• Bestrijding van inheemse muggen in Nederland : Mogelijkheden en uitdagingen

      Braks MAH; Stroo CJ; D&V; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, 2016-03-30)
      Wereldwijd vormen muggen die ziekteverwekkers overbrengen, zoals de malariaparasiet, het denguevirus en het West-Nijl-virus, een groot probleem. In Nederland is dat nog niet aan de orde. Wel komen er soorten voor die onder bepaalde omstandigheden in staat zijn ziekteverwekkers over te dragen. Vanwege uitbraken in andere Europese landen wil Nederland goed voorbereid zijn. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met het Centrum Monitoring Vectoren beschreven welke situaties risicovol kunnen zijn en hoe de muggen dan het beste kunnen worden bestreden. In enkele scenario's is uitgewerkt wat de bestrijding inhoudt en hoe en door wie die moet worden geregeld. Op basis van dit document gaan de overheid, belangenorganisaties en het publiek met elkaar in gesprek hoe situaties het beste kunnen worden aangepakt en wie waarvoor verantwoordelijk is. Muggen zijn nodig voor de overdracht van specifieke ziekteverwekkers. Voor een effectieve bestrijding is het nodig te 'snappen' welke factoren eraan bijdragen dat ziekteverwekkers via muggen op mensen en dieren worden overgedragen. Ten eerste moet duidelijk zijn welke mug welke ziekten kan overdragen. Ten tweede moet de desbetreffende mug in redelijk grote aantallen in Nederland aanwezig zijn. Ten derde moeten ze een ziekteverwekker ergens kunnen oppikken, bijvoorbeeld bij iemand die de ziekte doormaakt of een dier dat het bij zich draagt, om het daarna over te kunnen dragen. Er is dus niet per definitie sprake van een risico als bepaalde muggen die een exotische ziekte kunnen overdragen in Nederland zijn. Een ziekteverwekker die via muggen overdraagbaar is, kan in Nederland worden geïntroduceerd via bijvoorbeeld reizigers of dieren. In dat geval is het belangrijk te weten hoe het aantal muggen dat de ziekte kan verspreiden, kan worden beperkt. Daarnaast blijft het belangrijk dat mensen en dieren zichzelf tegen muggenbeten kunnen beschermen.
    • Staat van zoönosen 2012

      Graveland H; Roest HJ; Stenvers O; Valkenburgh S; Friesema I; van der Giessen J; Maassen K; D&V; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-03)
      De 'Staat van zoönosen 2012' geeft een overzicht van de mate waarin diverse zoönosen in het verslagjaar voorkomen, gecombineerd met de langetermijntrends. Daarnaast bevat het verslag enkele opmerkelijke voorvallen uit 2012. Het jaarlijkse thema is deze keer de zoönosen die in Nederland voorkomen bij dieren die in het wild leven (wildlife zoönosen). Opmerkelijke voorvallen zoönosen uitgelicht Net als in voorgaande jaren vertonen de trends geen uitgesproken ontwikkelingen. Wel waren er in 2012 een aantal opmerkelijke voorvallen, zoals de uitbraak van Salmonella Thompson via besmette gerookte zalm, een uitbraak van papegaaienziekte (psittacose) in een vogelopvang in Rotterdam, en de import van een jonge hond uit Marokko met hondsdolheid (rabiës). Opvallend is ook Clostridium difficile, een bacterie die zowel mensen als dieren ziek kan maken, wat zich voornamelijk uit in diarree. Een bepaald type Clostridium difficile (ribotype 078) komt met toenemende mate voor bij varkens en vormt hiermee mogelijk een zoönotisch risico voor mensen. Ook wordt de stand van zaken weergegeven van het onderzoek naar Chlamydia abortus, een bacterie die bij kleine herkauwers en incidenteel bij zwangere vrouwen abortus veroorzaakt. Hoewel Chlamydia abortus in Nederland veel voorkomt onder melkschapen en melkgeiten, is op dit moment het risico voor de algemene volksgezondheid verwaarloosbaar. Mensen die in direct contact met besmette dieren komen, zoals specifieke beroepsgroepen (mensen die bijvoorbeeld op een boerderij of in een slachthuis werken), lopen echter wel een risico. Thema: wildlife zoönosen Voor dit thema is gekozen omdat wild wereldwijd een belangrijke bron blijkt voor (opkomende) zoönosen. Meer dan 70 procent van de (opkomende) zoönosen in de wereld is afkomstig van wilde dieren en zij kunnen een significante en toenemende bedreiging van de volksgezondheid vormen. Monitoring en surveillance van zoönotische ziekteverwekkers bij wild is daarom een belangrijk instrument om (opkomende) zoönosen snel te kunnen identificeren en maatregelen te treffen. Het themahoofdstuk geeft een overzicht van de diverse onderzoeken die momenteel naar wildlife zoönosen worden uitgevoerd. Er wordt ingegaan op een aantal specifieke zoönotische risico's die wilde dieren in Nederland met zich mee kunnen brengen, zoals de vossenlintworm bij vossen en Trichinella bij wilde zwijnen.
    • Staat van zoönosen 2013

