• Achtergronden bij de herziene risicogrenzen voor bodem, sediment en grondwater in het kader van de "Evaluatie interventiewaarden bodemsanering"

      Lijzen JPA; Baars AJ; Otte PF; Verbruggen EMJ; van Wezel AP; LBG; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-08-12)
      In 2001 zijn herziene risicogrenzen gepubliceerd die de basis vormen voor de interventiewaarden bodemsanering in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit is het resultaat van de technisch-inhoudelijke evaluatie van de interventiewaarden bodem en grondwater voor de eerste tranche. In dit rapport wordt ten behoeve van de beleidsmatige implementatie hiervan ingegaan op de oorzaken van verschillen tussen de risicogrenzen en de vigerende interventiewaarden voor bodem en grondwater, de robuustheid van de voorstellen en ontwikkelingen die in de toekomst tot aanpassingen zouden kunnen leiden. Voor de ecotoxicologische bepaalde risicogrenzen voor bodem zijn de belangrijkste oorzaken van een herziene waarde: beschikbaarheid van meer ecotoxicologische data; gebruik van evenwichtspartitie bij weinig bodemdata; andere gegevensevaluatie; afleiden van een individuele waarde per stof (in plaats van een groepswaarde); en een onbekende herkomst van de huidige HC50-waarde. Voor de humaan-toxicologische bepaalde risicogrenzen voor bodem zijn belangrijke oorzaken van een herziene waarde: een aangepaste MTR-humaan; aanpassing van de concepten voor humane blootstelling in CSOIL; en aanpassing van de inputparameters. Voor de risicogrens voor grondwater zijn de belangrijkste oorzaken van de vaak hogere waarden: niet meer toepassen van een factor 10 tussen de berekende concentratie in het (porie)water en het grondwater; het directe gebruik van aquatische toxiciteitsgegevens; het afleiden van waarden voor individuele stoffen; en wijziging van humane toxiciteit en blootstelling. De robuustheid van de ecotoxicologische onderbouwde risicogrenzen is vooral afhankelijk van het aantal reeds beschikbare toxiciteitsdata, of mogelijk veel nieuwe data binnen korte tijd beschikbaar komen en resultaten van lopende ontwikkelingen. De verwachting is dat nieuwe data niet in grote getale beschikbaar zullen komen. De robuustheid van de humaan-toxicologische risicogrenzen is afhankelijk van het beschikbaar komen van nieuwe humaan-toxicologische data, het beschikbaar komen van nieuwe inzichten over modellering van humane blootstelling en de spreiding in de (fysisch-chemische) stof parameters. Verwacht wordt dat nieuwe toxicologische data niet in grote getale beschikbaar zullen komen. Met name de Koc blijkt voor de SRC voor bodem voor veel stoffen een belangrijke factor. De verschillen tussen de afleiding van de herziene risicogrenzen en de inhoud van de TCB adviezen over de afleiding zijn zeer beperkt en voor zover aanwezig in een apart hoofdstuk toegelicht. Voor de ecotoxicologische risicobeoordeling worden geen op korte termijn toepasbare resultaten van genoemde nieuwe ontwikkelingen verwacht. Ter verhoging van de betrouwbaarheid van de risicobeoordeling wordt aanbevolen gericht nieuwe data te genereren en ontwikkelingen om biobeschikbaarheid in de normstelling op te gaan nemen te stimuleren. Voor de humaan-toxicologische risicobeoordeling kan met name aanvullende informatie over opname van stoffen in gewassen en biobeschikbaarheid van stoffen in grond in het menselijk lichaam mogelijk tot verbeteringen leiden.
    • Beoordeling van de gezondheidsrisico's van 'verboden kruiden'

