• Chemische contaminanten in moedermelk. Deelrapport 1: Anorganisch bromide

      Goewie; C.E.; Greve; P.A.; Hogendoorn; E.A. (1985-01-31)
      278 Monsters moedermelk, verzameld via 11 Nederlandse kraamcentra, zijn onderzocht op anorganisch bromide. Gevonden werd een gemiddeld gehalte van 1,56 mg/l (95% betrouwbaarheidsgrenzen: 1,45 - 1,66 mg/l) en een mediaanwaarde van 1,40 mg/l. De laagste en hoogste waarde bedroeg resp. 0,30 en 4,4 mg/l. De bepalingen werden verricht met behulp van een speciaal voor dit doel ontwikkelde HPLC-methode (project 842023, rapport in voorbereiding). De opbrengst van deze methode, die sneller werkt dan de tot nu toe gebruikte GLC-methode, bedroef 79% (standaarddeviatie 14%, 28 waarnemingen, toevoegingstraject 0,72 - 5,8 mg/l).
    • Fungal resistance to polyene antibiotics with regard to the use of natamycin as a preservative on cheese

      Voogd; C.E.; Klingeren; B.van (1985-01-18)
      Op verzoek van Ned. autoriteiten op het gebied van de gezondheidszorg (HIL) is het gebruik van natamycine als schimmelwerend middel op kaas nogmaals geevalueerd. Zowel uit oude als recente gegevens in de literatuur kan worden geconcludeerd dat bovengenoemde toepassing van natamycine bij kaasbereiding geen gevolgen heeft t.a.v. mogelijke schade voor de gezondheid, veroorzaakt door microben. De belangrijkste overwegingen voor deze conclusie zijn: - De ontwikkeling van resistentie van fungi voor natamycine en andere polyeen- antibiotica zoals nystatine en amfotericine B is zelden waargenomen, bij verscheidene, waaronder ook therapeutische toepassingen. - Gekruiste resistentie tussen de polyeeantibiotica is niet volledig. - Overdraagbare poyleenresistentie is nooit waargenomen. - Polyeenresistente mutanten hebben een verminderde groeisnelheid en een verminderde pathogeniteit. - Fungi geisoleerd op kaas zijn voor de mens niet pathogeen. Lage concentraties van residuen van natamycine kunnen alleen op de korst worden verwacht.
    • Onderzoek naar de toepasbaarheid van Flow Field Flow Fractionation (4F) voor biopolymeeranalyse

      Goewie; C.E. (1986-08-31)
      Flow Field Flow Fractionation (4F), een veelbelovende experimentele scheidingstechniek voor (bio)polymeren met massas 10-3-10-6, werd aan de Universiteit van Utah uitgetest op bruikbaarheid voor het RIVM. Met deze techniek zijn de globale molmassaverdelingen bepaald van een aantal humusmonsters en grondwaterextracten waarvoor bij derden (LAC en KIWA) belangstelling bestond. De techniek is in principe goed bruikbaar, theoretisch onderbouwd en eenvoudig te hanteren. Constructie van de apparatuur vergt momenteel te veel problemen om directe toepassing in het RIVM mogelijk te maken.
    • Onderzoek naar het voorkomen van enkele, polaire niet-vluchtige organische microverontreinigingen in grondwater bestemd voor drinkwaterbereiding

      Goewie; C.E.; Broek; H.H. van den; Greve; P.A.; (1986-10-31)
      Grondwaterconcentraten, gei"soleerd via XAD extractie, bevatten vele componenten die niet met GC-MS te indentificeren zijn. Met HPLC is onderzocht of enkele veel toegepaste polaire bestrijdingsmiddelen in de extracten voorkwamen. Dit bleek niet het geval te zijn. In enkele monsters konden zeer lage concentraties aan chloorfenolen en een enkele keer chloroform en/of precursor(s) worden aangetoond. De monsters bevatten o.a. veel hoogmoleculair materiaal.
    • Pentachloorfenol in humane lever

      Goewie; C.E.; Broek; H.H. van den; (1986-10-31)
      32 monsters humane lever zijn onderzocht op pentachloorfenol (PCP), met behulp van een nieuwe methode, gebruik makend van HPLC met electronen- inaanvangdetectie. In vier van de monsters kon in verband met een optredende storingspiek geen kwantitatieve meting worden gedaan. Pentacloorfenol werd in alle andere monsters aangetoond. De mediaanwaarde was 13,5 u,g/kg, de gemiddelde waarde was 17,0 u,g/kg.
    • Residuen van carbofuran, bendiocarb en thiofanox in kroot

      Greve; P.A.; Goewie; C.E.; Hogendoorn; E.A. (1987-04-30)
      In de onderzochte monsters werden lage residuen gevonden aan carbofuran (max. 0,002 mg/kg) en 3-hydroxycarbofuran (max. 0,011 mg/kg). Deze gehalten liggen alle onder de in de Residubeschikking vermelde bepalingsgrens, zodat zij in de zin van deze beschikking verwaarloosbaar zijn. Bendiocarb en thiofanox (incl. het sulfon) waren niet aantoonbaar ( <0,001 mg/kg).
    • Residuen van diuron en 3,4-dichlooraniline in asperge

      Goewie; C.E.; Hogendoorn; E.A. (1984-12-31)
      Een vloeistofchromatografische methode voor de gelijktijdige bepaling van het herbicide diuron en zijn voornaamste metaboliet, 3,4- dichlooraniline, op asperges werd ontwikkeld. De methode bestaat uit extractie met dichloormethaan gevolgd door reversed phase chromatografie met UV-detectie. De detectiegrens van de methode bedraagt voor beide stoffen 0,02 mg/kg. De methode is toegepast voor de bepaling van residuen van diuron en zijn metaboliet op asperges, afkomstig van twee verschillende proefvelden. In deze monsters konden geen residuen van bestrijdingsmiddel of metaboliet worden aangetoond.
    • Residuen van iprodion, procymidon en vinclozolin in knolvenkel