      Zomer TP; De Rosa M; Stenvers O; Valkenburgh S; Roest HJ; Friesema IHM; Maas M; van der Giessen JWB; van Pelt W; Maassen K; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-02)
      De Staat van zoönosen 2013 geeft een overzicht van de mate waarin zoönosen in Nederland voorkomen en ontwikkelingen daarin op de lange termijn. Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens overgaan. Net als in voorgaande jaren waren er in 2013 geen uitgesproken veranderingen te zien in de mate waarin zoönosen in Nederland voorkomen. Zoals ieder jaar deden zich ook in 2013 enkele opmerkelijke voorvallen voor, zoals een geval van hazenpest. In deze jaarlijkse uitgave van het RIVM en de NVWA is het thema 'huis-, tuin- en keukenzoönosen': zoönosen die mensen kunnen oplopen in en om het huis. Opmerkelijke voorvallen Bij een haas afkomstig uit Noord-Limburg werd in mei 2013 hazenpest (tularemie) vastgesteld. Vervolgens werd ook bij een jongeman tularemie vastgesteld, die de infectie waarschijnlijk via een dazenbeet in een natuurgebied in Limburg had opgelopen. In 2011 is er mogelijk ook een in Nederland opgelopen geval van tularemie geweest, terwijl in de jaren daarvoor alleen sporadisch gevallen gemeld werden die in het buitenland waren opgelopen. Een andere opmerkelijke gebeurtenis betrof een uitbraak van Campylobacter onder bezoekers van een pluimveeslachthuis die waarschijnlijk via de lucht aan de ziekteverwekker waren blootgesteld. Negen mensen werden ziek. Ook blijkt uit een onderzoek naar de vossenlintworm (Echinococcus multilocularis) onder vossen en honden, dat deze lintworm bij vossen in Zuid-Limburg veel vaker voorkomt dan in voorgaande jaren. Thema: huis-, tuin- en keukenzoönosen Juist in en om het huis kunnen mensen worden blootgesteld aan allerlei zoönoseverwekkers. Duizenden mensen krijgen jaarlijks via hun huisdieren ringworm, een schimmelinfectie. Ook kunnen zoönosen afkomstig zijn van huisdieren of dieren die hun behoefte doen in de tuin. Verder komen voedselgerelateerde zoönosen aan de orde, waarbij aandacht is voor het feit dat zoönosen ook via groenten kunnen worden opgelopen.
    • Staat van Zoönosen 2014