      van de Bovenkamp M; Jeurissen SMF; Pelgrom SMGJ; Spijkerboer HN; van Riel AJHP; de Kaste D; Baars AJ; Pronk MeJ; SIR; KCF; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-06-15)
      Het verbod op vrijwel alle kruiden die momenteel in Nederland niet in kruidenpreparaten zijn toegestaan, moet van kracht blijven. Dit adviseert het RIVM op basis van literatuuronderzoek naar de gezondheidsrisico's van de 46 'verboden kruiden' in onderdeel II van de bijlage van het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Mensen gebruiken kruidenpreparaten vanwege de al dan niet vermeende gunstige gezondheidseffecten van natuurlijke producten. De verboden kruiden kunnen echter nadelig zijn voor de gezondheid, bijvoorbeeld door effecten op het hart of het zenuwstelsel. Het RIVM beoordeelde de gezondheidsrisico's van de verboden kruiden, zoals vingerhoedskruid en monnikskap, op basis van informatie over mogelijke schadelijke effecten van stoffen in deze kruiden. Ook is gekeken naar bijwerkingen en vergiftigingen door het gebruik van de kruiden als zodanig of bijvoorbeeld in de vorm van thee of een kruidenextract. Voor slechts een kruid (Convolvulus scammonia) zijn er geen aanwijzingen gevonden voor schadelijke effecten die pleiten voor een verbod. Het RIVM geeft in overweging om naast de huidige lijst met verboden kruiden een apart verbod of maximumgehalte in kruidenpreparaten vast te stellen voor een aantal zeer schadelijke stoffen in de verboden kruiden. Het gaat om hartglycosiden, een aantal tropane en niet-tropane alkaloiden, thujon en kankerverwekkende stoffen. Deze stoffen kunnen namelijk ook aanwezig zijn in kruiden die nu niet op de lijst staan. Voor het onderbouwen van dergelijke maximumgehaltes of algemene verboden is echter meer onderzoek nodig.
    • Cadmium in de Kempen: een integrale risicobeoordeling

      Oomen AG; Janssen PJCM; van Eijkeren JCH; Bakker MI; Baars AJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-01-29)
      De blootstelling aan cadmium in de lucht in en nabij woningen in de Nederlandse Kempen brengt geen verhoogd risico voor de volksgezondheid met zich mee. Dat concludeert het RIVM op basis van recente metingen. De aangetroffen concentraties veroorzaken een nagenoeg verwaarloosbaar extra risico voor longkanker. De totale hoeveelheid cadmium die mensen in het onderzochte gebied binnenkrijgen via voeding, bodem, huisstof en lucht leidt ook niet tot een onacceptabel risico op nierschade door cadmium. De aanleiding voor het onderzoek is een Belgische studie, waarin een verhoogde frequentie longtumoren is gerapporteerd voor bewoners in de directe omgeving van een voormalige zinkfabriek in de Belgische Kempen. De Belgische studie schrijft dit toe aan de inhalatie van cadmium. Het onderliggende onderzoek omvat ook metingen van andere metalen in en nabij woningen in de Nederlandse Kempen. Ook voor deze metalen blijft de totale blootstelling onder de geldende gezondheidslimieten. Wel zijn verhoogde concentraties van lood in huisstof waargenomen in enkele woningen in het meest verontreinigde gebied (Budel-Dorplein) en in een woning in een matig verontreinigd gebied (Maarheeze). Deze verontreiniging is echter waarschijnlijk voor slechts een beperkt deel afkomstig uit het milieu. Mogelijk zijn huiselijke bronnen hiervan de oorzaak, zoals in een geval een bewoner die als hobby soldeert.
    • Deoxynivalenol. Derivation of concentration limits in wheat and wheat containing food products

      Pieters MN; Fiolet DCM; Baars AJ; CSR (1999-11-30)
      Het mycotoxine deoxynivalenol (DON), dat geproduceerd wordt door schimmels van het geslacht Fusarium, kan in verschillende graansoorten aanwezig zijn. Om concentratielimieten te berekenen voor DON in tarwe en tarwe-bevattende producten is een voorlopige TDI afgeleid van 1,1 4g per kg lichaamsgewicht per dag. Kinderen van 1-4 jaar hebben de hoogste tarwe consumptie per kg lichaamsgewicht en vormen de bevolkingsgroep met het hoogste risico. Voor de afleiding van een veilige concentratielimiet voor DON zijn wij uitgegaan van een kind met een hoge tarwe consumptie. Op basis van de hoeveelheid tarwe in voedingsmiddelen en de concentratielimiet voor DON in (geschoonde) tarwe zijn concentratielimieten voor verschillende voedingsmiddelen afgeleid. De navolgende concentratielimieten worden voorgesteld: 120 4g DON/kg voor (geschoonde) tarwe, 60 4g DON/kg voor brood, en 120 4g DON/kg voor voedingsmiddelen met een tarwegehalte groter dan 33%. Aanbevolen wordt om in voedingsmiddelen met een tarwegehalte kleiner dan 33% uitsluitend de DON-concentratie van de te gebruiken tarwe te bewaken.
    • Deoxynivalenol. Derivation of concentration limits in wheat and wheat containing food products