      Goewie; C.E.; Hogendoorn; E.A. (1986-02-28)
      In het kader van veldproeven werden residuen van de fungiciden iprodion, procymidon en vinclozolin bepaald in knolvenkel. Hiertoe werd een vloeistofchromatografische analysemethode ontwikkeld, welke tevens een volautomatische clean-up stap omvat. Deze methode is een verbeterde versie van de onlangs door ons ontwikkelde methode voor analyse van fungiciden in winterwortel (< o,2 mg/kg). De hierin toegepaste off-line clean-up over C18 patronen is vervangen door een selectieve on-line clean-up/preconcentreringsstap. Met de ontwikkelde methode werden 24 monsters knolvenkel geanalyseerd. De hierin aangetroffen residuen van elk der fungiciden waren laag (Hogendoorn et al. 1984). De ontwikkelde methode is tevens toepasbaar gebleken voor de analyse van de drie fungiciden in wortel, ui, drink- en oppervlaktewater.
    • Ringonderzoek m.b.t. de Nuchar clean-up in gebruik bij de bepaling van elektroncaptieve verbindingen in plantaardige extracten

      Goewie; C.E.; Greve; P.A.; Janssen; G.E. (1984-08-03)
      Door de Werkgroep Ontwikkeling en Verbetering van Residu- analysemethoden (OVR) werd tezamen met de Keuringsdiensten van Waren een ringonderzoek uitgevoerd met betrekking tot de als "Multimethode 1, submethode 1" beschreven bepalingsmethode voor elektroncaptieve bestrijdingsmiddelen in groente- en fruitextracten. Bij deze methode wordt actieve kool (Nuchar) gebruikt bij de voorzuivering. Aan extracten van sla, appel en bladselderij werden, steeds op een "hoog" en een "laag" niveau, bekende concentraties aan relevante bestrijdingsmiddelen (dieldrin, folpet, iprodion, lindaan en vinclozolin) toegevoegd. De resultaten van het onderzoek kunnen als volgt samengevat worden: - gemiddelde spreiding binnen de laboratoria: 10% van de lage toevoegingen, 9% voor de hoge toevoegingen ; - gemiddelde spreiding tussen de laboratoria: 20% voor de lage toevoegingen, 14% voor de hoge toevoegingen. Deze spreidingen kunnen als normaal gelden voor het hier verrichte type onderzoek.
    • Samenvatting en beoordeling van onderzoeksgegevens betreffende de schadelijke bijwerkingen van dapson

      Voogd; C.E.; Klingeren; B. van; Heijden; C.A. van der; (1986-08-31)
      Behoudens voor Mycobacterium leprae moet dapson als een matig anti microbieel werkzame stof worden beschouwd, die echter ook bij de behandeling van mastitis bij het rund wordt toegepast. Dapson heeft ook een immunomodulerende werking en vindt hierom toepassing bij de therapie van dermatitus herpetiformis. De LD 50 voor de mens ligt vermoedelijk bij 4 a 5 gram. Bij langdurige toediening van 200 a 400 mg per dag of meer, kunnen hematologische en neurotoxische bijwerkingen optreden. Met dapson is geen mutagene werking aangetoond. Bij proefdieren induceert dapson bij mannelijke ratten (2 jaar 600 en 1200 mg/kg voeder) milt tumoren. Voor vrouwelijke ratten en muizen van beide geslachten is on voldoende bewijs voor carcinogeniteit. Bij epidemiologische onderzoekingen bij leprapatienten is geen vehoogde tumorincidentie gevonden. Dapson kan vooralsnog niet worden beschouwd als een stof die voor de mens carcinogeen is. De kans op intoxicaties bij de mens van dapson residuen in vlees en zuivelprodukten is verwaarloosbaar klein.
    • Strategieen voor het optimaliseren van vloeistofchromatografische (HPLC) scheidingen

      Goewie; C.E. (1985-08-31)
      Dit rapport biedt een overzicht van de meest recente methoden voor optimalisering van HPLC scheidingen. Het is toegespitst op de problematiek van analyses, zoals regelmatig voorkomend binnen de praktijk van de residu-analyse. Voor het optimaliseren van HPLC scheidingen kunnen verschillende strategieen gevolgd worden. Uitgaande van fysisch-chemische theoretische principes kan men vrij snel afleiden welke combinaties van stationaire en mobiele fasen voor bepaalde typen te chromatograferen componenten succesvol zullen zijn. In deel I worden regels gegeven voor de keuze van stationaire fasen en voor het maken van een globale selectie van de mobiele fase. Verdere optimalisering van mobiele fasen voor specifieke scheidingsproblemen kan het beste via chemometrische methoden gebeuren. De belangrijkste literatuurprocedures voor experimentele optimalisering van mobiele fasen in de vloeistofchromatografie worden kritisch besproken.
    • Vergelijking van HPLC-methoden voor de bepaling van pentachloorfenol in houtmonsters

      Goewie; C.E.; Berkhoff; C.J. (1986-08-31)
      Een vergelijkend onderzoek is verricht naar de bruikbaarheid van verschillende detectiemethoden in combinatie met HPLC voor de analyse van pentachloorfenol in hout. In het onderzoek wordt RP-HPLC met UK en amperometrische detectie beschreven, evenals NP-HPLC met elektroneninvangdetectie. In verschillende houtmonsters kon m.b.v. de NP-HPLC met electroneninvangdetectie 1-50 ppm pentachloorfenol worden aangetoond.