkels, enzovoort) om kinderen te laten opgroeien in een omgeving waarin 'de gezonde keuze' de normaalste zaak van de wereld is. Daarnaast geeft het Voedingscentrum consumenten wetenschappelijk onderbouwde en onafhankelijke informatie over gezonde voeding, bijvoorbeeld via de Schijf van Vijf. Ook bieden zij hulpmiddelen voor persoonlijk voedingsadvies, zoals de eetmeter. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven
    • Health Impact Assessment Vitaliteitpakket : Potentieel kwetsbare groepen

      Busch MCM; Storm I; Uiters AH; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-19)
      Duurzaam inzetbaarheidsbeleid is erop gericht werknemers gezond en productief aan het werk te houden. Specifieke aandacht hierbij voor potentieel kwetsbare groepen kan mogelijk positief bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid van deze groepen. Zo profiteren chronisch zieken, ouderen, laaggeschoolden, zzp'ers en mantelzorgers mogelijk minder van werkgerelateerde scholingsmaatregelen gericht op het bevorderen van duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Dit komt naar voren in een Health Impact Assessment (HIA) van een aantal maatregelen op het terrein van duurzame inzetbaarheid die is uitgevoerd door het RIVM. De HIA was gericht op het in kaart brengen van mogelijke gezondheidseffecten van een aantal maatregelen die genoemd worden in het Vitaliteitspakket. De nadruk van deze HIA lag op het effect van scholingsmaatregelen. Hierbij was speciaal aandacht voor het identificeren van potentieel kwetsbare groepen. De omvang van deze groepen en hun potentiële kwetsbaarheid is afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt. Deze definities bleken in de literatuur niet altijd overeen te komen. In het duurzame inzetbaarheidsbeleid van het ministerie van SZW is al specifieke aandacht voor 55-plussers. Deze HIA laat zien dat het daarnaast zinvol is om, bijvoorbeeld met betrekking tot scholingsmaatregelen, specifiek aandacht te besteden aan laaggeschoolden, chronisch zieken, zzpers/ flexwerkers en mantelzorgers. In aanvulling op de geformuleerde aanbevelingen per groep liggen belangrijke algemene aanbevelingen op het terrein van: gedeelde verantwoordelijkheid, integrale aanpak, multidisciplinaire samenwerking, maatwerk, lange termijn planning en strategisch personeelsbeleid.
    • How safe is our food? : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands'

      Mengelers M; de Wit L; Boon PE; Franz E; Bouwknegt M; de Jonge R; Bulder A; Havelaar A; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      Over het algemeen is voedsel in Nederland veilig. De veiligheid kan echter worden bedreigd door microbiologische besmetting en schadelijke chemische stoffen. Het RIVM heeft de huidige stand van zaken beschreven over de voedselveiligheid in Nederland en de maatregelen die nodig zijn om het hoge niveau te handhaven. Voedselinfecties zijn niet volledig te vermijden. Dat komt doordat levensmiddelen op diverse momenten in de productieketen, van grondstof tot en met bereiding, besmet kunnen raken met ziekteverwekkers. Voedselinfecties worden meestal veroorzaakt door bacteriën (zoals Salmonella en Campylobacter), virussen (zoals het norovirus) en parasieten (zoals Toxoplasma). Deze ziekteverwekkers kunnen worden gevonden in rauwe (of niet goed verhitte) dierlijke en plantaardige producten. Maar ook mensen die betrokken zijn bij de productie van ons voedsel kunnen door onvoldoende hygiëne een besmetting veroorzaken. Jaarlijks worden ongeveer 700.000 mensen ziek door een voedselinfectie; dit is gelijk aan 1 op de 24 personen. De belangrijkste veroorzakers zijn het norovirus (dat vooral op vis en schelpdieren wordt gevonden), Campylobacter (op kip) en Salmonella (in ei). De meeste infecties beperken zich tot relatief milde, kortdurende maag- darmklachten. Ze kunnen soms ook chronische gezondheidsklachten veroorzaken, zoals gewrichtsontsteking en het prikkelbare darm syndroom. De blootstelling van de consument aan chemische stoffen die de overheid voor het voedselproductieproces toestaat, zoals additieven ('E- nummers') en gewasbeschermingsmiddelen, is zo laag dat er geen risico voor de volksgezondheid is. Voor sommige stoffen die als verontreiniging in ons voedsel voorkomen (vanuit het milieu, door verwerking of bereiding) geldt dat de inname van een deel van de consumenten hoger is dan wat als veilig wordt geadviseerd. Het gaat hier voor kinderen en volwassenen om drie schimmelgifstoffen (mycotoxinen) en acrylamide, en voor 2-6 jarigen ook om de zware metalen cadmium en lood. Het gaat hierbij niet om de gemiddelde inname, maar om volwassenen en kinderen met een hoge inname. Als de blootstelling aan deze stoffen langdurig te hoog is kunnen ze schadelijk zijn voor de gezondheid. Producenten van voedingsmiddelen zijn via diverse nationale en Europese wetten verplicht preventieve maatregelen te nemen om te voorkomen of te beperken dat ziekteverwekkers of chemische stoffen in hun producten zitten. Voor ziekteverwekkers in grondstoffen en eindproducten zijn criteria opgesteld. Voor chemische stoffen gelden productnormen. Op de naleving van deze criteria en productnormen wordt in Nederland door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toegezien. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Kalium inname: risico van hyperkaliëmie? : Overzicht van beschikbare gegevens in Nederland

