• Afstemming in de zorg. Een achtergrondstudie naar de zorg voor mensen met een chronische aandoening

      Baan CA; Hutten JBF; Rijken PM; NIVEL; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-11-05)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van de achtergrondstudie die het RIVM en NIVEL hebben uitgevoerd ten behoeve van de IGZ-rapportage 'Staat van de Gezondheidszorg 2003'. De studie is bedoeld als een eerste verkenning van de (keten)zorg voor 15 chronische aandoeningen in Nederland. Het gaat daarbij niet om de zorginhoud zelf maar om de afstemming van de zorgverlening tussen de betrokken zorgaanbieders.
    • Afstemming in de zorg. Een achtergrondstudie naar de zorg voor mensen met een chronische aandoening

      Baan CA; Hutten JBF; Rijken PM; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNIVEL, 2003-11-05)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van de achtergrondstudie die het RIVM en NIVEL hebben uitgevoerd ten behoeve van de IGZ-rapportage 'Staat van de Gezondheidszorg 2003'. De studie is bedoeld als een eerste verkenning van de (keten)zorg voor 15 chronische aandoeningen in Nederland. Het gaat daarbij niet om de zorginhoud zelf maar om de afstemming van de zorgverlening tussen de betrokken zorgaanbieders.<br>
    • A conceptual framework for budget allocation in the RIVM Chronic Disease Model - A case study of Diabetes Mellitus

      Hoogenveen RT; Feenstra TL; Baal PHM van; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-02)
      The research project 'Priority setting in chronic diseases: methodology for budget allocation' aims to develop a methodology to support optimal allocation of the health care budget with respect to chronic diseases. The current report describes the modelling steps required to address budget allocation questions regarding the prevention of chronic diseases and their complications with the RIVM Chronic Disease Model, with specific attention to diabetes mellitus. An extension of the RIVM Chronic Disease Model deals with the links between diabetes, its risk factors and its macrovascular complications. A health economics module computes outcomes in terms of intervention costs, costs of care and composite health effects. Finally, it is discussed how to formalize different preferences of policy makers in various objective functions and constraints. These three elements form the basis for the analysis of budget allocation questions in diabetes care. The model allows for the comparison of primary prevention with the prevention of complications in diagnosed patients as to costs of care and health effects. Furthermore, as it stands, the model with the health economics module per se is a useful tool for policy analysis, for instance, to compare the costs and effects of different interventions.
    • A conceptual framework for budget allocation in the RIVM Chronic Disease Model - A case study of Diabetes Mellitus

      Hoogenveen RT; Feenstra TL; van Baal PHM; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-02)
      Dit rapport beschrijft de elementen van een zogeheten 'budget allocatie model'. Dit model is bedoeld ter ondersteuning van beleidsmakers bij keuzes over de inzet van budget voor primaire preventie en/of preventie in de zorg bij chronische aandoeningen. Als concrete toepassing is gekozen voor Diabetes mellitus. Een uitbreiding van het RIVM Chronische Ziekten Model beschrijft het verband tussen diabetes, risicofactoren en hart- en vaatziektecomplicaties. Een gezondheidseconomische module berekent vervolgens gezondheidseffecten in termen van gewonnen levensjaren en voor kwaliteit van leven gecorrigeerde gewonnen levensjaren (QALYs), interventiekosten, en kosten van zorg. Ten slotte bespreken we hoe de voorkeuren van beleidsmakers kunnen worden geformaliseerd in doelstellingsfuncties en (budget-)beperkingen. Deze drie elementen zijn de basis voor een toepassing van budgetallocatie bij diabetes. De ontwikkelde methode is ook toepasbaar bij andere chronische ziekten, omdat we het bredere RIVM Chronische Ziekten model als uitgangspunt hebben gebruikt. Het nieuwe model voor diabetes is niet alleen een basis voor budgetallocatie, maar ook op zichzelf al bruikbaar om primaire preventie en verschillende vormen van preventie van complicaties bij diabetes te evalueren. Het model kan voor deze interventies de consequenties voor Nederland berekenen, zowel voor de kosten van zorg als voor de gezondheid.
    • Diabetes en depressie, een zorgelijk samenspel