      Pieters MN; Fiolet DCM; Baars AJ; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-11-30)
      The mycotoxin deoxynivalenol (DON) produced by fungi of the Fusarium genus may occur in various cereal crops. A provisional TDI of 1.1 ug per kg body weight was derived to calculate concentration limits for the mycotoxin, deoxynivalenol (DON), in wheat and wheat food products. Children (1-4 years old) have the highest wheat consumption per kg body weight per day and form the population at risk. To derive a safe concentration limit of (cleaned) wheat, we assumed a child with a high wheat consumption. Based on the wheat content of food products and the derived concentration limit for DON in (cleaned) wheat, concentration limits for various food products were calculated. These included 1 ug-DON/kg for (cleaned) wheat, 60 ug-DON/kg for bread and 120 ug-DON/kg for food products with a wheat content greater than 33%.The suggestion is to monitor only the (cleaned) wheat for food products with a wheat content less than 33%.
    • Gezondheidsclaims voor kruidenpreparaten op basis van Ginkgo biloba

      Pelgrom SMGJ; Fransen HP; Rompelberg CJM; de Rooij EK; Pronk MEJ; Baars AJ; de Kaste D; Verhagen H; SIR; CVG; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-12-11)
      Er is onvoldoende bewijs voor drie geclaimde gezondheidseffecten bij het gebruik van kruidenpreparaten op basis van de Japanse notenboom Ginkgo biloba. Ook toont een analyse van 29 Ginkgo-preparaten aan dat het merendeel niet bevat wat op het etiket vermeld staat. Daarnaast kan bij de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid de veiligheid niet worden gegarandeerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Fabrikanten claimen dat Ginkgo biloba-preparaten bloedcirculatie en geheugenfunctie verbeteren en ouderdomsverschijnselen verminderen. Het RIVM heeft de wetenschappelijke onderbouwing van deze gezondheidsclaims getoetst aan nieuwe Europese criteria. Hieruit volgt dat de beschikbare studies onvoldoende bewijs leveren voor deze gezondheidseffecten. Dit komt vooral door een gebrek aan gegevens uit studies met gezonde proefpersonen. De geevalueerde studies beschrijven alleen resultaten met het gestandaardiseerde Ginkgo biloba-extract. De meeste van de geanalyseerde preparaten bevatten echter niet het gestandaardiseerde extract. Ook kwamen in veel van de gevallen de gemeten gehalten aan actieve bestanddelen niet overeen met de hoeveelheden die op het etiket staan. Daarnaast zijn er heel weinig gegevens beschikbaar over de giftigheid. Hierdoor is het niet mogelijk om een veilige grens af te leiden. Voor niet nader beschreven Ginkgo-preparaten wordt bij inname van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid in sommige gevallen melding gemaakt van bloedingen. Het gebruik van niet-gestandaardiseerd Ginkgo-extract kan dus risicovol zijn: het is niet uit te sluiten dat zulke preparaten stoffen bevatten die onder andere kanker kunnen veroorzaken. De gekozen multidisciplinaire aanpak beschreven in dit rapport geeft inzicht in diverse aspecten die van belang zijn bij de beoordeling van de wetenschappelijke onderbouwing van gezondheidsclaims voor voedingsmiddelen, waaronder kruidenpreparaten.
    • Gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek - een verkennend onderzoek

      Baars AJ; Pelgrom SMGJ; Hoeymans N; Raaij MTM van; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-01-27)
      The RIVM investigated the probable contribution of exposure to chemicals at the workplace as the cause of some ten diseases. This exploratory study was requested by of the Ministry of Social Affairs and Employment, and presents for the first time an integrated estimation of the burden of disease due to occupational exposure to chemicals.For nine investigated diseases the study resulted in a burden of disease of approximately 47,000 DALYs, including about 1,900 deaths, due to exposure to chemicals at the workplace. DALY stands for 'Disability Adjusted Life Years', in which premature death and years with disease are weighted counted up. The largest contributions are formed by mesothelioma, lung cancer, asthma, and chronic obstructive pulmonary disease. The margin of uncertainty in the results is very large, mainly caused by the scarce and incomplete data, and amounts about a factor of 5.It was not possible to estimate the burden of disease due to reproductive disorders following occupational exposure to chemicals. However, results of recent research in this area indicate concern.
    • Gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek - een verkennend onderzoek

