• Fungal resistance to polyene antibiotics with regard to the use of natamycin as a preservative on cheese

      Voogd; C.E.; Klingeren; B.van (1985-01-18)
      Op verzoek van Ned. autoriteiten op het gebied van de gezondheidszorg (HIL) is het gebruik van natamycine als schimmelwerend middel op kaas nogmaals geevalueerd. Zowel uit oude als recente gegevens in de literatuur kan worden geconcludeerd dat bovengenoemde toepassing van natamycine bij kaasbereiding geen gevolgen heeft t.a.v. mogelijke schade voor de gezondheid, veroorzaakt door microben. De belangrijkste overwegingen voor deze conclusie zijn: - De ontwikkeling van resistentie van fungi voor natamycine en andere polyeen- antibiotica zoals nystatine en amfotericine B is zelden waargenomen, bij verscheidene, waaronder ook therapeutische toepassingen. - Gekruiste resistentie tussen de polyeeantibiotica is niet volledig. - Overdraagbare poyleenresistentie is nooit waargenomen. - Polyeenresistente mutanten hebben een verminderde groeisnelheid en een verminderde pathogeniteit. - Fungi geisoleerd op kaas zijn voor de mens niet pathogeen. Lage concentraties van residuen van natamycine kunnen alleen op de korst worden verwacht.
    • Kwantitatief onderzoek naar de gevoeligheid van Bordetella bronchiseptica en Pasteurella multocida voor sulfonamiden

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1985-10-31)
      Teneinde kwantitatieve informatie te verkrijgen over de gevoeligheid en het resistentieniveau van Bordetella bronchiseptica en Pasteurella multocida voor sulfonamiden werd voor resp. 119 en 151 bij biggen/varkens geisoleerde stammen van deze species uit een vijftal veterinair bacteriologische centra de minimale remmingsconcentratie (MRC) bepaald van sulfadimidine (SDM) en sulfamethoxazol (SMX). De MRC's van SDM t.o.v. sulfa-gevoelige stammen waren doorgaans een factor 4 hoger dan die van SMZ. Ongeveer 1 op de 3 isolaten van B.bronchiseptica bleek resistent (MRC > 64 ug/ml) tegen beide sulfonamiden. Van de P.multocida isolaten was ca. 7% resistent tegen SMZ en 21% tegen SDM. Op grond hiervan kan worden betwijfeld of SDM onder de sulfonamiden de beste keus is bij atrofische rhinitis.
    • Kwantitatieve en kwalitatieve bepaling van de werkzaamheid in vitro van apramycine, flumequine en furazolidon t.o.v. Salmonella species en E.coli

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M.G. (1984-02-22)
      In het kader van de standaardisatie van gevoeligheidsbepalingen in de veterinair bacteriologische laboratoria is onderzoek verricht naar het verband tussen minimale remmingsconcentraties en remzonediameters voor de antimicrobiele diergeneesmiddelen apramycine, flumequine en furazolidon. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 76, veelal multiresistente, stammen van E.coli en Salmonella species. Alle stammen bleken gevoelig voor apramycine en, op een na, voor flumequine. Alleen voor furazolidon bleek de verdeling van MRC's en zonediameters zodanig dat berekening van een regressielijn mogelijk was.
    • Resistentiepeiling bij Neisseria gonorrhoeae in 1983 en 1984

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1985-08-31)
      In 1983 werd een aanvang gemaakt met de surveillance van de gevoeligheid van niet-penicillinase vormende gonokokken voor antimicrobiele geneesmiddelen in Nederland. In de periode 1983 t/m 1984 werden 869 isolaten onderzocht, afkomstig uit drie peilcentra t.w. Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Ongeveer 1 op de 6 isolaten bleek verminderd gevoelig voor penicilline G en amoxicilline (MRC 0,5 - 1 E(ug)/ml) en 20% was verminderd gevoelig voor tetracycline en tiamfenicol (MRC 2-4 ug/ml) 97% van alle stammen werd geremd door 0,25 ug/ml cefuroxim en 100% door 0,12 ug/ml cefotaxim. De meest voorkomende auxotypen zijn NR (non-requiring, 36%) en Pro-(proline afhankelijk, 33%). Verminderde gevoeligheid is vooral gerelateerd aan proline- afhankelijkheid, een eigenschap die ook bij penicillinase vormende gonokokken is waargenomen.
    • Surveillance van penicillinase vormende gonokokken in Nederland; incidentie in 1983

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1984-06-14)
      In 1983 bleek dat gemiddeld over Nederland ca 8% van alle positieve gonokokkenkweken een penicillinase vormer was. Dit betekent ten opzichte van 1982 (ca 11%) een daling, die voornamelijk wordt veroorzaakt door een halvering van de PVG-frequentie in Amsterdam. In de loop van het jaar is ook in Den Haag de PVG-frequentie aanzienlijk gedaald, namelijk van bijna 20% tot ca 5%. Aan het eind van 1983 was de incidentie van penicillinase vormende gonokokken in alle belangrijke centra lager dan 10%, de grens waar boven penicilline niet meer als eerste keus middel wordt aanbevolen bij infecties door N.gonorrhoeae.
    • Surveillance van penicillinase vormende gonokokken in Nederland; incidentie in 1984

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1985-06-01)
      In het kader van de surveillance van penicillinase vormende gonococcen (PVG's) in ons land zijn door enquetering van de inzendende laboratoria gegevens verzameld over de PVG-incidentie in 1984. Daaruit blijkt dat in dat jaar gemiddeld over Nederland ruim 7% van alle gonococcen isolaten een penicillinase-vormer was en derhalve resistent tegen penicilline G en aanverwante antibiotica. Deze incidentie is vrijwel gelijk aan die in 1983 (8%). Van de belangrijkste drie centra (Amsterdam, Rotterdam en Den Haag) lag in 1984 alleen in Den Haag de PVG-frequentie nog rond 10% de grens waarboven penicilline niet meer als middel van keuze wordt aanbevolen bij infecties door Neisseria gonorrhoeae.
    • Surveillance van penicillinase vormende gonokokken in Nederland; incidentie in 1985

      Klingeren; B.van; Dessens-Kroon; M.; Verheuvel; M. (1986-06-30)
      Evenals in voorafgaande jaren is voor 1985 op basis van enquetering en ontvangen isolaten een schatting gemaakt van de incidentie van penicillinase vormende gonokokken (PVG) binnen de totale populatie van positieve kweken van Neisseria gonorrhoeae in Nederland. Deze bedroeg 6,5%, hetgeen iets lager is dan in 1984 (7,2%). In het belangrijkste centrum, t.w. Amsterdam, was echter een lichte stijging waarneembaar tot ca. 9%. e belangrijkste daling deed zich voor in Den Haag, van ca. 11% in 1983 en 1984 tot ca. 5% in 1985.
    • Vergelijkend onderzoek naar de fungicide werking van desinfectantia

      Klingeren; B.van; Pullen; W. (1984-08-13)
      Bij vergelijking met een zestal desinfectantia ten opzichte van 2 gisten, 2 Aspergillus stammen en 2 dermatofieten is o.a. gevonden dan Aspergillus sporen veelal minder gevoelig zijn voor desinfectantia van gistcellen. Dit impliceert dat toekenning van een algemene fungicidie-aanprijzing op grond van de SST of de EST, waarin naast bacteriestammen alleen een gist is opgenomen, niet verantwoord is.