      van Meeteren-Schram MT; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-12-04)
      Mensen met diabetes hebben twee keer zo vaak last van depressies als mensen zonder diabetes. Een betere herkenning en behandeling van depressies kan de complicaties van diabetes helpen voorkomen. Herziening van de diabeteszorg is nodig, omdat de huidige zorg deze gecombineerde problematiek te weinig onderkent. Dit concludeert het RIVM op basis van literatuuronderzoek in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Dit ministerie wil het aantal mensen met diabetes en diabetesgerelateerde complicaties terugdringen. Jaarlijks heeft een op de zes Nederlanders met diabetes last van depressieve symptomen; ruim honderdduizend mensen. Van hen wordt slechts twintig tot vijftig procent herkend binnen de diabeteszorg. Depressieve mensen met diabetes lopen een groter risico op complicaties van diabetes, zoals hart- en vaatziekten, nierziekten en oogziekten. Bovendien hebben zij een verminderde kwaliteit van leven, slechtere glucosewaarden en betalen zij meer zorgkosten. De behandeling van een depressie bij mensen met diabetes blijkt dubbel effectief. Niet alleen de psychische klachten kunnen verdwijnen, er zijn ook aanwijzigen dat de glucosewaarden verbeteren. Het RIVM adviseert daarom de Zorgstandaard van de Nederlandse Diabetes Federatie aan te passen zodat er in de diabeteszorg aandacht is voor psychosociale problematiek. Het huidige beleid voor diabetes is ingezet op zelfzorg, hoewel mensen met diabetes en depressie minder goed in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat mensen met een depressie meer kans op diabetes hebben. Dit pleit ervoor ook de richtlijnen voor depressiezorg aan te passen.
    • Diabetes in Nederland. Omvang, risicofactoren en gevolgen, nu en in de toekomst

      Poortvliet MC; Schrijvers CTM; Baan CA; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-10-23)
      This report describes the current diabetes situation in the Netherlands and future developments in the absence of policy changes. In 2003, over 600.000 people in the Netherlands were suffering from diabetes. Especially due to ageing of the population and the growing number of overweight people, the number of people with diabetes is estimated to have doubled by the year 2025. At least five million Dutch people are overweight and/or do not engage in physical activity, with a consequent increased risk of diabetes. In addition, some 900.000 persons of 60 years and older have pre-stage diabetes (Impaired Glucose Tolerance) and another 115.000 to 300.000 persons are even unaware that they have diabetes. Diabetes is a serious chronic disease. At minimum 40 to 56 percent of the people with diabetes experience at least one chronic complication, such as cardiovascular diseases, eye-anomalies and kidney disease. The risk of complications is higher for people with a longer history of the disease and for diabetics with high blood glucose levels, high blood pressure and high cholesterol levels. Prevention and health care interventions may lower the risk of diabetes and its complications. Such interventions include promoting a healthy lifestyle among high-risk populations, early detection and treatment of high-risk people and of people who are unaware they have diabetes, and improving diabetes care. The Ministry of Health, Welfare and Sport is currently developing a National Diabetes Action Program. To underpin this program, RIVM will estimate the program's effect on the future number of people suffering from diabetes and its complications. This report presents data on the current situation of diabetes in the Netherlands that will allow such estimates to be made.
    • Diabetes tot 2025. Preventie en zorg in samenhang

      Baan CA; Schoemaker CG; Jacobs-van der Bruggen MAM; Hamberg-van Reenen HH; Verkleij H; Heus S; Melse JM; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-12)
      Diabetes vormt een belangrijk maatschappelijk probleem, dat steeds groter wordt. Vooral het aantal mensen met diabetes type 2 neemt sterk toe, en niet alleen in Nederland. Deze toename is zorgelijk en reden voor aandacht vanuit het beleid. In de preventienota 'Kiezen voor gezond leven' uit 2006 formuleerde het ministerie van VWS een langetermijnvisie op de preventie van diabetes, voor de periode 2005 tot 2025. Daarbij werden forse ambities geformuleerd ten aanzien van de beperking van de groei van het aantal mensen met diabetes tussen 2005 en 2025, en het percentage diabetespatienten zonder complicaties in 2025. Om de omstandigheden en randvoorwaarden te creeren die vereist zijn voor het realiseren van de ambities en het vormgeven van de programmatische aanpak van diabetes is begin 2007 in het kabinet besloten om een Actieprogramma Diabetes te laten ontwikkelen. De Nederlandse Diabetes Federatie is gevraagd om dit Nationaal Actieprogramma Diabetes (NAD) vorm te geven en te coordineren. Het ontwerp van dit programma is in februari 2009 aan de minister aangeboden. Aan het RIVM is gevraagd om een rol te spelen in de voorbereiding, voortgang en toetsing van het NAD. Daartoe heeft het RIVM de bestaande kennis op het terrein van preventie en zorg in brede zin geanalyseerd en geintegreerd, en werden toekomstige ontwikkelingen verkend. Een deel van de resultaten zijn eerder in enkele deelrapporten van het RIVM gepubliceerd. In dit rapport is de informatie uit deze eerdere deelrapporten geactualiseerd, geintegreerd en voorzien van (beleids)aanbevelingen. Daarnaast biedt het rapport ook aanknopingspunten voor de programmatische aanpak van andere chronische ziekten.
    • Diabetesinterventies in kaart. Inventarisatie van diabetesinterventies op het terrein van preventie en zorg in Nederland