      Baars AJ; Pelgrom SMGJ; Hoeymans N; van Raaij MTM; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-01-27)
      Het RIVM heeft onderzocht wat het aandeel zou kunnen zijn van blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek op het ontstaan van een tiental ziekten. Dit verkennende onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en geeft voor het eerst een integrale schatting van de ziektelast door blootstelling aan stoffen in de arbeidssituatie.De uitkomst van het onderzoek is dat voor negen onderzochte ziekten de blootstelling aan stoffen in de arbeidssituatie een geschatte ziektelast oplevert van ongeveer 47.000 DALY's per jaar, inclusief naar schatting circa 1.900 sterfgevallen. DALY staat voor 'Disability Adjusted Life Years', waarin vroegtijdige sterfte en jaren doorgebracht met ziekte op gewogen wijze bij elkaar worden opgeteld. De grootste bijdragen worden gevormd door borstvlieskanker, longkanker, astma en chronische luchtwegobstructie.De marge van onzekerheid in de genoemde uitkomsten is erg groot, wat vooral veroorzaakt wordt door de onvolledige gegevens, en bedraagt ongeveer een factor 5.Voor reproductiestoornissen was het niet mogelijk om een schatting te maken van de ziektelast tengevolge van werkgerelateerde blootstelling aan stoffen. De resultaten van recent onderzoek naar de relatie tussen blootstelling aan stoffen en reproductiestoornissen geven echter aanleiding tot zorg.
    • Herziening interventiewaarde lood; evaluatie van de afleiding van de interventiewaarde grond/sediment en grondwater

      Lijzen JPA; Baars AJ; Crommentuijn GH; Otte PF; Plassche E van de; Rikken MGJ; Rompelberg CJM; Sips AJAM; Swartjes FA; LBG; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-01-01)
      This report documents the important aspects in deriving the intervention values for lead (Pb) for soil/sediment and groundwater as part of a current ongoing running evaluation of existing intervention values. Reported for lead are the physical-chemical properties, the ecotoxicological serious soil-contamination concentration (ECOTOX SCC), the human toxicological Maximal Tolerable Risk (human MTR), human toxicological serious soil contamination concentration (HUM-TOX SCC) and proposals for the intervention value for soil and groundwater. It is recommended to use an equation derived for field soils (with pH, organic matter and clay content)for the soil type correction of the intervention values derived. If it is decided to use only the organic-matter and clay content, we advise proceeding with the current correction of Van den Berg/Roels. Based on the current toxicological information, ECOTOX SCC is recalculated with the current soil type correction (490 mg/kg d.m.) and the proposed soil type correction with pH (450 mg/kg d.m.). If it is decided to use the 'added risk-approach', the ECOTOX SCC for lead will be 575 and 535 mg/kg d.m., respectively. The ECOTOX SCC calculated for sediments is much higher (64.000 mg/kg d.m.).The human-toxicological maximal tolerable risk (human MTR) is maintained at 3.6 microg/kg b.w./day, which is also supported by the World Health Organisation (WHO). The human exposure to lead is mainly determined by the ingestion of soil particles, the intake of contaminated crops and the bioavailability of lead from soil in the human body. Prior to completing the research on bioavailability in the human body, a relative bioavailability factor for lead in soil of 0.6 was deduced. An average of 100 mg of soil per day is proposed for soil ingestion by children (1 to 6), instead of the current 150 mg per day. The average crop consumption can be slightly reduced. If it is decided to use a general background, the background exposure for lead is estimated to be 25% of the human MTR. The recalculated HUMTOX EBVC is found between 450 and 670 mg/kg, depending on the choices made and the extent to which new data are used. Integration of the HUMTOX SCC value with that of ECOTOX SCC leads to a proposal for the intervention value soil/sediment of 450-575 mg/kg d.m. and 32-41 microg/l for groundwater
    • Herziening interventiewaarde lood; evaluatie van de afleiding van de interventiewaarde grond/sediment en grondwater