      Hendriksen M; van Rossum C; van der A D; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-20)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-07-2015 op de laatste pagina Kalium heeft een gunstig effect op de bloeddruk omdat het het bloeddrukverhogende effect van natrium (NaCl, 'keukenzout') tegenwerkt. Belangrijke bronnen van kalium zijn groente en fruit, aardappelen en vlees. Het is vrijwel onmogelijk om via voeding te veel kalium binnen te krijgen. Bij gezonde personen wordt bijna al het ingenomen kalium weer uitgescheiden via de nieren. De belangrijkste groep mensen die een risico kan lopen op een verhoogd kaliumgehalte in het bloed (hyperkaliëmie) zijn patiënten met ernstige nierschade. Zij zijn gebonden aan een kaliumbeperkt dieet. Ernstige hyperkaliëmie kan voor iedereen levensbedreigend zijn doordat hartritmestoornissen, een acute hartstilstand of spierverlammingen kunnen optreden. Andere groepen zouden mogelijk risico kunnen lopen op hyperkaliëmie door een combinatie van factoren. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die niet weten dat ze een verstoorde nierfunctie hebben, en daarnaast veel kalium via supplementen binnenkrijgen of tegelijkertijd bepaalde medicijnen gebruiken, zoals ACE-remmers (tegen hartklachten) of kaliumsparende diuretica ('plaspillen'). Hoe groot dit risico is tegen de achtergrond van de huidige kaliuminname in Nederland, is nu niet te zeggen. Hiervoor is verder onderzoek nodig. Dit blijkt uit een eerste inventarisatie van het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS. Hierin zijn beschikbare gegevens over de kaliuminname in Nederland en de potentiële risicogroepen voor hyperkaliëmie in kaart gebracht. De Gezondheidsraad (GR) bereidt momenteel een nieuw advies Richtlijnen Goede Voeding voor en kan deze informatie daarvoor gebruiken. Aanleiding voor dit onderzoek is dat Nederlanders te veel zout binnenkrijgen. Gestimuleerd door het Nederlandse beleid om dit te verbeteren heeft de voedingsmiddelenindustrie aangegeven de hoeveelheid zout in de vorm van natriumchloride in producten te verlagen. Dit zou het risico op hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten verkleinen. Een methode om het zoutgehalte in producten te verlagen is het gebruik van zoutvervangers, zoals kaliumchloride.
    • Voeding en ADHD : Eindrapportage en aanbevelingen voor vervolgonderzoek

