• AIVA ; Alternatieve inzamelsystemen voor afvalwater

      Gerlofsma; A.; Hoogt; L. de* (1987-03-31)
      Ongezuiverde lozingen van afvalwater kunnen o.a. worden opgeheven door het aanleggen van een inzamelsysteem, dat eindigt op een punt vanwaar afvoer en zuivering gewaarborgd is. Dikwijls is om technische en financiele redenen een conventioneel inzamelsysteem niet haalbaar. De alternatieve (mechanische) systemen kunnen uitkomst bieden. Een nadere beschrijving van deze systemen wordt gegeven ; tevens is een enquete opgenomen over ervaringen van reeds bestaande systemen in diverse gemeenten.
    • De analyse van zes pompproeven op korte filters, in de Nuenen-groep nabij Best

      Obdam; A. (1985-03-31)
      Ter verwerving van permeabiliteitsgegevens van de ondiepe ondergrond (< 30 m) nabij Best zijn zes zogeheten puntproeven van korte duur uitgevoerd (ca. 133 min). De resultaten zijn als volgt: 1) van 2,50 m - mv - 10,65 m - mv is een watervoerend pakket aanwezig met een horizontale - en een verticale permeabiliteit van 1,5 m/dag. 2) van 12,65 m - mv - 17,00 m - mv, is een watervoerend pakket aanwezig met een verticale- en een horizontale permeabiliteit van 4,2 m/dag. 3) van 18,70 m - mv - 28,70 m - mv is een watervoerend pakket aanwezig met een verticale- en horizontale permeabiliteit van 7,1 m/dag.
    • De biologische beschikbaarheid van het diureticum chloortalidon uit tabletten

      Olling; M.; Timmerman; A.; Rauws; A.G. (1985-11-30)
      De relatieve biobeschikbaarheid van drie generieke Chloortalidonpreparaten werd bij de hond bepaald met het merkpreparaat als referentie. AUC-waarden werden berekend over een periode van 72 uur op grond van plasma- en bloedspiegelbepalingen. De resultaten werden geevalueerd met behulp van het programma BIOTEST. Met AUC-waarden gebaseerd op erythrocytaire concentraties bleken alle preparaten bioequivalent. Met AUC-waarden gebaseerd op plasmaspiegels werden niet significante verschillen met het referentiepreparaat gevonden. Twee generieke preparaten verschilden onderling significant. Beide preparaten werden daarop in "steady state" met elkaar vergeleken. Hier werd een groter maar niet significant verschil gevonden. De gevonden verschillen hingen samen met opvallend grote variatie bij een van beide preparaten. Op grond hiervan werd dit van inferieure kwaliteit geacht te zijn.
    • Carcinogenicity study with epichlorohydrin (CEP) by gavage in rats

      Wester; P.W.; Heijden; C.A.van der; Bisschop; A.; Esch; G.J.van (1984-10-12)
      Aan Wistar ratten werd 5x per week gedurende minimaal twee jaar per maagsonde 0,2 resp. 10 mg/kg epichloorhydrine toegediend, waarbij naast lichaamsgewicht en sterfte vooral gelet werd op het ontstaan van tumoren. De voornaamste, aan de behandeling toegeschreven bevinding was het ontstaan van voormaagtumoren (plaveiselcelcarcinomen) in hoge incidentie in de 10 mg CEP/kg groep en in een lagere incidentie bij de 2 mg CEP/kg, terwijl dit type tumor bij de controledieren niet is waargenomen.
    • Dierexperimentele behandeling van paraquat- toxiciteit met desferrioxamine, gewassen erythrocyten of erythrocyten-cytosol

      Boonen; H.C.M.*; Hillen; F.C.; Jong; Y.de; Timmerman; A.; Dormans; J.A.M.A.; et al. (1986-06-30)
      Een paraquat intoxicatie bij de rat kon met de ijzerchelator desferrioxiamine via een chronisch infuus worden tegengegaan: het overlevingspercentage bleek tot 66,6% te stijgen na een desferrioxamine infuus van 100 mg/kg/24uur. Gewassen erythrocyten en cytosol hadden na intratracheale toediening geen invloed op de paraquat toxiciteit. De zuurstof toxiciteit bij de rat (100% zuurstof) kon worden tegengegaan met gewassen erythrocyten, niet met cytosol.
    • Evaluatie van de mogelijke effecten op aquatische ecosystemen van een aantal bestrijdingsmiddelen en verwante verbindingen aangetoond in Nederlandse oppervlaktewateren

      Canton; J.H.; Heijna-Merkus; E.; Koten-Vermeulen; J.E.M. van; Minderhoud; A. (1987-03-31)
      Op basis van literatuuronderzoek is een evaluatie gemaakt van de mogelijke effecten van 27 geselecteerde bestrijdingsmiddelen en ver- wante verbindingen voor het aquatisch milieu. De gehalten aan parathion en dichloorvos zijn zodanig dat dit tot effecten op het aquatisch ecosysteem geleid zal hebben, terwijl de aangetoonde concentraties dinoseb, pyrazofos, aniline, heptenofos en triazofos acute en/of chronische effecten een specifiek gevoelige groep van organismen veroorzaakt zullen hebben. Voor carbendazim is slechts eenmaal een concentratie bepaald die het acute toxiciteitsniveau benadert en voor de resterende verbindingen zijn de aangetoonde gehalten dusdanig laag dat geen effect op het ecosysteem verwacht kan worden. De gevonden concentraties pentachlooraniline en pentachloorthioanisool kunnen niet geevalueerd worden bij gebrek aan toxiciteitsgegevens.
    • Inventarisatie van de mogelijkheden van opberging van niet-radioactieve afvalstoffen in een droge zoutmijn