      Lijzen JPA; Baars AJ; Crommentuijn GH; Otte PF; van der Plassche E; Rikken MGJ; Rompelberg CJM; Sips AJAM; Swartjes FA; LBG; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-01-01)
      Dit rapport behandelt de aspecten die van belang zijn voor de prioritaire evaluatie van de interventiewaarde bodemsanering voor lood als onderdeel van het lopende project Evaluatie Interventiewaarden. De partitie-coefficient en de bodemtypecorrectie voor lood kunnen gebaseerd worden op een vergelijking die voor veldbodem is afgeleid. Wanneer alleen gebruik gemaakt mag worden van humus- en lutumgehalten, wordt aanbevolen de huidige vergelijking van Van den Berg/Roels te handhaven. De bioconcentratiefactor van lood in bladgewas wordt gehandhaafd; voor knolgewas is deze verdubbeld. De ecotoxicologische ernstige bodemverontreinigings-concentratie (ECOTOX EBVC) is herberekend met actuele toxiciteitsgegevens voor bodem volgens de bestaande bodemtypecorrectie en volgens de voorgestelde bodemtypecorrectie met pH (resp. 490 en 450 mg/kg d.s.). Wanneer de 'toegevoegd risico' benadering wordt toegepast is de ECOTOX-EBVC berekend op resp. 575 en 535 mg/kg d.s.. De berekende risicogrens voor waterbodem is veel hoger (64.000 mg/kg). Het maximaal toelaatbaar risico voor de mens (MTR-humaan) blijft gehandhaafd op 3.6 microg/kg lichaamsgewicht/dag, welke ook door de WHO wordt aangehouden. De blootstelling van de mens door bodemverontreiniging wordt vooral bepaald door ingestie van grond en opname via verontreinigd gewas en biobeschikbaarheid van lood uit de grond in het lichaam. Voorafgaand aan de afronding van het onderzoek naar de biobeschikbaarheid van lood in het lichaam is een relatieve biobeschikbaarheidsfactor voor grond afgeleid van 0.6. In het kader van de Evaluatie als geheel wordt voorgesteld de grondingestie door kinderen terug te brengen tot 100 mg/dag (was 150 mg/dag). Indien beleidsmatig gewenst, kan de generieke achtergrondblootstelling van de mens voor lood gesteld worden op 25% van het MTR-humaan. Afhankelijk van de gemaakte keuzes ligt de herziene humaan-toxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie (HUMTOX EBVC) tussen 450 en 670 mg/kg. Integratie met de ECOTOX EBVC levert een voorstel voor een interventiewaarde grond tussen 450 en 575 mg/kg. Op basis van de bijgestelde partitiecoefficient wordt voorgesteld de interventiewaarde grondwater iets te verlagen tot 32-41 microg/l.<br>
    • Historische versus recente blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden als oorzaak van gezondheidseffecten en ziektelast

      Dekkers S; Baars AJ; Preller EA; Peters SM; Raaij MTM van; TNO Kwaliteit van Leven; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-12-18)
      In a previous RIVM report the burden of disease due to exposure to chemicals at the workplace was estimated for nine investigated diseases. This follow-up study investigates if this burden of disease is mainly caused by exposure in the past or by exposure that is more recent. For diseases which are mainly or partly caused by exposure to chemicals in the past, it is investigated if the exposure at the workplace to several chemicals (relevant for the diseases in concern) has changed over time. Based on these developments and with some prudence the future trend in burden of disease can be predicted. However, these predictions contain a great deal of uncertainty. For asthma and contact dermatitis, it is impossible to predict the future trend in burden of disease because many different chemicals and several factors, partly working in the opposite direction, influence the development of these diseases. In the near future, the burden of disease of COPD and rhinitis and rhinosinusitis due to exposure to chemicals in occupational settings is not expected to change. For cardiovascular disorders, chronic toxic encephalopathy, skin- and lung cancer the future burden of disease of (due to exposure to chemicals in occupational settings) might be expected to decline. In the distant future, the burden of disease due to asbestos-exposure (mesothelioma, asbestos-related lung cancer and asbestosis) will be very small, but in the next thirty years still a large number of deaths has to be expected due to asbestos exposures in the past.
    • Historische versus recente blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden als oorzaak van gezondheidseffecten en ziektelast

      Dekkers S; Baars AJ; Preller EA; Peters SM; Raaij MTM van; SIR (TNO Kwaliteit van Leven, 2006-12-18)
      Gezondheidseffecten en ziektelast ten gevolge van blootstelling aan stoffen op de werkplek zijn voor een belangrijk deel terug te voeren op blootstellingen in het verleden. Aan de hand van gegevens over veranderingen in arbeidsgerelateerde blootstelling zijn daarom voorzichtige voorspellingen mogelijk over de toekomstige ziektelast voor bepaalde aandoeningen. In een eerder RIVM-rapport werd voor negen aandoeningen de ziektelast als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek geschat. In dit vervolgonderzoek is bekeken in hoeverre deze ziektelast wordt veroorzaakt door blootstellingen in het verleden of door meer recente blootstellingen. Wanneer de ziektelast voor een bepaalde aandoening in belangrijke mate wordt veroorzaakt door blootstellingen in het verleden, is bovendien onderzocht of de blootstelling aan enkele relevante stoffen op de werkplek in de loop van de tijd is veranderd. Op basis van de bevindingen luidt de voorzichtige voorspelling dat de ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek in de nabije toekomst zal afnemen voor hart- en vaatziekten, chronische toxische encefalopathie en huid- en longkanker. Voor andere aandoeningen blijft de ziektelast waarschijnlijk stabiel (COPD, rhinitis en rhinosinitis), of neemt die toe (mesothelioom, asbestlongkanker, asbestose). Voor astma en contact-eczeem is geen voorspelling mogelijk.
    • Identificatie van belangrijke beroepsgroepen en stoffen bij het ontstaan van gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden

      Dekkers S; Preller EA; Baars AJ; Marquart J; Raaij MTM van; SIR (TNO Kwaliteit van Leven, 2006-12-18)
      De ziektelast als gevolg van astma, chronische bronchitis en longemfyseem (COPD), contact-eczeem en longkanker zal naar verwachting afnemen, wanneer arbeidsgerelateerde blootstelling aan een aantal stoffen (chemicalien) binnen bepaalde beroepsgroepen wordt teruggedrongen. In een eerder RIVM-rapport werd voor negen aandoeningen de ziektelast als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek geschat. In dit vervolgonderzoek is voor de vier genoemde aandoeningen onderzocht bij welke combinaties van beroepsgroep en stof een relevante gezondheidswinst zou kunnen worden bereikt bij vermindering van de blootstelling. Relevante gezondheidswinst lijkt met name te behalen in de volgende combinaties van beroepsgroep en stof: - meelstof bij bakkers, isocyanaten in de bouwnijverheid, latex in de gezondheidszorg, en dierlijke allergenen in de landbouw voor astma; - anorganisch stof in de bouwnijverheid, meelstof bij bakkers en werkers in de voedselproductie, en organisch stof in de landbouw voor COPD; - nat werk, ontvetters, zepen, en detergentia bij diverse beroepen in de gezondheidszorg, schoonmakers, kappers en schoonheidsspecialisten voor contact-eczeem; en - kwartsstof in de bouw en passief roken in de horeca voor longkanker (uitgezonderd asbest als oorzaak van longkanker). De bovengenoemde opsomming geeft een indicatie van de belangrijkste combinaties van beroepsgroepen en stoffen in het Nederlandse bedrijfsleven. Echter, ook in andere beroepsgroepen en branches kunnen werknemers genoemde aandoeningen ontwikkelen door blootstelling aan bepaalde stoffen op de werkplek.
    • Identificatie van belangrijke beroepsgroepen en stoffen bij het ontstaan van gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden

      Dekkers S; Preller EA; Baars AJ; Marquart J; Raaij MTM van; TNO Kwaliteit van Leven; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-12-18)
      In a previous RIVM report the burden of disease due to exposure to chemicals at the workplace was estimated for nine investigated diseases. This follow-up study further investigates the determinants occupation and chemicals. For the diseases asthma, COPD, contact dermatitis and lung cancer (excluding lung cancer caused by asbestos) the most important occupations in which the diseases occurs relatively often are determined first. Then the most relevant chemicals associated with each of these diseases are identified. Finally, the occupation and chemical combinations that are actually present in meaningful magnitude in the Netherlands are selected. In spite of many uncertainties in the selection of important occupational-substance combinations, it is nevertheless predicted from which occupational-substance combinations it can probably be expected that a reduction in occupational exposure may lead to substantial health profit for each of investigated diseases. For asthma, the following occupational-substance combinations are probably important: flour dust at bakers, isocyanates in the construction industry, latex in health care, and animal allergens in agriculture. For COPD, inorganic dust in the construction industry, flour dust at bakers and workers in food production, and organic dust in the agriculture are relevant. Wet work, grease removers, soaps and detergents in several professions in the health care, cleaners, hairdressers and beauty specialists play an important role in the development of occupational contact dermatitis. For lung cancer, quartz dust in construction work and passive smoking in the hotel- and catering industry are likely to be relevant. However, this does not mean that there is no risk to develop the diseases due to occupational exposures within occupations and branches which are not mentioned in this inventory. But the occupational-substance combinations mentioned above do give an indication of the most important combinations within the entire businesses activities of the Netherlands.
    • Indicator PCBs in foodstuffs: occurrence and dietary intake in The Netherlands at the end of the 20th century