      Hamberg-van Reenen HH; van Meeteren-Schram MT; Heus SM; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-24)
      Het Nederlandse diabetesveld is zeer gemotiveerd om de diabetesproblematiek aan te pakken. Vooral in de diabeteszorg worden aanzienlijke inspanningen geleverd. Er bestaat een zeer ruim aanbod aan interventies, gericht op patienten en zorgverleners, maar ook op kwaliteit van zorg en de organisatiestructuur. Daarnaast lopen er veel preventieve interventies gericht op leefstijlfactoren, maar slechts een handvol heeft het voorkomen van diabetes expliciet tot doel. Het aanbod van vroegtijdige opsporing van diabetes of pre-diabetes is beperkt. Dit kan worden geconcludeerd uit een onderzoek van het RIVM waarin een zo compleet mogelijk overzicht van de inhoud, het (potentiele) bereik en de (kosten)effectiviteit van kansrijke interventies op het gebied van diabetespreventie en -zorg in Nederland wordt gegeven. In dit onderzoek zijn alle gevonden interventies beoordeeld op basis van de volledigheid van de projectbeschrijving en de degelijkheid van de methodiek. De effectiviteit van een deel van de interventies is wetenschappelijk bewezen. Het gaat hierbij om interventies gericht op zelfmanagement, bewegen en voedingsadviezen door middel van motivational interviewing. De onderlinge samenhang ontbreekt echter. Een systeem van certificering van diabetesinterventies is niet voorhanden en er is nauwelijks informatie beschikbaar over de implementeerbaarheid van diabetesinterventies. Veel diabetesinterventies hebben een klein bereik, waardoor een landelijke dekking ontbreekt. Er is structurele financiering nodig voor de gehele keten van diabetespreventie en -zorg. Een landelijke en algemeen toegankelijke database, waarin (kosten)effectiviteit en implementatiepotentieel van alle diabetesinterventies op een gestructureerde manier wordt beschreven, kan een stimulans bieden voor landelijke implementatie. Meer aandacht voor deskundigheidsbevordering kan een impuls geven aan het naleven van de zorgstandaard en richtlijnen. De samenwerking binnen de zorg moet verder worden bevorderd, zodat diabetespreventie en -zorg op maat geleverd kunnen worden.
    • Drie jaar integrale bekostiging van diabeteszorg : Effecten op zorgproces en kwaliteit van zorg

      Struijs JN; de Jong-van Til JT; Lemmens LC; Drewes HW; de Bruin SR; Baan CA; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-24)
      Sinds 2007 is het mogelijk om standaard diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes via zorggroepen te bekostigen. In dit rapport worden de effecten van dit nieuwe bekostigingsmodel (integrale bekostiging (IB)) op het zorgproces en de kwaliteit van de diabeteszorg beschreven. Er zijn diverse veranderingen in het zorgproces zichtbaar. Zo zijn veel taken van de huisarts gedelegeerd naar de praktijkondersteuner en worden oogcontroles vaker uitgevoerd door een optometrist in plaats van de oogarts. De patiënt wordt nog te weinig betrokken bij het zorgproces. Zelfmanagementondersteuning is nog niet goed ontwikkeld. Ook wordt de patiënt niet altijd geïnformeerd over het feit dat hij voor de diabeteszorg is aangesloten bij een zorggroep. Het effect van IB op de kwaliteit van zorg is niet eenduidig te interpreteren. Er zijn (kleine) verbeteringen in procesen uitkomstindicatoren te zien. Deels door kwaliteitsverbetering en deels door verbetering in het registratieproces. Zo is het percentage patiënten met een systolische bloeddruk of cholesterolgehalte onder de streefwaarde toegenomen met respectievelijk 6 en 10 procentpunten. De klinische relevantie van de verbeteringen zijn onduidelijk. Langetermijneffecten, zoals het voorkomen of uitstellen van complicaties, zijn nog niet aan te tonen. De transparantie van de kwaliteit van de zorg is toegenomen maar nog steeds onvoldoende. ICT-systemen voldoen nog niet aan de toenemende informatiebehoefte van alle betrokkenen en er is ook te weinig eenheid in het registeren van zorggegevens. Inzicht in effecten van IB op de lange termijn is belangrijk om IB op zijn waarde te kunnen schatten.
    • Effect van integrale bekostiging op curatieve zorgkosten : Een analyse voor diabeteszorg en vasculair risicomanagement op basis van registratiebestanden Vektis, 2007-2010