      Zomer T; Kramer T; Sikkema R; de Rosa M; Valkenburgh T; Friesema I; Roest HJ; van der Giessen J; van den Kerkhof H; Kortbeek T; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-03)
      De Staat van zoönosen geeft jaarlijks een overzicht van infectieziekten die overgaan van dier op mens, de zogenoemde zoönosen. Het gaat om de mate waarin meldingsplichtige zoönosen voorkomen en de ontwikkelingen daarvan op de lange termijn. Hierbij betreft het zowel het aantal ziektegevallen bij mensen als het voorkomen van deze ziekteverwekkers bij dieren. Ook worden elk jaar opmerkelijke voorvallen uitgelicht en wordt een thema behandeld. Voor de meeste zoönosen zijn in 2014 geen uitgesproken veranderingen waargenomen. Wel is het aantal mensen met leptospirose (waarvan de bekendste vorm de ziekte van Weil is) aanmerkelijk hoger dan het vorige jaar, van gemiddeld 30 gevallen in de afgelopen jaren naar 97 in 2014. Ook steeg het aantal Hantavirusinfecties (van gemiddeld 13 in de voorgaande jaren naar 36 in 2014). UItgelicht Een opmerkelijke gebeurtenis in 2014 is dat twee patiënten in een ziekenhuis zijn opgenomen met een ernstige longontsteking na een infectie met Chlamydia caviae. Beide patiënten bleken thuis cavia's te houden die een luchtweginfectie hadden doorgemaakt. Verder was er sinds 2003 weer een uitbraak van vogelgriep bij pluimveebedrijven veroorzaakt door een hoogpathogeen virus. Hierbij zijn vier van de vijf besmette bedrijven onafhankelijk van elkaar besmet geraakt. Het virus was vermoedelijk afkomstig van trekkende watervogels. Het is onbekend of dit virustype overdraagbaar is op de mens; wereldwijd zijn daar geen gevallen van bekend. Vogels Het thema van dit jaar is 'Onze gevleugelde vrienden' en gaat over zoönosen die via vogels kunnen worden overgebracht, zoals de papegaaienziekte. Hierbij wordt onder andere beschreven op welke vliegroutes van trekvogels gezamenlijke broed- en voederplaatsen liggen waar ze elkaar kunnen treffen en zoönoseverwekkers aan elkaar zouden kunnen overdragen.
    • Staat van Zoönosen 2015

      Uiterwijk M; De Rosa M; Friesema I; Valkenburgh S; Roest HJ; van Pelt W; van den Kerkhof H; van der Giessen J; Maassen K; D&V; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-02)
      Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. De zoönosen die voor Nederland van belang zijn, worden jaarlijks in de Staat van Zoönosen op een rij gezet, in dit geval over het jaar 2015. Hierbij is onder andere uitgewerkt in welke mate meldingsplichtige zoönosen voorkomen bij dieren en bij mensen. Trends In 2015 zijn er geen opmerkelijke veranderingen voor de meeste zoönosen waargenomen. Wel zetten de eerder gemelde stijging van het aantal mensen met leptospirose (waarvan de bekendste vorm de ziekte van Weil is) zich voort. De bacteriële infecties die via voedsel worden overgedragen (Campylobacter, Listeria monocytogenes, Salmonella, STEC) vormen ook in 2015 het grootste aandeel van de zoönotische infecties. Uitgelicht Bij een aantal deelnemers van een zogeheten mud run (modderloop) in Nederland is leptospirose vastgesteld. Deze ziekte komt de afgelopen jaren in West-Europa vaker voor. Dit hangt mogelijk samen met de milde winters en natte zomers. Verder is in 2015 een opmerkelijke stijging gemeld van het aantal cavia's met huidschimmels waarmee ook mensen (vooral kinderen) geïnfecteerd kunnen raken. Het voeren van rauw vlees en organen aan honden en katten is in opkomst. Omdat de dieren besmet kunnen raken met parasieten en bacteriën zoals Salmonella, wordt aangeraden om pups geen rauw vlees en organen te voeren. De boer op! Nevenactiviteiten op de boerderij Het aantal boeren dat 'er iets bij doet' op de boerderij neemt sterk toe. Voorbeelden van deze nevenactiviteiten zijn zorgboerderijen, kinderboerderijen, agrotoerisme, zelfzuivelaars met winkel, boeren met melktappunten en agrarische kinderdagopvang. De sector heeft enkele maatregelen genomen om de risico's van een besmetting met zoönosen te beperken. Voorbeelden zijn keurmerken voor optimale hygiëne, het aanleggen van plekken om de handen te wassen en het advies voor zwangere vrouwen om uit de buurt te blijven van schapen en geiten die net hebben gelammerd.
    • Staat van Zoönosen 2016

