Welcome to the Webbased Archive of RIVM Publications (WARP)

On this website you will find articles and reports that are written by the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), available for a full text download.

We are constantly working to improve the Repository. Please contact our administrator if you have any further questions or remarks.

Select a community to browse its collections.

RIVM official reports
Articles and other publications by RIVM employees
Datafeed Community
  • Best available practice in life cycle assessment of climate change, stratospheric ozone depletion, photo-oxidant formation, acidification, and eutrophication-Backgrounds on specific impact categories

    Seppala J; Risbey J; Meilinger S; Norris G; Lindfors LG; Goedkoop M; Klopffer W; Potting J; ETAC Europe; KMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-01)
    This report has been prepared by the SETAC Europe Scientific Task Group on Global And RegionaL Impact Categories (SETAC-Europe/STG-GARLIC) that is installed by the 2nd SETAC Europe working group on life cycle impact assessment (WIA-2). This document is background to a chapter written by the same authors under the title "Climate change, stratospheric ozone depletion, photo-oxidant formation, acidification and eutrophication" in Udo de Haes et al. (2002) . The chapter summarises the work of the STG-GARLIC and aims to give a state-of-the-art review of the best available practice(s) regarding category indicators and lists of concomitant characterisation factors for climate change, stratospheric ozone depletion, photo-oxidant formation, acidification, and aquatic and terrestrial eutrophication. Backgrounds on a selection of general issues relevant in relation to LCA and characterisation of impact in LCA are given in another background report from Potting and Klvpffer (2001) .
  • Modelstructuur voor de milieudruk door consumptie

    Rood GA; Ros JPM; Drissen E; Vringer K; Aalbers TG; Speek G; LAE/O&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-28)
    Environmental pressure has been approached by many experts as being a result of population, prosperity and technological efficiency. A research project has been set up to develop a model structure for constructing consumption scenarios and determining the energy requirement of the inhabitants of the Netherlands for these scenarios. In the model, consumption is determined by economic growth, demographic changes, sociocultural developments, technological enhancement and policy measures, rather than behaviour related to one specific component of consumption. Because analyses of consumption and implications of specific policy measures require a detailed level of information on expenditures, environmental pressure and their interrelationships, we also considered a detailed level of consumption components. The starting point of the research has been to fit human behaviour within boundaries like time, money and available space. A system of models has been developed, in which several kinds of models are found for consumption, including a central unit. This report gives an overview of the models in this system and the relationships between several models.
  • Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water

    Schijven JF; Teunis PFM; de Roda Husman AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-01)
    Op grond van literatuurgegevens werden voor kippen en mensen dagelijkse infectierisico's door H5N1-vogelgriepvirus door consumptie van besmet drinkwater geschat voor Nederland. Een zeer infectieus virus en minder dan 4 log10 drinkwaterzuivering (redelijk inefficient) kunnen leiden tot een hoog infectierisico (meer dan 1%) voor pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen. Goed gezuiverd drinkwater (8 log10) leidt tot een verwaarloosbaar infectierisico voor individuele kippen en mensen. Aangenomen werd dat een enkele geinfecteerde eend H5N1-virus uitscheidde in oppervlaktewater, dat werd ingenomen voor drinkwaterproductie en leidde tot consumptie van besmet drinkwater door een kip of mens. Bij 8 log10 drinkwaterzuivering is het geschatte dagelijkse infectierisico voor een individuele kip laag, namelijk 10ˆ-15-10ˆ-10. Dit weerspiegelt de grote onzekerheden in virusuitscheiding en infectiviteit (10ˆ-5-1). Desondanks, kunnen de 2000 pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen (74% van alle Nederlandse pluimveebedrijven) een hoog risico (meer dan 1%) lopen indien het virus zeer infectieus en de drinkwaterzuivering minder dan 4 log10 is. Uitgaande van een lage virusinfectiviteit (10ˆ-5) werd het gemiddelde dagelijkse infectierisico voor de mens door drinkwaterconsumptie geschat op 2 x 10ˆ-12, wat zeer laag is, en door oppervlaktewaterrecreatie op 10ˆ-8. Hoewel het H5N1-vogelgriepvirus voor mensen vermoedelijk minder infectieus is dan voor kippen, is efficiente drinkwaterzuivering ook voor de mens van groot belang. Efficiente en robuuste drinkwaterzuivering kan worden vastgesteld aan de hand van de in Nederland reeds wettelijk opgelegde risicoanalyse voor enterovirussen en in waterveiligheidsplannen.
  • Een vergelijking tussen (passieve) NO2 metingen en rekenresultaten in 2010