      Struijs J; Mohnen SM; Molema CCM; de Jong-van Til JT; Baan CA; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-26)
      In dit rapport wordt de invoering van zorgprogramma's diabetes en vasculair risicomanagement (VRM) in kaart gebracht en de effecten van integrale bekostiging (IB) op de curatieve zorgkosten van diabetes beschreven. Bij de invoering van IB was de verwachting dat de kwaliteit van de zorg zou toenemen en dat er tegelijkertijd taakherschikking en taakdelegatie zou optreden. Hierdoor zouden de zorgkosten kunnen dalen en de chronische (diabetes)zorg doelmatiger worden. De resultaten van dit onderzoek zijn gebaseerd op de zorgdeclaraties van alle Nederlandse zorgverzekeraars voor mensen met diabetes, verzameld en beheerd door Vektis. Deze declaratiegegevens bevatten de declaraties van de zorg die valt binnen het basispakket in het kader van de Zorgverzekeringswet inclusief de kosten van het eigen risico van de patiënt. In 2010 werden vrijwel overal in Nederland zorgprogramma's diabetes via IB aangeboden; bijna 100 zorgroepen boden dit aan. Daarentegen werden zorgprogramma's VRM beperkt gecontracteerd in 2010; slechts zeven zorggroepen in het zuiden van het land boden dit aan. Curatieve zorgkosten van een diabetespatiënt bedroegen ongeveer 4800 in 2009. De kosten van ziekenhuiszorg (ongeveer 2500 per patiënt) en in mindere mate de medicatiekosten (ongeveer 1100 per patiënt) maakten hiervan het grootste onderdeel uit. Het aandeel van de kosten van huisartsenzorg was beperkt; ongeveer 400 per patiënt. De curatieve zorgkosten van mensen die participeerden in een zorgprogramma VRM hebben betrekking op declaratiegegevens uit het vierde kwartaal van 2010 en bedroegen ongeveer 1350 per patiënt voor het laatste kwartaal in 2010. De kosten van de curatieve zorg van patiënten in een zorgprogramma bekostigd via IB waren in 2009 288 meer gestegen dan de kosten van de curatieve zorg van patiënten die reguliere zorg ontvingen. De kostenstijging van patiënten in een zorgprogramma bekostigd via koptarief verschilde niet significant van de patiënten die reguliere zorg kregen. Het onderzoek liet verder zien dat deelnemers aan een zorgprogramma diabetes, bekostigd via IB, in 2009 bijna 25% minder vaak gebruikmaakten van het ziekenhuis in vergelijking met diabetespatiënten die reguliere zorg ontvingen. Als alleen gekeken wordt naar diabetesspecifieke dbc's dan is de invloed van deelname aan een zorgprogramma nog duidelijker te zien; bijna 40% minder diabetespatiënten in een zorgprogramma gingen naar het ziekenhuis ten opzichte van patiënten met reguliere diabeteszorg. De kosten per patiënt die ziekenhuizen maakten voor diabetesgerelateerde zorg namen licht af. Opmerkelijk genoeg namen de totale ziekenhuiskosten van deze patiënten juist toe en verklaarden bijna de helft van de toename van de totale curatieve zorgkosten. Bij koptarief werd deze stijging in totale ziekenhuiskosten niet gevonden.
    • Effectevaluatie van transmurale diabeteszorg in Nederland

      Struijs JN; Westert GP; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-12)
      The Ministry of Health wants to improve the quality of diabetes care in the Netherlands by improving the coordination between health care providers. This coordination between health care providers (like general practitioners, specialised diabetes nurses, specialist and dieticians, etc.) takes place in transmural diabetes care projects. During the last years, many transmural diabetes care projects were already set up by the health care providers themselves. The Ministry of Health has asked the RIVM to investigate to what extent the diabetes transmural care projects have improved the care of patients with diabetes mellitus. Transmural diabetes care result in a better control of patients with diabetes mellitus. In addition, we investigate what the effects of transmural care were on patient outcomes like blood glucose level (Hba1c), blood pressure, cholesterol and bodyweight (BMI). Transmural care lowers the Hba1c levels and probably also have positive effects on the cholesterol level of patients with diabetes mellitus. We could be, however, less conclusive about on cardiovascular risk factors and diabetes related complications like a diabetic foot, eye complications or cardiovascular diseases. It is likely that good Hba1c levels and cholesterol levels will lower the number of diabetes related complications, since high Hba1c and cholesterol levels are risk factors for diabetes related complications. Although transmural care project has resulted in improvements in Hba1c and cholesterol levels, still improvements can be made, mainly on the prevention of cardiovascular risk factors (blood pressure and body weight).
    • Effectevaluatie van transmurale diabeteszorg in Nederland