      Broek I van den; Broek I van den; Valkenburgh S; Holtslag M; Broek I van den; van den Kerkhof H; van der Giessen J; Kortbeek T; Nijsse R; Maassen K; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-11-23)
      Zoönosen zijn infecties die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen. De zoönosen die voor Nederland van belang zijn, worden elk jaar op een rij gezet in de Staat van Zoönosen. Hierin wordt onder andere bekeken in welke mate meldingsplichtige zoönosen voorkomen bij mensen en dieren. Trends In 2016 zijn er voor de meeste zoönosen geen opmerkelijke veranderingen waargenomen. Het grootste aandeel van de zoönotische infecties vormden ook in 2016 de bacteriële infecties die via voedsel overgedragen worden: Campylobacter, Listeria monocytogenes, Salmonella en STEC. Wel is het aantal gevallen van leptospirose nog steeds hoog te noemen, hoewel het lager was dan in 2015. Ook was het aantal patiënten met een hantavirus-infectie in 2016 opvallend hoog, en werd in 2016 voor het eerst een infectie aangetoond met een voor Nederland nieuw type hantavirus, namelijk het Seoul hantavirus. Uitgelicht Bij honden in Nederland is in 2016 voor het eerst brucellose vastgesteld, veroorzaakt door de bacteriën B. suis en B. canis. Ook beschrijft de Staat de recente ontwikkelingen omtrent meticilline resistente Staphyloccus aureus (MRSA), en dan vooral de vee-gerelateerde MRSA. Opvallend is dat deze voor bepaalde antibiotica resistente bacteriën sinds kort ook voorkomen bij mensen die geen contact hebben gehad met landbouwhuisdieren. Knaagdieren & Zoönosen Knaagdieren, wilde en huisdieren, kunnen diverse zoönosen bij zich dragen, zoals leptospirose, hantavirus en Lyme. Deze kunnen op uiteenlopende manieren op de mens worden overgedragen. Ratten bijvoorbeeld plassen de leptospira-bacteriën uit in het water waar mensen in gaan zwemmen. Teken halen Lyme bacteriën uit muizen en bijten daarna mensen. En muizen plassen het hantavirus uit in de schuur, waar iemand het kan oplopen als hij de schuur gaat vegen.
    • Surveillance zoönosen in de melkgeiten- en melkschapenhouderij in 2016