      Glasbergen; P.; Obdam; A.; Meijer; P.J.; Lokhorst; A.*; (1986-11-30)
      Ondergrondse opberging wordt thans in het buitenland toegepast. De hoeveelheden afvalstoffen die voor berging in Nederland in aanmerking komen zijn geinventariseerd en er is een prognose voor de hoeveelheden omstreeks het jaar 2000 gemaakt. Minimaal zal dan een hoeveelheid van ruim een half miljoen ton/jr beschikbaar zijn. Ondergrondse opberging biedt een meervoudige barriere tegen verspreiding in de biosfeer. De scenario's die tot onverhoopt vrijkomen aanleiding kunnen geven zijn beschreven alsmede de consewuenties in globale zin. Uit indicatieve berekeingen blijkt dat zelfs na een waterinbreuk in de opbergmijn de verontreiniging zeer beperkt is.
    • Kleinschalige anaerobe zuivering van huishoudelijk afvalwater. Interim rapport 1

      Gerlofsma; A.; Hoogt; L. de*; (1986-08-31)
      In Nederland zal op 3 locaties onderzoek worden gestart naar de afbraak van huishoudelijk afvalwater van een huishouden, volgens het proces van de UASB. Daartoe is door het RIVM een project gestart in nauwe samenwerking met de LU Wageningen. Op basis van de procesgang is een reactorvat ontworpen. Ten behoeve van de toegankelijkheid is het vat in een betonnen put geplaatst. Het rapport omvat de gehele voorbereiding tot het installeren van de proefinstallaties, w.o. bouwkundige omschrijving putten, enquete potentiele locaties, analysepakket, planning, e.d.
    • Ruimtelijke variaties in fysisch-chemische bodemkarakteristieken in de Nuenen-groep nabij Best

      Gerringa; L.; Obdam; A. (1985-06-30)
      Ten noorden van Best is een onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke variatie in fysisch-chemische bodemkarakteristieken in de Nuenen-groep. Doel van dit onderzoek was een methode te ontwikkelen om een beter inzicht te krijgen in de laterale existentie van lagen, die door hun eigenschappen, een bescherming bieden tegen verspreiding van evt. verontreinigingen t.o.v. het grondwater. De bodem is bemonsterd m.b.v. continu gestoken boringen ; de monsters zijn ganalyseerd op de volgende parameters: organische-stofgehalte, kalkgehalte, kationen- uitwisselings-capaciteit, zuurgraad en granulaire verdeling. De ruimtelijke variatie is onderzocht m.b.v. een sedimentologische analyse en statistische verwerking van bovengenoemde analysegegevens. Geconcludeerd kon worden dat de sedimentologie aangevuld met statistische verwerking van gemeten bodemparameters een goed inzicht geeft in de opbouw van de bodem. Voorts is gebleken dat een puntwaarneming in de Nuenen-groep in vele gevallen niet representatief is over een afstand van slechts twintig meter.
    • Tumorpromotie-mechanismen en implicatie voor risicoschatting

      Bisschop; A. (1986-09-30)
      In het bijgaand rapport wordt ingegaan op het verschil in werkingsmechanisme tussen initiators (meestal zijn dit complete carcinogenen) en tumorbevorderende stoffen (tumorpromoters). Initiators werken door binding aan het erfelijke materiaal terwijl promotors als groeistimulans werken. Verder blijkt dat het overgrote deel van de huidige kennis omtrent werkingsmechanismen van tumorbevorderende stoffen is verkregen uit onderzoek met phorbol esters. Tevens wordt een overzicht gegeven van een aantal testsystemen om stoffen met tumorbevorderende activiteit op te sporen. Het merendeel van deze testen dient nog uitgebreid te worden getoetst op hun bruikbaarheid om onbekende stoffen met tumorbevorderende activiteit op te sporen. Er wordt geconcludeerd dat er bij de risico evaluatie van tumorpromoters van kan worden uitgegaan dat er voor de werking van deze stoffen een drempelwaarde bestaat waar beneden geen effect zal optreden.
    • De verblijftijd van chloride in een kolom onverzadigd zand

      Berg; S.van den; Drecht; G.van; Tiktak; A. (1986-05-31)
      De "propstroom"-formule voor de schatting van de gem. verblijftijd van een conservatieve opgeloste stof in de onverzadigde zone werd in het laboratorium getoetst d.m.v. enkele kolomproeven. 3 PVC-kolommen (lengte 250 cm, diameter 18 cm gevuld met grof- en fijn zand, afkomstig van de Utrechtse Heuvelrug werden beregend met een intensiteit van ca. 2,3 mm/dag. Nadat de stroming in de kolommen stationair was geworden, werd 3 of 4 gram calciumchloride gemengdin een laag kwartszand bovenin de kolommen. De doorbraak van chloride vond plaats tussen 50 en 200 dagen na toediening van het calciumchloride. De doorbraak van chloride in het percolaat van de kolommen werd voorspeld met de propstroom- formule en met het advectie-dispersie-model. Uit de resultaten van deze berekeningen bleek dat de propstroom-formule voor de gem. verblijftijd van chloride in de kolommen goed voldoet. Het advectie-dispersie-model bleek goed bruikbaar te zijn voor de simulatie van de doorbraakkrommen. De resultaten zijn echter wisselend en de disp.-param. moest d.m.v. calibr.worden vastgest.