      Struijs JN; Westert GP; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-12)
      Het Ministerie van VWS wil de kwaliteit van de diabeteszorg verhogen door middel van het verbeteren van de samenwerking tussen zorgverleners. Deze samenwerking tussen zorgverleners (zoals huisartsen, diabetesverpleegkundigen, internisten, dietisten, etc.) vindt plaats in transmurale diabeteszorgprojecten. In de afgelopen jaren is er al een aantal van zulke initiatieven op dit gebied ondernomen door zorgverleners zelf. Het Ministerie heeft het RIVM gevraagd om te onderzoeken in hoeverre de reeds bestaande samenwerkingsverbanden leiden tot een betere zorg voor mensen met diabetes. Transmurale diabeteszorg leidt er toe dat mensen met diabetes vaker worden gecontroleerd. Daarnaast is onderzocht wat het effect is van transmurale diabeteszorg voor de patienten . Er wordt daarbij gekeken naar de hoogte van de bloedsuikerspiegel (HBA1c), bloeddruk, cholesterol en lichaamsgewicht. Door de transmurale zorg is de bloedsuikerspiegel verlaagd en lijkt ook het cholesterol gehalte te dalen. Het effect van transmurale zorg op het ontwikkelen van complicaties van diabetes mellitus zoals diabetische voet, oogaandoeningen of hart- en vaatziekten is nog onduidelijk vanwege de korte follow-up duur in de beschikbare gegevens. Het is aannemelijk dat de verlaagde bloedsuikerspiegel en cholesterol op termijn leiden tot een afname in diabetescomplicaties. De onderzochte factoren zijn immers risicofactoren voor complicaties van diabetes. Ondanks de al gevonden verbeteringen in de onderzochte transmurale diabeteszorgprojecten is er nog ruimte voor verdere verbetering, met name op het gebied van de preventie van risicofactoren voor hart- en vaatziekten (bloeddruk en lichaamsgewicht).
    • Effectiviteit van disease management. Een overzicht van de (internationale) literatuur

      Drewes HW; Boom JHC; Graafmans WC; Struijs JN; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-24)
      Onderzoek toont aan dat disease-managementprogramma's een positief effect hebben op de behandeling van chronisch zieken. In deze programma's wordt de zorg door verschillende behandelaars en instellingen beter op elkaar afgestemd. De zorg rond chronisch zieken is gefragmenteerd waardoor het risico bestaat dat chronisch zieken geen optimale zorg krijgen. Om de zorg voor chronisch zieken te optimaliseren en de groeiende zorglast door de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden, zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken te verbeteren. Disease-managementprogramma's kunnen hieraan bijdragen. Op basis van een inventarisatie van de internationale literatuur is onderzocht wat het effect is van disease-managementinitiatieven voor chronisch zieken in het algemeen en voor de specifieke ziekten COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease), chronisch hartfalen, depressie en diabetes. Hierbij is onderzocht wat het effect is van deze programma's op de ernst van de ziekte, sterfte, kwaliteit van leven, de zorgverlening en de tevredenheid van patienten. Tussen de verschillende studies is veel variatie in de activiteiten die in het kader van disease- managementprogramma's worden uitgevoerd. Disease-managementinitiatieven met meerdere activiteiten lijken effectiever dan initiatieven met slechts een activiteit. Daarnaast blijken multidisciplinaire teams, preventie, en medicatievoorschriften door casemanagers regelmatig deel uit te maken van effectieve initiatieven. Hoewel de variatie in de onderzochte studies groot was, concluderen we dat disease-managementprogramma's in het algemeen een positief effect kunnen hebben voor chronisch zieken.
    • Effects of bundled payment on curative health care costs in the Netherlands : An analysis for diabetes care and vascular risk management based on nationwide claim data, 2007-2010