    Uiterwijk JW; Wesseling J; Nguyen L; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-02-27)
    Metingen van stikstofdioxide (NO2) concentraties met zogeheten Palmesbuisjes en formele referentiemethoden laten betrekkelijk kleine verschillen, van 10-15%, zien met resultaten van berekeningen met wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze metingen zijn uitgevoerd om een beeld te krijgen van de concentraties in gebieden waar geen continue metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) worden verricht. Palmesbuisjes zijn kleine plastic buisjes met daarin een chemisch actieve stof die NO2 aan zich bindt, waarmee de NO2-concentratie worden bepaald. De aanvullende metingen hiermee vinden plaats op verschillende achtergrondlocaties in steden, langs enkele snelwegen, langs een drukke vaarweg en bij enkele tunnelmonden. Waar mogelijk zijn de metingen vergeleken met de resultaten van berekeningen met de in Nederland wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden. De in straten en langs snelwegen gemeten NO2-concentraties komen goed overeen met de resultaten van de rekenmethoden. Metingen langs een kanaal met veel scheepvaart laat slechts een kleine verhoging van de NO2-concentratie op de dijk zien. Bij tunnelmonden zijn sterk verhoogde NO2-concentraties gemeten.
  • Toxicity of Ambient Particulate Matter IV: Acute toxicity study in pulmonary hypertensive rats after exposure to model compounds for the secondary aerosol fraction of PM10 - ammonium bisulfate, ferrosulfate and nitrate

    Cassee FR; Boere AJF; Fokkens PHB; Dormans JAMA; van Bree L; Rombout PJA; LEO; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
    Ammoniumnitraat is de belangrijkste component van het secundair gevormde fijnstof in Nederland. Een tweede belangrijke fractie wordt, afhankelijk van de neutraliserende componenten, gevormd door bisulfaat of sulfaat. De acute inhalatoire effecten van deze aerosolen zijn onderzocht in gezonde ratten en ratten met pulmonaire hypertensie. In dit type onderzoek is het gebruik van diermodellen die een bepaalde humane cardiopulmonaire aandoening representeren essentieel, omdat epidemiologisch onderzoek juist deze groep mensen heeft aangeduid als een groep die gevoelig is voor expositie aan fijnstof. Voor de studies die in dit rapport worden beschreven is een model voor pulmonaire hypertensie (gepaard gaande met een inflammatie en een hypertrofie van het rechter ventrikel) toegepast. Dit ziektebeeld wordt chemisch geinduceerd met monocrotaline (MCT). Uitgaande van de wetenschap dat de effecten van fijnstof zeer acuut kunnen zijn, zijn in deze studies dieren 4 uur per dag gedurende drie dagen blootgesteld aan ultrafijn en fijn ammonium aerosolen. De studie met ammoniumbisulfaat is twee maal uitgevoerd, waarbij de massaconcentraties in de tweede studie hoger waren dan in de eerste. Ein dag na de laatste blootstelling werden de effecten vastgesteld middels longspoelvloeistof (BALF) analyse en histopathologie. De behandeling met MCT resulteerde in de verwachte pathologische symptomen: mediale hypertrofie van spieren van pulmonare slagaders en neomuscularisatie van kleine bloedvaten. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor het optreden van cytotoxiciteit (gemeten met de indicatoren lactaat dehydrogenase (LDH), eiwit- en albumine gehaltes in BALF) als gevolg van de blootstelling aan (ultra)fijn ammonium aerosol. Macrofagen lijken in alle met MCT behandelde groepen geactiveerd, bepaald middels de aktiviteit van N-acetylglucosaminidase (NAG), maar een effect van de test atmosfeer is niet opgetreden. Het celdifferentiatiebeeld laat geen consistent beeld zien ten aanzien van de MCT behandeling. Een effect van ammonium aerosolen kan mede door de latent aanwezige Haemophilus sp infectie, niet worden vastgesteld. Middels pathologisch onderzoek kon geen effect van de blootstelling aan aerosolen worden vastgesteld.eerde aerosol concentraties, die vergelijkbaar waren met concentraties in eerdere studies in astmatische muizen geen pulmonaire effecten in gezonde en pulmonair hypertensieve ratten optreden.<br>

View more