• De acute toxiciteit van cadmium, chlooraceetamide, 3,4-dichlooraniline en pentachloorfenol voor regenwormen

      Gestel; C.A.M.van; Dis; W.A.van (1986-07-31)
      Nadat medio 1984 een kweek van de regenwormensoort Eisenia andrei was gestart werd een aantal toxiciteitstoetsen uitgevoerd met deze soort volgens de door de OECD in richtlijn nr.207 beschreven filtreerpapiercontact-toets en de artificial soil test. Daarnaast werd een humusarme, vrij zure zandgrond in het onderzoek meegenomen teneinde effecten van grondsoort en pH op de toxiciteit te kunnen vaststellen. Hoofdstuk 2 beschrijft de opzet en ervaringen met de kweek van E.andrei. De toxiciteit van de vier getoetste stoffen nam, zoals uit de resultaten van het toxiciteitsonderzoek (Hoofdstuk 3) bleek, in alle gevallen in dezelfde volgorde toe: cadmium < 3,4-dichlooraniline < pentachloorfenol < chlooraceetamide. Verder wordt geconcludeerd (Hoofdstuk 4) dat zowel de pH als het gehalte aan organische stof de toxiciteit kunnen beinvloeden, echter met niet meer dan een factor 3-4.
    • Beweeglijkheid van DNOC, dinoseb en dinoseb-acetaat in grondkolommen

      Wegman; R.C.C.; Gestel; C.A.M.van; Wammes; J.IJ. (1984-05-25)
      De mobiliteit van DNOC, dinoseb en dinoseb-acetaat werd met behulp van korte grondkolommen onder laboratoriumomstandigheden in drie grondsoorten bepaald. Bij een grondkolomlengte van 30 cm en een percolatiesnelheid van 20 mm/dag bleek na 5 dagen dat het grootste gedeelte van de teruggevonden DNOC, dinoseb en dinoseb-acetaat zich boven in de grondkolom bevond. Er trad geen uitspoeling op. Uit de tevens bepaalde adsorptiecoefficienten bleek dat de stoffen sterker adsorberen aan veen dan aan klei en zand.
    • Het gedrag van het herbicide ATRAZINE in kolommen met twee onverzadigde Nederlandse bodemprofielen

      Loch; J.P.G.; Gestel; C.A.M.van; Lagas; P.; Wegman; R.C.C. (1985-01-31)
      Het gedrag van atrazine en metabolieten in de bodem is onderzocht m.b.v. 110 cm lange grondkolommen. De kolommen bevatten profielen van een kamppodzol- en een enkeerdgrond, met een grondwaterspiegel op 1 m diepte. Atrazine werd in de bovenste 2 cm van elke kolom ingemengd. Beregening van de kolommen duurde een jaar. Percolaat, gasfase en vaste fase van de kolommen werden frequent geanalyseerd op atrazine en 7 metabolieten. Tijdens percolatie spoelde uit de podzol 28% van de dosering uit als atrazine en twee metabolieten. Uit de eerdgrond werd geen uitspoeling waargenomen. In de podzol kolom werd na een jaar 9% van de dosering teruggevonden en in de eerdgrond 54%. Met behulp van een eenvoudig model voor front verplaatsing van verontreinigingen in de bodem wordt geconcludeerd dat onder Nederlandse veldomstandigheden met grondwaterspiegel op 1 m -m.v. voor geen van beide grondsoorten significante uitspoeling naar het grondwater zal plaatsvinden.
    • Het gedrag van het herbicide BENTAZON in kolommen met twee onverzadigde Nederlandse bodemprofielen

      Loch; J.P.G.; Gestel; C.A.M.van; Lagas; P.; Wegman; R.C.C. (1985-01-31)
      Het gedrag van bentazon en metabolieten in de bodem is onderzocht m.b.v. 110 cm lange kolommen. De kolommen bevatten profielen van een kamppodzol- en een enkeerdgrond, met een grondwaterspiegel op 1 m diepte. Bentazon werd in de bovenste 2 cm van elke kolom ingemengd. Beregening van de kolommen duurde een jaar. Percolaat van de kolommen werd frequent geanalyseerd op bentazon en 3 metabolieten. Na beeindiging van de percolatie werd het vaste bodemmateriaal geanalyseerd. Tijdens percolatie spoelde uit zowel podzol- als eerdgrond 57% van de dosering uit als bentazon. Concentraties van metabolieten in het percolaat lagen beneden de detectiegrens. In de vaste bodemfase werd in beide gronden <0,5% van de dosering teruggevonden. M.b.v. een eenvoudig model voor frontverplaatsing van verontreinigingen in de bodem wordt geconcludeerd dat onder Nederlandse veldomstandigheden met een grondwaterspiegel op 1 m-m.v. voor beide grondsoorten het risico van uitspoeling van bentazon naar het grondwater groot is.
    • Inleiding tot de bodemkunde ; Toepassing bij het beoordelen van gegevens over het gedrag van stoffen in de bodem

      Gestel; C.A.M.van (1986-07-31)
      Dit rapport, dat speciaal is samengesteld t.b.v. van de medewerkers van het Advies Centrum Toxicologie van het RIVM, kan worden gebruikt als een handleiding bij het samenvatten en beoordelen van literatuur over het gedrag en de afbraak van stoffen in de bodem. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op een aantal basisbegrippen uit de bodemkunde. Hiermee wordt de basiskennis aangedragen die nodig is voor de volgende hoofdstukken. Hoofdstuk 3 behandelt de afbraak van stoffen in de bodem. Daarbij wordt aangegeven welke factoren dit proces kunnen beinvloeden. In hoofdstuk 4 wordt het transport van stoffen in de bodem besproken. Kernbegrippen in dit hoofdstuk zijn mobiliteit en adsorptie, eigenschappen van stoffen die tesamen met de omzettingssnelheid de kans op uitspoeling naar het grond- en/of oppervlaktewater bepalen. In de hoofdstukken 3 en 4 worden de punten aangegeven waarop speciaal gelet moet worden bij de beoordeling van gegevens over de afbraak resp. de adsorptie en mobiliteit van stoffen in de bodem.