      Struijs JN; Mohnen SM; Molema CCM; de Jong-van Til JT; Baan CA; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-11-05)
      In dit rapport wordt de invoering van zorgprogramma's diabetes en vasculair risicomanagement (VRM) in kaart gebracht en de effecten van integrale bekostiging (IB) op de curatieve zorgkosten van diabetes beschreven. Bij de invoering van IB was de verwachting dat de kwaliteit van de zorg zou toenemen en dat er tegelijkertijd taakherschikking en taakdelegatie zou optreden. Hierdoor zouden de zorgkosten kunnen dalen en de chronische (diabetes)zorg doelmatiger worden. De resultaten van dit onderzoek zijn gebaseerd op de zorgdeclaraties van alle Nederlandse zorgverzekeraars voor mensen met diabetes, verzameld en beheerd door Vektis. Deze declaratiegegevens bevatten de declaraties van de zorg die valt binnen het basispakket in het kader van de Zorgverzekeringswet inclusief de kosten van het eigen risico van de patient. In 2010 werden vrijwel overal in Nederland zorgprogramma's diabetes via IB aangeboden; bijna 100 zorgroepen boden dit aan. Daarentegen werden zorgprogramma's VRM beperkt gecontracteerd in 2010; slechts zeven zorggroepen in het zuiden van het land boden dit aan. Curatieve zorgkosten van een diabetespatient bedroegen ongeveer 4800 in 2009. De kosten van ziekenhuiszorg (ongeveer 2500 per patient) en in mindere mate de medicatiekosten (ongeveer 1100 per patient) maakten hiervan het grootste onderdeel uit. Het aandeel van de kosten van huisartsenzorg was beperkt; ongeveer 400 per patient. De curatieve zorgkosten van mensen die participeerden in een zorgprogramma VRM hebben betrekking op declaratiegegevens uit het vierde kwartaal van 2010 en bedroegen ongeveer 1350 per patient voor het laatste kwartaal in 2010. De kosten van de curatieve zorg van patienten in een zorgprogramma bekostigd via IB waren in 2009 288 meer gestegen dan de kosten van de curatieve zorg van patienten die reguliere zorg ontvingen. De kostenstijging van patienten in een zorgprogramma bekostigd via koptarief verschilde niet significant van de patienten die reguliere zorg kregen. Het onderzoek liet verder zien dat deelnemers aan een zorgprogramma diabetes, bekostigd via IB, in 2009 bijna 25% minder vaak gebruikmaakten van het ziekenhuis in vergelijking met diabetespatienten die reguliere zorg ontvingen. Als alleen gekeken wordt naar diabetesspecifieke dbc's dan is de invloed van deelname aan een zorgprogramma nog duidelijker te zien; bijna 40% minder diabetespatienten in een zorgprogramma gingen naar het ziekenhuis ten opzichte van patienten met reguliere diabeteszorg. De kosten per patient die ziekenhuizen maakten voor diabetesgerelateerde zorg namen licht af. Opmerkelijk genoeg namen de totale ziekenhuiskosten van deze patienten juist toe en verklaarden bijna de helft van de toename van de totale curatieve zorgkosten. Bij koptarief werd deze stijging in totale ziekenhuiskosten niet gevonden.
    • Etnische verschillen in diabetes, risicofactoren voor hart- en vaatziekten en zorggebruik. Resultaten van de Amsterdamse Gezondheidsmonitor 2004

      Bos G; Jacobs-van der Bruggen MAM; Ujcic-Voortman JK; Uitenbroek DG; Baan CA; GGD Amsterdam, Cluster Epidemiologie, Documentatie en Gezondheidsbevordering; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-06-08)
      The prevalence of diabetes in inhabitants of Amsterdam (18 years and older) is 4%. The prevalence of diabetes is three times higher among Turkish people and four times higher among Moroccans in comparison to Dutch people. Turkish diabetes patients have a higher mean body mass index compared to Dutch diabetes patients, but Turkish and Moroccan diabetes patients are admitted to hospital less often than Dutch diabetes patients. It is important for policy makers to know the differences in disease prevalence and health care use between ethnic groups, considering the expected rise in the proportion of immigrants. These results formed contributions to this report that was brought out by the National Institute for Public Health and the Environment and in cooperation with the Amsterdam Health Monitor of the Amsterdam Health Service. Forty-three percent of the 4042 invited Amsterdam inhabitants participated in the study in 2004. Ethnic differences in health and health care use were analyzed for the age group of 18-70 years, standardized for age and gender. Turkish and Moroccan people without diabetes differed from Dutch people without diabetes on many counts. For example, Turkish and Moroccan people were more often overweight and had higher mean blood glucose levels. They visited their general practitioners more often and experienced their own health as being moderate or poor on a more frequent basis. Turkish people without diabetes experienced more serious cardiac problems than Dutch people. The prevalence of cardiovascular risk factors in diabetes patients was high among all ethnic groups. In general, cardiovascular risk factors were more frequent in Turkish diabetes patients, and to a lesser extent in Moroccan diabetes patients, compared to Dutch diabetes patients. Treatment of cardiovascular risk factors in diabetes patients is important for the prevention of or delay in cardiovascular complications.
    • Experimenteren met de keten-dbc diabetes : Experimenting with a bundled payment system for diabetes care in the Netherlands : The first tangible effects