      Bakker M; Baars AJ; Baumann B; Boon P; Hoogerbrugge R; RIKILT Institute of Food Safety; SIR; LOC; RIKILT/R&E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-09-30)
      The report presents a survey of the most recent (1998/1999) information on the occurrence of indicator-PCBs in foodstuffs in the Netherlands. The data on occurrence collected during measurement programmes on occurrence were combined with food consumption data to assess the dietary intake of the seven indicator-PCBs (polychlorinated biphenyls, congeners 28, 52, 101, 118, 138, 153 and 180). The estimated median lifelong-averaged intake of indicator-PCBs in the population is 5.6 ng per kg bw per day. The 95th percentile of intake in the population is estimated at 11.9 ng per kg bw per day. The contribution of different food groups to the total intake of indicator-PCBs) is fairly uniformly distributed over the foods consumed: meat products (27%), dairy products (17%), fish (26%), eggs (5%), vegetable products (7%), and industrial oils and fats (18%). Compared with earlier intake estimations the present estimation shows a considerable reduction in intake of indicator-PCBs, albeit that this reduction flattened out during the last decade. This substantial reduction is related to the decrease in the concentration of PCBs in the majority of foodstuffs. However, a small part of the population still has a rather high intake. If this high intake only occurs for a limited period of time, it is not expected to result in adverse health effects. To provide regulators with a health-based guideline to prevent health effects of exposure to indicator PCBs, the derivation of a TDI, preferably by international bodies, is recommended. Monitoring the dietary intake of PCBs is just as important as monitoring the intake of dioxins, and attempts to decrease the exposure to both compound classes need continuous attention.
    • Indicator PCBs in foodstuffs: occurrence and dietary intake in The Netherlands at the end of the 20th century

      Bakker M; Baars AJ; Baumann B; Boon PE; Hoogerbrugge R; SIR; LOC; RIKILT/R&amp;E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIKILT Institute of Food Safety, 2003-09-30)
      Het rapport geeft een overzicht van het recente (1998/1999) voorkomen van indicator-PCB's in voedingsmiddelen, gebaseerd op twee meetprogramma's waarbij in verschillende consumentenproducten en primaire agrarische producten concentraties werden gemeten van de zeven indicator PCB's (polychloor-bifenylen, congeneren 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180). Door deze informatie te combineren met recente voedselconsumptiegegevens kon een berekening gemaakt worden van de lange termijn inname van indicator-PCB's. De mediane inname in de bevolking wordt geschat op 5,6 ng per kg lichaamsgewicht per dag; de inname van het 95ste percentiel wordt geschat op 11,9 ng per kg lichaamsgewicht per dag. De bijdrage van de verschillende groepen voedingsmiddelen aan de inname van indicator-PCB's is redelijk uniform verspreid over het Nederlandse voedselpakket, met 75% via dierlijke producten (vleesproducten 27%, zuivelproducten 17%, vis 26% en eieren 5%). Daarnaast dragen plant-aardige producten 7% en industriele olien en vetten 18% bij aan de totale inname. Sinds de jaren zeventig zijn de concentraties in de meeste voedingsmiddelen sterk afgenomen. Dit heeft geleid tot een sterke afname van de inname van indicator-PCB's vergeleken met 1978, zij het dat deze afname gedurende het laatste decennium minder is geworden. Niettemin heeft een klein gedeelte van de bevolking een relatief hoge inname. Als een dergelijke inname van korte duur is, wordt niet verwacht dat dit tot effecten zal leiden die schadelijk zijn voor de gezondheid. Aanbevolen wordt om voor de indicator-PCB's een TDI af te leiden, bij voorkeur door internationale organisaties, zodat de overheid de beschikking krijgt over een gezondheid-gerelateerde richtlijn om schadelijke effecten van de blootstelling aan PCB's te voorkomen. Voortdurende aandacht voor de inname van PCB's is net zo belangrijk als aandacht voor de inname van dioxinen, en terugdringing van deze innames verdient blijvende aandacht.<br>
    • Onderzoek naar de gezondheidsrisico&apos;s van de emissies van de brand bij ATF in Drachten

