• Bereiding en eigenschappen van Kresolroodoplossingen ter controle van de temperatuur van de inhoud van (spectro)fotometercuvetten

      Dreumel; H.J.van; Bosman; A.H.; Derks; H.J.G.M.; Hagen-Fast; A.K.; Koedam; J.C.; et al. (1986-05-31)
      In dit rapport wordt de bereiding beschreven van twee (combinatie) partijen Kresolroodoplossingen van verschillende concentraties. Deze oplossingen zijn bedoeld om gebruikt te worden voor het meten van de temperatuur van de inhoud van de cuvet van (spectro)fotometers. Het principe hiervan berust op het feit, dat de lichtabsorbtie (extinctie) van een kresolroodoplossing in een TRIS buffer verandert bij verandering van de temperatuur, terwijl dat bij een oplossing van kresolrood in een barbital-fosfaatbuffer niet het geval is. Het quotient van de metingen van de tweede en de eerste oplossing kan dan direct in een temperatuurbepaling worden omgezet. Om het gebruik van deze sets kresolrood in ziekenhuislaboratoria te vergemakkelijken, werden tabellen samengesteld, die het verband tussen het quotient van de extincties en de in de cuvet heersende temperatuur direct aangeven.
    • Bereiding van bilirubinestandaarden

      Dreumel; H.J.van; Bosman; H.A.; Derks; H.J.G.M.; Hagen-Fast; A.K.; Koedam; J.C.; et al. (1986-05-31)
      Dit rapport beschrijft de bereiding van vijf partijen gevriesdroogde bilirubinestandaard. De volumeverandering die optreedt tengevolge van droogvriezen en reconstitutie kon worden berekend aan de hand van bepalingen van bilirubine, kalium, chloride en radioactiviteitsmetingen in de oorspronkelijke oplossing en het na vriesdrogen gereconstitueerde materiaal. Alle partijen werden gebruikt voor onderzoek van de stabiliteit en de flesjesspreiding. Het grootste deel van de drie grote partijen is na certificatie door enige binnen- en buitenlandse laboratoria bestemd voor opname in de lijst met RIVM referentiematerialen.
    • Bereiding van en onderzoek met "primaire" bilirubinestandaarden

      Dreumel; H.J. van; Wikkeling; R.H.; Phielix-Strubbe; C.J.; Klaassen; R.; Boink; A.B.T.J.; et al. (1987-04-30)
      De bereiding van primaire bilirubine-standaarden is mogelijk mits ; - gebruik wordt gemaakt van de beste kwaliteit bilirubine ; - HSA (en niet BSA) wordt gebruikt, dat direct voor gebruik wordt gefil- treerd ; - alle bewerkingen gebeuren onder strenge "donkere-kamer" condities ; - de monsters direct na het tappen worden bevroren (bij 70 graden celcius) - de volumeverandering t.g.v. het vriesdrogen en reconstitueren met een geringe imprecisie wordt bepaald.
    • Certificatie van bilirubinestandaarden

      Dreumel; H.J. van; Bosman; H.A.; Phielix-Strubbe; C.J.; Koedan; J.C.; (1986-11-30)
      Dit rapport beschrijft de certificatie van de in 1985 bereide bilirubinestandaarden (beschreven in rapport 378507001). Bij het onderzoek waren drie buitenlandse en vier binnenlandse (RIVM inbegrepen) laboratoria betrokken. De bilirubineconcentratie werd met vier methoden bepaald en vergeleken. [, waarbij de methode gepubliceerd door Doumas et al de kleinste interlaboratorium variatiecoefficient bleek op te leveren. De concentraties, met deze (al elders beproefde) methode bepaald, werden dan ook gebruikt als certificatiewaarden. De partijen 850722, 850723 en 850723 en 850726 met bilirubineconcentraties resp. 0, 98,8 en 290 mmol/l zijn nu opgenomen in de lijst van referentiematerialen.
    • Residuen van enkele chloorfenoxycarbonzuren (2,4-D, MCPA en mecoprop) in aardappel

      Berkhoff; C.J.; Greve; P.A. (1986-01-31)
      Een eerder ontwikkelde residu-analysemethode, gebaseerd op hoge-druk vloeistofchromatografie (HPLC), voor de bepaling van chloorfenoxycarbonzuren in aardappel en graan werd uitgetest aan de hand van monsters met z.g. "opgelopen" residuen. De methode bleek goed toepasbaar op aardappel, maar niet bevredigend op graan. Verder onderzoek zou nodig zijn om de methode op dit gewas toepasbaar te maken.
    • Vergelijking van HPLC-methoden voor de bepaling van pentachloorfenol in houtmonsters

      Goewie; C.E.; Berkhoff; C.J. (1986-08-31)
      Een vergelijkend onderzoek is verricht naar de bruikbaarheid van verschillende detectiemethoden in combinatie met HPLC voor de analyse van pentachloorfenol in hout. In het onderzoek wordt RP-HPLC met UK en amperometrische detectie beschreven, evenals NP-HPLC met elektroneninvangdetectie. In verschillende houtmonsters kon m.b.v. de NP-HPLC met electroneninvangdetectie 1-50 ppm pentachloorfenol worden aangetoond.