      Struijs JN; Til JT van; Baan CA; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-11-12)
      Diabetes vormt een maatschappelijk probleem, dat steeds groter wordt. Het aantal mensen met diabetes type 2 neemt sterk toe. Deze sterke toename heeft grote gevolgen voor de zorglast en de kosten. In het (preventie)beleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is diabetes daarom al jaren een van de prioritaire chronische ziekten. De laatste jaren zijn er veel ontwikkelingen binnen de diabeteszorg in gang gezet met als doel om de effectiviteit en de kwaliteit van de diabeteszorg te verbeteren. Deze ontwikkelingen richten zich onder andere op multidisciplinaire samenwerking. Belangrijke struikelblokken bij het tot stand komen van samenwerkingsverbanden zijn de versnipperde bekostiging van de verschillende onderdelen van de diabeteszorg en de bekostiging van activiteiten die niet tot de directe zorgverlening behoren, zoals afstemmingsoverleg en ICT. Het ministerie van VWS heeft daarom het plan opgevat voor integrale bekostiging van diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes. Op experimentele basis is in een tiental zorggroepen gewerkt met een keten-dbc diabetes binnen het ZonMw programma Diabetes Ketenzorg. Dit experiment is door het RIVM geëvalueerd. Het doel van de evaluatie is inzicht te verkrijgen in de organisatie van de diabeteszorg via zorggroepen, het werken met de keten-dbc, de tevredenheid van alle betrokken partijen en de kwaliteit van de zorg. De resultaten van de evaluatie worden in dit rapport beschreven.
    • Experimenting with a bundled payment system for diabetes care in the Netherlands : The first tangible effects

      Struijs JN; van Til JT; Baan CA; PZP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-10-29)
      Diabetes vormt een maatschappelijk probleem, dat steeds groter wordt. Het aantal mensen met diabetes type 2 neemt sterk toe. Deze sterke toename heeft grote gevolgen voor de zorglast en de kosten. In het (preventie)beleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is diabetes daarom al jaren een van de prioritaire chronische ziekten. De laatste jaren zijn er veel ontwikkelingen binnen de diabeteszorg in gang gezet met als doel om de effectiviteit en de kwaliteit van de diabeteszorg te verbeteren. Deze ontwikkelingen richten zich onder andere op multidisciplinaire samenwerking. Belangrijke struikelblokken bij het tot stand komen van samenwerkingsverbanden zijn de versnipperde bekostiging van de verschillende onderdelen van de diabeteszorg en de bekostiging van activiteiten die niet tot de directe zorgverlening behoren, zoals afstemmingsoverleg en ICT. Het ministerie van VWS heeft daarom het plan opgevat voor integrale bekostiging van diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes. Op experimentele basis is in een tiental zorggroepen gewerkt met een keten-dbc diabetes binnen het ZonMw programma Diabetes Ketenzorg. Dit experiment is door het RIVM geëvalueerd. Het doel van de evaluatie is inzicht te verkrijgen in de organisatie van de diabeteszorg via zorggroepen, het werken met de keten-dbc, de tevredenheid van alle betrokken partijen en de kwaliteit van de zorg. De resultaten van de evaluatie worden in dit rapport beschreven.
    • Koppeling van anonieme huisartsgegevens aan ziekenhuisregistraties

      Struijs JN; Baan CA; Slobbe LCJ; Droomers M; Westert GP; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-01-17)
      This report focuses on the health care utilisation of chronically ill people by linking data on referrals by general practitioners (GPs) with data on health care utilisation in the Netherlands. The GP data were obtained from the Second Dutch National survey of General Practice, carried out by the National Institute of Health Services Research (Nivel) and the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). Data on hospital utilisation were derived from the National Medical Register (LMR) and the National Register of ambulatory care (LAZR). Prismant maintains both databases. The linkage was carried out for a selection of patients with a referral by their GP and with one of the following chronic diseases: diabetes mellitus, coronary heart disease, stroke, hypertension, arthrosis, chronic low back pain, chronic hip and knee complains, chronic neck and shoulder complains, chronic obstructive pulmonary disease (COPD) and asthma. In the absence of a unique identifier in the Netherlands, the record linking was carried out using the combination of date of birth, gender and four-digit postal code of the patients. Of all patients referred by their GP to a medical specialist 87% could be linked to a hospital admission, an outpatient treatment or an outpatient visit. This report presents the multidisciplinary health care utilisation of chronically ill patients. We investigated also to what extent the diagnosis of the GP matches the diagnosis at discharge from the hospital. For the greater part, the diagnosis matches to the hospital diagnosis. For patients with arthrosis and hip and knee complains the diagnosis of the GP matches in 60% of the cases with the diagnosis at discharge from the hospital. In addition to that, we also studied the follow-up by GPs for patients with a hospital admission. GPs have contact with 47% of the chronically ill patients within a week after hospital discharge.
    • Koppeling van anonieme huisartsgegevens aan ziekenhuisregistraties