      van den Berg SW; Boer JMA; Verhagen H; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-05)
      Het is op dit moment onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd of er een verband is tussen voeding en ADHD. Daardoor kunnen er geen concrete voedingsadviezen worden gegeven om symptomen van ADHD te verminderen. Deze conclusie is gebaseerd op enkele onderzoeksactiviteiten die het RIVM in opdracht van het Ministerie van VWS in de afgelopen vier jaar heeft uitgevoerd op dit terrein. Het RIVM beveelt gedegen wetenschappelijk onderzoek aan dat antwoord kan geven op de vraag of met voeding daadwerkelijk ADHDsymptomen te beïnvloeden zijn. Hiervoor worden suggesties gedaan. Deze onderzoeksactiviteiten zijn uitgevoerd vanwege aanwijzingen uit het veld dat er een relatie zou zijn tussen ADHD en voeding, vooral bij diëten waarin bepaalde voedingsmiddelen worden vermeden. Mocht dit verband er daadwerkelijk zijn, dan kunnen voedingsadviezen eraan bijdragen dat kinderen minder ADHD-medicatie hoeven te gebruiken. Aanbevelingen vervolgonderzoek In vervolgonderzoek is het van belang dat kinderen en hun ouders niet mogen weten of ze een ADHD-dieet volgen of een placebo-dieet. Hiermee wordt voorkomen dat ouders van kinderen met een ADHD-dieet het gedrag van hun kinderen positiever beoordelen dan ouders van kinderen uit een controlegroep. Daarnaast moet uitgesloten worden dat een eventueel effect wordt veroorzaakt door andere veranderingen dan die in voeding die tijdens het onderzoek plaatsvinden. Zo kunnen kinderen gedurende het onderzoek meer structuur in hun eetgedrag of meer aandacht krijgen. Ook is het belangrijk om te weten in hoeverre de groep kinderen met ADHD die deelneemt aan het onderzoek een representatieve afspiegeling is van alle kinderen met ADHD.
    • Weerbaarheid en gezond gedrag : Een inventarisatie van interventies voor de jeugd

      Wijga AH; van den Berg M; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-29)
      "Jongeren weerbaar maken zodat ze om leren gaan met verleidingen uit het dagelijkse leven" - dat is een van de speerpunten die het kabinet heeft geformuleerd in de Landelijke nota Gezondheidsbeleid van mei 2011. Bijna de helft van alle interventies die zijn bedoeld om de leefstijl van jongeren te verbeteren bevat handvatten om weerbaarheid te versterken. Dit blijkt uit een inventarisatie van leefstijlinterventies die het RIVM uitvoerde in opdracht van het ministerie van VWS. Hiervoor zijn met behulp van de interventiedatabase van het RIVM Centrum Gezond Leven (CGL) 53 interventies geïdentificeerd die erop gericht zijn een gezonde leefstijl te bevorderen en als 'goed onderbouwd' of 'effectief' zijn beoordeeld. De thema's zijn: alcohol, drugs, lichamelijke activiteit/bewegen, overgewicht, roken, seksualiteit en voeding. In 22 van deze 53 leefstijlinterventies is de versterking van de weerbaarheid onderdeel van de interventie. De aandacht voor weerbaarheid verschilt per onderwerp. Versterking van weerbaarheid maakt deel uit van vrijwel alle interventies die gericht zijn op seksueel gedrag. Van de interventies die zijn gericht op het gebruik van alcohol, tabak en drugs bevat tweederde een onderdeel weerbaarheid. In de meeste interventies gericht op voeding, overgewicht of lichamelijke activiteit/bewegen, is weerbaarheid geen thema. Van de meeste leefstijlinterventies, is de effectiviteit (nog) niet bekend. Het is daardoor moeilijk te beoordelen of de effectiviteit van de interventie groter is als er aandacht aan weerbaarheid wordt besteed. Aanbevolen wordt om nader onderzoek te doen naar de samenhang tussen weerbaarheid en leefstijl bij de Nederlandse jeugd.