      Opsteegh M; van Roon A; Wit B; Hagen-Lenselink R; van Duijkeren E; Dierikx C; Hengeveld P; Franz E; Bouw E; van der Meij A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-14)
      Dieren kunnen verwekkers van ziekten bij zich dragen die op mensen kunnen worden overgebracht (zoönosen). In 2016 hebben het RIVM en de NVWA onderzocht of melkgeiten en melkschapen zulke ziekteverwekkers bij zich dragen; soms is dat ook bij veehouders, gezinsleden en medewerkers gedaan. Deze ziekteverwekkers veroorzaken meestal diarree maar soms kunnen de infecties ook ernstiger verlopen. Uit het onderzoek blijkt dat een paar ziekteverwekkers vaak op melkgeiten- en melkschapenbedrijven voorkomen. De gevonden bacteriën zitten in de darmen van de dieren en komen zo in de mest terecht. Een kleine hoeveelheid mest kan rauw te drinken melk of rauwmelkse kaas al besmetten. Daarnaast kunnen bezoekers van deze bedrijven besmet raken als zij contact hebben met de dieren of hun omgeving. Een besmetting kan worden voorkomen door alle melk gepasteuriseerd te consumeren of te verwerken. Bezoekers kunnen de kans op ziekte verkleinen door hun handen te wassen als ze in contact zijn geweest met de dieren of hun omgeving. Vooral de bacteriën STEC en Campylobacter zijn in hoge mate aangetroffen. STEC kwam op vrijwel alle onderzochte bedrijven voor. Campylobacter is aangetoond op 33 procent van de geiten- en op 95,8 procent van de schapenbedrijven. Bij de veehouders en gezinsleden zijn deze bacteriën veel minder gevonden. Listeria kwam in mindere mate voor? op 8,8 procent van de geiten- en 16,7 procent van de schapenbedrijven, en niet bij de mensen. Het is wel een relevante ziekteverwekker omdat rauwmelkse zachte kaas hiervoor de belangrijkste infectiebron voor mensen is. Salmonella werd niet gevonden op melkgeitenbedrijven, maar wel op 12,5 procent van de melkschapenbedrijven. Op de meeste bedrijven werd alleen een type Salmonella gevonden dat niet overgedragen wordt op de mens. ESBL-producerende bacteriën, die ongevoelig zijn voor veel antibiotica, werden aangetoond op 1,7 procent van de geitenbedrijven en 4,2 procent van de schapenbedrijven. Daarnaast werd hij bij 6,8 procent van de mensen aangetroffen. Dit percentage is niet hoger dan bij de algemene bevolking.
    • Towards a policy decision on Aedes japonicus : Risk assessment of Aedes japonicus in the Netherlands

      Stroo A; Ibanez-Justicia A; Braks M; D&V; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-10)
      The Dutch government wants to limit the risk for local transmission of mosquito-borne diseases and therefore aims to limit the establishment of invasive exotic mosquitoes in the Netherlands. At the request of the Ministry of Public Health, RIVM and CMV have investigated which approach is appropriate for the Asian bush mosquito, Aedes japonicus. An effective approach requires a tailor-made method and requires choices. Which choices are made depends on the chance of transmission of diseases by a specific mosquito species, the effect of the control and the costs thereof. In the Netherlands, mosquitoes do not form a major problem as vectors of human diseases at the moment. To become problematic, two preconditions are required. There must be human biting mosquitoes that are able to transmit pathogens, and there must be pathogens that can be transmitted by mosquitoes. In the Netherlands such pathogens are rare. In addition, in the Netherlands mosquitoes are not well able to transmit pathogens. The establishment of specific exotic mosquitoes could increase the risk of transmission of pathogens in the Netherlands. The Asian bush mosquito was discovered in the Netherlands in 2012 and was found present in large parts of Lelystad. In recent years, the area, where this species is present, has expanded. This makes it increasingly difficult to fight the mosquito and the costs for the control increase. On the other hand, the risk of transmission of pathogens by Asian bush mosquito is small. This mosquito does not play an important role in outbreaks of mosquito-borne diseases. Only under specific conditions in the laboratory and field can Asian bush mosquito transmit pathogens. Worldwide only a few patients are known who may have become ill through this mosquito. The risk of the Asian bush mosquito in the Netherlands is comparable to that of a number of native mosquito species. The Asian bush mosquito provides a small added risk of spreading diseases in the Netherlands.
    • Veehouderij en gezondheid omwonenden

      Maassen K; Smit L; Wouters I; van Duijkeren E; Janse I; Hagenaars T; IJzermans J; van der Hoek W; Heederik D; D&V; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMIRASUniversiteit UtrechtNIVELCVI, 2016-07-05)
      Onderzocht is of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie. De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak (een stof die afkomstig is van mest) in de lucht hoog is. Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad. De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land; een verschil dat na de Q-koorts-epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden. Er werd een verband gevonden tussen pluimveehouderijen binnen 1 kilometer afstand van de woning en een licht verhoogde kans op longontsteking. Het is onduidelijk of de extra longontstekingen in dit onderzoeksgebied worden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers), of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijnstof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de veegerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek dat is uitgevoerd door het RIVM, de Universiteit Utrecht (IRAS), Wageningen UR en het NIVEL. Het onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en in Noord-Limburg. Sommige resultaten zijn mogelijk alleen van toepassing op het onderzochte gebied. Dat komt doordat lokale kenmerken, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden, van invloed zijn op de bevindingen.
    • Vergelijkende humane blootstellingsschatting van ESBL-producerende Escherichia coli via consumptie van vlees