      Struijs JN; Baan CA; Slobbe LCJ; Droomers M; Westert GP; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-01-17)
      Doel van dit project is om door middel van het koppelen van bestaande registraties inzicht te krijgen in het transmuraal zorggebruik van chronisch zieken in verschillende zorgsectoren (huisartsen- en ziekenhuiszorg). Op deze manier wordt getracht meer inzicht te verschaffen in de afstemming en samenhang van de verschillende schakels in de (keten)zorg van chronisch zieken. Dit rapport beschrijft een geanonimiseerde koppeling van huisartsgegevens aan landelijke ziekenhuisregistraties. De koppeling is uitgevoerd voor een aantal chronische ziekten: diabetes mellitus, artrose, lage rugklachten, nek- en schouderklachten, heup- en knieklachten, coronaire hartziekten, beroerte (inclusief TIA), hypertensie, astma en long emfyseem. De koppeling is uitgevoerd op basis van de volgende koppelsleutel: geboortedatum, 4-cijferige postcode en geslacht van de patient. In de koppeling kan 87% van de patienten, die door de huisarts is doorverwezen naar de tweede lijn, gekoppeld worden aan de ziekenhuisregistraties. Dit rapport beschrijft het gebruik van huisartsen- en ziekenhuiszorg van chronisch zieken. Men zou verwachten dat de diagnose waarmee de patient door de huisarts is doorverwezen naar het ziekenhuis gelijk is aan de diagnose die wordt geregistreerd in het ziekenhuis bij ontslag. Bij het grootste deel van de patienten is dit het geval, maar de overeenstemming is niet 100%. Bijvoorbeeld voor artrose en voor heup- en knieklachten is het overeenstemmingspercentage ruim 60%. Na ontslag uit het ziekenhuis heeft ongeveer de helft (47%) binnen een week contact met de huisarts.
    • Landelijke monitor populatiemanagement : Deel 1: beschrijving proeftuinen

      Drewes HW; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-03-25)
      In Nederland zijn verschillende initiatieven gestart om zorg en ondersteuning op regionaal niveau anders vorm te geven. Deze regionale populatiegerichte aanpak wordt ook wel populatiemanagement genoemd. Doel van de initiatieven is de gezondheid van de populatie en de kwaliteit van de zorg te verbeteren en de kosten van de zorg te beheersen. Het ministerie van VWS heeft op voordracht van de zorgverzekeraars negen van deze regionale initiatieven geselecteerd als 'proeftuinen'. Het RIVM volgt deze proeftuinen om beter zicht te krijgen op het implementatieproces, op de succes- en faalfactoren en op het effect van de initiatieven op de gezondheid van de populatie en de kwaliteit en kosten van de zorg. Op dit moment zijn de proeftuinen sterk in ontwikkeling. Begin 2014 vormen de proeftuinen netwerken, vastgelegd in convenanten of samenwerkingsovereenkomsten. In de proeftuinen nemen veelal eerstelijnszorgorganisaties, ziekenhuizen en zorgverzekeraars deel, in variërende mate aangevuld met andere actoren zoals de gemeente. De populaties van de proeftuinen zijn op verschillende manieren afgebakend: geografisch (alle inwoners van een of meerdere gemeenten), op basis van het verzorgingsgebied van de betrokken huisartsen of zorggroepen, en ten slotte wordt nog onderscheid gemaakt tussen wel of niet verzekerd zijn bij de betrokken zorgverzekeraar. Iedere proeftuin heeft verschillende programma's (thema's) en een bijbehorende set interventies opgesteld. De scope van de programma's is breed en varieert tussen de proeftuinen. De interventies richten zich vaak op thema's als substitutie van zorg (verschuiving van zorg van tweede lijn naar eerste lijn), integratie van zorg (eventueel met welzijn) en preventie. In eerste instantie worden de interventies vooral toegepast op chronische zorg, medicatiegebruik en zorg rondom ontslag. De proeftuinen richten zich grotendeels nog op de eerste- en tweedelijnszorg. Wel is er de ambitie om dit gaandeweg uit te breiden met interventies in andere domeinen, zoals GGZ en jeugdzorg. De projectplannen van de proeftuinen zijn de afgelopen maanden verder uitgewerkt en de eerste interventies worden vanaf 2014 getest en/of geïmplementeerd. Nog niet voor alle geplande interventies is (structurele) financiering verworven. Vooralsnog zijn er tussen de deelnemende zorgaanbieder(s) en zorgverzekeraars in de proeftuinen geen definitieve afspraken gemaakt over uitkomstbekostiging en shared savings. Er zijn op dit gebied wel (voorzichtige) ontwikkelingen gaande, maar het is nog onduidelijk welke vorm dit gaat krijgen.