      Bruggen M van; Baars AJ; Traag WA; IEM (Rikilt, 2001-03-12)
      Op vrijdag 12 mei 2000, omstreeks 08.00 uur, brak er brand uit bij het afval-verwerkingsbedrijf ATF De Pijp in Drachten. De belangrijkste vraag aan RIVM en RIKILT was of de emissies zouden kunnen leiden tot risico's voor de consument door het gebruik van verontreinigde melk en/of andere dierlijke producten uit het door depositie verontreinigde gebied. Daartoe zijn gras- en melkmonsters onderzocht op toxische stoffen. Tevens zijn de maximale concentraties van deze stoffen vastgesteld in de rook, zo dicht mogelijk bij de brand. De analyses lieten zien dat in het gras tot op een afstand van circa 1000 meter de normen voor veevoeder hier en daar werden overschreden. Echter als gevolg van de maatregelen - weideverbod tot 5000 m, maaien en afvoeren gras tot op een afstand van 1500 m - hebben de landbouwhuisdieren niet, of hooguit zeer kort, blootgestaan aan de gedeponeerde verontreinigingen. Dat wordt weerspiegeld in de melkmonsters, die geen van alle afwijkende gehaltes bevatten. De concentraties van een aantal componenten in de rook was duidelijk verhoogd ten opzichte van achtergrondwaarden en gezondheidkundige advieswaarden voor lange termijn blootstelling. Door de relatief grote afstand tot de eerste woonbebouwing, in combinatie met de beperkte duur van de brand (enkele uren), wordt de kans op blijvende effecten op de gezondheid ten gevolge van de inademing van de rook gering geacht. Over directe gezondheidseffecten die kunnen zijn opgetreden door inademing van rookgassen in de directe omgeving van de brand, kunnen geen uitspraken worden gedaan daar geen kwantitatieve meetgegevens beschikbaar zijn
    • Onderzoek naar de gezondheidsrisico's van de emissies van de brand bij ATF in Drachten

      Bruggen M van; Baars AJ; Traag WA; Rikilt; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-12)
      A large fire in May 2000 at a hazardous waste disposal site in Drachten (northern Netherlands), where waste included batteries, PCBs, insecticides and paint, has threatened a Netherlands dairy district. The Dutch National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) and the State Institute for Quality Control of Agricultural products (RIKILT-DLO) were assigned the task of assessing potential human health risks due to the emissions by examining the contamination of grass - the staple food for cattle in summertime - and milk. Concentrations of contaminants in smoke were also examined to rule out inhalatory risks to the exposed population. Analyses showed that up to about 1000 m downwind of the fire, concentrations of heavy metals and dioxins in grass exceeded guidelines for animal food at several locations. However, due to the fact that (i) up to a distance of 1500 m downwind of the fire, the grass was cut and disposed of and (ii) the cattle had been kept inside for several days, concentrations of heavy metals and dioxins in milk did not exceed background concentrations. Dispersion modelling revealed that at a distance of 1000 m (the distance to the nearest dwellings), dilution of the smoke made risks to humans unlikely.
    • Orienterende Evaluatie Gezondheidsrisico door Metalen in Tatoeages

      Janssen PJCM; Baars AJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-13)
      Recent investigations by the Dutch Health Inspectorate have revealed that tattoo colours frequently contain metals. We conducted a preliminary evaluation of the health risks to which consumers may be exposed and conclude that the presence of the metals is not very likely to cause long-term toxic reactions in internal organs of those with tattoos. An exception is made, however, for chromium which, when present in the valence state of +6, can produce such toxic effects. In addition, an increased cancer risk is expected when tattoos contain chromium+6. The possible local effects (on the treated skin site) produced by metals in tattoos can be assessed to a limited degree only based on present knowledge. Nevertheless it can be concluded that the probability of local effects will be high where chromium (+6) or nickel are present in tattoos. Further, it is known from dermatological practice that cadmium, cobalt and mercury in tattoos may produce adverse skin reactions.
    • Orienterende Evaluatie Gezondheidsrisico door Metalen in Tatoeages

      Janssen PJCM; Baars AJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-13)
      Veel tatoeagekleurstoffen bevatten metalen, zo blijkt uit recent onderzoek door de Keuringsdienst van Waren. We hebben een eerste evaluatie uitgevoerd van de mogelijke risico's die dit oplevert voor de gezondheid van de consument. De uitkomst van deze evaluatie is dat naar verwachting de aangetroffen metalen geen lange-termijnschade aan inwendige organen zullen veroorzaken. Een uitzondering hierop is chroom dat, wanneer het aanwezig is als zeswaardig ion, wel dergelijke schade teweeg kan brengen. Ook wordt in dat geval een verhoogd kankerrisico verwacht. De mogelijk lokale effecten (in het behandelde huidgebied) door metalen in tatoeages zijn bij de huidige stand van kennis slechts zeer beperkt te beoordelen. Wel kan worden geconcludeerd dat de kans op lokale reacties groot is wanneer zeswaardig chroom of nikkel aanwezig zijn in tatoeages. Uit de dermatologische praktijk is verder bekend dat ook cadmium, kobalt en kwik huidreacties kunnen veroorzaken.