      Evers EG; van Duijkeren E; D&V; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-01-24)
      Mensen kunnen op verschillende manieren blootgesteld worden aan bacteriën. Dit kunnen ook bacteriën zijn die resistent zijn tegen antibiotica, zoals de ESBL-producerende E. coli-bacteriën. Een van de mogelijke blootstellingsbronnen hiervan is vlees. Het RIVM heeft berekend in welke mate verschillende vleessoorten bijdragen aan de blootstelling van de mens aan ESBL-producerende bacteriën. Volgens deze schattingen is rundvlees een veel belangrijkere bron dan kippenvlees. Vlees van varken, kalf of schaap is minder relevant voor de totale blootstelling door het eten van vlees. Van de onderzochte vleessoorten is rundvlees verantwoordelijk voor circa 78 procent van de totale blootstelling via het eten van vlees. Dat komt vooral doordat sommige rundvleesproducten rauw worden gegeten, zoals filet americain. Op rauw kippenvlees komen de meeste ESBL-producerende bacteriën voor. Doordat het meestal goed wordt verhit voordat het wordt gegeten, is de blootstelling via kippenvlees veel lager (18 procent). Mensen kunnen wel door rauw kippenvlees besmet raken via kruisbesmetting in de keuken, bijvoorbeeld door kip en groente met hetzelfde mes of op dezelfde snijplank te snijden. In de berekeningen is rekening gehouden met de invloed van diverse factoren die de aanwezigheid van bacteriën op vlees beïnvloeden: soorten voorbewerking (verhitten, zouten, drogen/fermenteren), bewaarcondities (kamertemperatuur, koelkast, vriezer), en de bereiding in de keuken (rauw, goed doorbakken, half doorbakken, de mate van kruisbesmetting et cetera). Er zijn geen metingen verricht. Het gaat in dit onderzoek om het verschil tussen soorten vlees. Het is onduidelijk wat het aandeel van vlees is in de totale blootstelling aan ESBL-producerende bacteriën, omdat mensen ook via andere bronnen dan vlees daaraan worden blootgesteld. Voorbeelden zijn contacten met dieren, contacten tussen mensen, andere soorten voedsel zoals rauwe groenten en fruit en via het milieu, zoals door zwemmen in oppervlaktewater. Ook is niet duidelijk in welke mate mensen door de blootstelling via vlees daadwerkelijk drager worden van deze bacterie. Bovendien wordt niet iedere drager ziek van een resistente bacterie.
    • Vossenlintwormonderzoek in Groningen en Drenthe : 2016-2017

      Maas M; van Roon A; Broek I van den; Franssen FFJ; Takumi K; de Melker HE; D&V; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-05)
      The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has investigated the spread and incidence of the fox tapeworm in the north-east of the Netherlands. From 1 October 2016 to 31 March 2017, 171 red foxes in the provinces of Groningen and Drenthe were examined. The fox tapeworm was discovered in two foxes, both of which originated from the province of Groningen. This is in accordance with the results from previous studies, although the area in which the fox tapeworm is prevalent seems to have expanded slightly. The fox tapeworm (Echinococcus multilocularis) is a parasite that occurs in foxes. If humans ingest the eggs of the fox tapeworm, they can develop a disease known as alveolar echinococcosis, a severe disease of the liver. In the Netherlands, the tapeworm has so far been found in foxes in Limburg and East Groningen.